Lezen is oefenen in leven

Maakt lezen de wereld beter? Wij, schrijvers, en andere mensen uit het boekenvak geloven het graag. Maar klopt het okindjewclezenok?

Deze week mocht ik aan een groep aspirant-leerkrachten Nederlands vertellen hoe ze in de klas aan leesbevordering kunnen doen. Het werd een verhaal over begeestering, over verhalen vertellen die de nieuwsgierigheid prikkelen, verhalen die de wereld groter maken, over voorlezen.

Over hoe bijzonder het is als je de ogen van die ene koppige leerling, die met gekruiste armen en met zijn jas aan achter in de klas verveeld zit te wezen, toch heel even ziet glinsteren. Over hoe je soms je beperkingen moet erkennen en vaststellen dat er ook jongeren zijn die nooit – niet nu, niet morgen, niet over twintig jaar – spontaan een boek zullen oppikken. En dat zoiets misschien jammer, maar niet erg is.

Minstens even belangrijk is de vraag waarom we lezen zo belangrijk vinden. Het zou de wereld beter maken, hoor je vaak, fictie maakt van ons betere mensen. Ik ben op zoek gegaan naar onomstootbaar bewijs voor die aannames. Eerlijk gezegd: ik heb het nergens zo letterlijk gevonden. En misschien maar goed ook, want dat zou betekenen dat we onze niet-lezende medemens degraderen tot Untermensch. Neen,

I love to read
I love to read

Amerikaanse onderzoekers ontdekten iets interessanters: wie fictie leest, scherpt wellicht tijdelijk zijn inzicht in complexe sociale relaties aan. Kijken naar kunst zou een soortgelijk effect hebben. Valt dat vermogen op goede bodem, dan zou de wereld er inderdaad beter van kunnen worden. Maar evengoed kan het de perfecte brandstof zijn voor meester-manipulators.

Maar misschien is fictie lezen vooral een manier om worstelende jongeren handvaten aan te voorlezenreiken. En reken maar dat ze die nodig hebben, vandaag meer dan ooit. Dat was wat ik dacht toen Mark Elchardus de resultaten van zijn recente studie bekendmaakte: jongeren zijn bang. De wereld beangstigt hen, maakt hen onzeker. Dus gooi ik er meteen maar een extra argument pro lezen bovenop, met dank aan de psychologen van de Universiteit van Toronto: wie fictie leest, laat tijdelijk zijn behoefte aan snelle conclusies en instant-oplossingen varen. Met andere woorden: wie leest, kan onzekerheid beter verdragen. Niet verwonderlijk toch? Lezen is oefenen in leven, zonder dat je alle klappen zelf hoeft op te vangen.

(verschenen eerder in De Mening, DS Avond, 8 oktober 2015)

Rousseau: een wandelende paradox

Jean-Jacques Rousseau liet zijn vijf kinderen in de steek. Kathleen Vereecken wekte in 2009 een van hen tot leven in haar bekroonde jeugdroman ‘Ik denk dat het liefde was’. Voor DSL doet ze het verhaal van haar fascinatie voor een kinderverlater met vedettenstatus.

Vraag me niet hoe fascinatie geboren wordt. Het is meer dan aantrekking. Er zit verwondering in, verbijstering soms. Maar vooral nieuwsgierigheid.

Jean-Jacques Rousseau
Jean-Jacques Rousseau

Wat een geluk dat mijn dochter haar tanden enkele jaren geleden stukbeet op de leerstof geschiedenis. Die vervloekte verlichtingsfilosofen! Samen doorploegden we de levens en werken van Voltaire,
Hume, Locke, Kant, Diderot en Jean-Jacques
Rousseau. Een romantische natuurliefhebber, die zinnige dingen vertelde over de opvoeding van kinderen, zo wandelde hij door mijn hoofd. Toen ik mijn vage herinnering aan de koele feiten wilde toetsen, botste ik op het onwaarschijnlijke verhaal dat de man die zo beroemd geworden was met Emile, ou de l’éducation zijn vijf eigen kinderen te vondeling had gelegd. De adrenalinestoot die ik toen voelde, was dermate heftig dat hij me eerst de verwensing ‘smeerlap’ ontlokte. En de vraag: ‘Waarom?’ En meteen daarna de kreet: ‘Een boek!’ Wat als ik een van die vijf kinderen tot leven zou wekken in een roman, om zo zijn beroemde vader van antwoord te dienen? Over de vijf kinderen was nauwelijks iets bekend. Niet eens of het jongens of meisjes waren. Alleen het eerstgeboren kind had een kenteken in de kleertjes meegekregen: een kaart met een symbool, waarvan Rousseau zelf een kopie had bijgehouden. Et voilà, Leon was geboren.

Voltaire
Voltaire

Een jaar lang zou ik vooral lezen: van
Rousseau, over Rousseau. Al snel ontdekte ik dat de man niemand onberoerd liet. Er zijn talloze hagiografieën verschenen, maar ook boeken waarin geen spaander van Rousseau heel gelaten wordt, zoals ‘St. Jean-Jacques
Rousseau’.

De mens, de schrijver en de mythe’ van Jacob H. Huizinga. Huizinga citeert gul de grote geesten met wie Rousseau in aanvaring kwam, en ik laafde me eraan met een bedenkelijk soort gretigheid, want heftige verontwaardiging zoekt – vooral wanneer ze pril is – naar bevestiging. Zo zou Voltaire Rousseau ooit beschreven hebben als een ‘boosaardige schurk, monster van ijdelheid en laaghartigheid’. Voor alle duidelijkheid: de twee hebben elkaar nooit ontmoet, en enige jaloezie omwille van
Rousseau’s vedettenstatus – hij was vooral bij vrouwen waanzinnig populair na de verschijning van zijn brievenroman ‘Julie ou la nouvelle Héloise’; een lachwekkend boek, volgens Voltaire – zal misschien meegespeeld hebben. Voltaire was immers, als we de petite histoire mogen geloven, een echt haantje.

Monster

Maar ook zijn eerdere vrienden trokken fel van leer tegen Jean-Jacques. Diderot – ooit een innige vriend – noemde hem ‘vals, zo ijdel als satan, ondankbaar, wreed, huichelachtig en boosaardig’. En Hume zag Rousseau na het beëindigen van de vriendschap als ‘een monster dat zichzelf als centrum van het heelal beschouwt’. Aan de hand van talloze voorbeelden illustreert Huizinga hoe wispelturig de schrijver-filosoof was. Hoezeer hij erin slaagde te charmeren met zijn intelligentie en verrassende inzichten, en te schofferen door zich voortdurend als onbegrepen slachtoffer te gedragen. Hoe hij sneller van mening veranderde dan van onderhemd en hoe hij gebukt ging onder allerlei al dan niet ingebeelde kwalen. Uiteraard komt ook de verlating van zijn vijf kinderen aan bod. De manoeuvres en manipulaties, waarmee hij de laaggeletterde Thérèse Levasseur, moeder van zijn kinderen, paaide. De brieven en fragmenten uit zijn ‘Bekentenissen’, waarin hij zijn daad toegeeft en meteen goedpraat. De kinderen wegdoen was de enige manier om de eer van een ongehuwde vrouw te redden, luidde het. Het zou zijn integriteit als mens en schrijver in het gedrang brengen, want hoe zou hij kunnen schrijven op een lawaaiige zolder? Hij zou een miserabel baantje moeten zoeken. Bovendien zouden zijn kinderen beter af zijn bij een pleeggezin op het platteland, waar ze een fors gestel zouden kweken en een gelukkig, vervuld leven leiden als boer of ambachtsman. ‘Ik wou dat ik op hun manier was grootgebracht,’ voegde hij er zonder ironie aan toe.

Onuitstaanbaar en intrigerend

Verbijstering, nog steeds. Want hoezeer de gidsen in Montmorency de daad van Rousseau ook vergoelijken, het feit dat de onthulling door Voltaire zoveel stof deed opwaaien, suggereert dat kinderverlating voor een man van stand helemaal niet zo gebruikelijk was. emile_cover
Rousseau was niet arm en niet dom. Hij wist dat 65 vondelingen op 100 stierven in hun eerste levensjaar. En dat slechts een op twintig de volwassenheid haalde. Hoezeer hij ook een hoge borst opzette en beweerde dat zijn geweten zuiver was, toch sijpelde het schuldbesef af en toe door. Zoals toen hij in Emile schreef: ‘Armoede, werkdruk, foute maatschappelijke vooroordelen, geen van allen kunnen ze een man ontslaan van zijn plicht, die eruit bestaat zijn eigen kinderen te ondersteunen en op te voeden. Als een man met normale gevoelens deze heilige plichten verwaarloost, dan zal hij ervoor betalen met bittere tranen en nooit getroost zijn.’ Een citaat dat Huizinga verzwijgt, maar dat wel vermeld wordt in de veel evenwichtigere biografie van Leo Damrosch, Rousseau. Restless genius, die recent ook in Nederlandse vertaling verscheen.

Zonder de moeilijke kanten van Rousseau te minimaliseren, schetst Damrosch het portret van een geniale denker, die met werken als Emile en Het maatschappelijk verdrag ons denken blijvend veranderd heeft. Onuitstaanbaar en intrigerend. Een wandelende paradox, in elk aspect van zijn werk en leven. Een droom van een romanpersonage, al is het vanaf de zijlijn. Niet dat hij daar blij mee zou geweest zijn. Want – paradox! – ook al schreef hij ze zelf, hij haatte boeken. Al zou hij vooral over die zijlijn struikelen, vermoed ik zo.

(verschenen in De Standaard der Letteren op 29 juni 2012)

De last van een leven zonder lust

Priesters en nonnen mogen geen seks hebben. Zelfs masturbatie is uit den boze. Maar kan een mens met een normaal libido wel zonder seks? Worden we ziek of gek, of valt het al bij al nog mee?

priester‘Ik heb te doen met de paus en alle oude katholieke priesters. Stel je eens voor: terugkijken op een verloren leven zonder seks’, zei de Britse gedragsbioloog, schrijver en atheïst Richard Dawkins onlangs. Zonder seks is wellicht relatief in vele gevallen. Er is de commotie rondom het seks- en corruptieschandaal binnen het Vaticaan. Er zijn de talloze verhalen over priesters en pedofilie, een van de meest perverse sluipwegen van onderdrukte lustgevoelens. En de van vette knipogen voorziene verhalen over pastoors en hun inwonende meiden, doen al generaties lang de ronde.

Wie over een gezond libido beschikt, heeft goesting, zo af en toe. En wie geen partner heeft, kan zich maar gelukkig prijzen met een vaardig stel handen – of opwindend speelgoed – en een levendige fantasie. Masturbatie is het ietwat kille zusje van seks met een ander. De warmte, intimiteit en verbondenheid die zo’n mooie surplus kunnen geven aan vrijen, zijn niet van de partij. Het is honger stillen zonder disgenoot. Maar het kan soelaas bieden.

nonnen in zeePriesters en nonnen leggen een gelofte van zuiverheid af, waarbij ze alle seksuele handelingen voorgoed afzweren. Ook masturbatie is dus uit den boze. Misschien is dat nog haalbaar voor wie een bescheiden tot onbestaande seksdrive heeft – 1 tot 2 procent van de mensen zou nooit enige seksuele lust voelen. Maar wat als je wilt en toch niet kan of mag? Wordt een mens daar ziek, gek of simpelweg ongelukkig van?

Afgaand op het missionaire enthousiasme van sommigen, zouden we er juist veel beter van worden. Neem nu Anthony Trevino, een diepgelovige christen uit het Britse Hull, die met zijn vereniging Celebrate Celibacy de lof van een seksloos leven in het rond toetert. Het zou de onwennigheid tussen mannen en vrouwen volledig wegnemen, omdat niemand zich ooit nog hoeft af te vragen ‘Zullen we het straks doen of niet?’ Rust in het hoofd dus, in het besef dat die ander niet zozeer in je lijf, maar wel in je geweldige persoonlijkheid geïnteresseerd is. Veel minder miserie ook met gebroken harten en niet-ingeloste verwachtingen, omdat seks op dat vlak al eens roet in het eten durft te gooien. Wie lust loslaat zou ook meer ruimte creëren voor een onvoorwaardelijke vorm van liefde. En, ook mooi meegenomen, je bent honderd procent beschermd tegen zwangerschap en soa! Een mens zou het zowaar jammer gaan vinden dat er zoiets treiterigs als geilheid bestaat.

Experiment in onderzeeër

Misschien valt Trevino wel in de categorie van 1 tot 2 procent, en kost seksuele onthouding hem weinig tot geen moeite. Maar is het wel een goed idee om de deugdzaamheid te veralgemenen en koste wat het kost in stand te houden? Of zoals Rik Torfs in zijn column schreef: ‘Extreme deugdzaamheid is gevaarlijk omdat ze onmenselijk is. Ze dwingt tot hypocrisie.’ En daar komt de pastoorsmeid weer om de hoek loeren.

‘Het lijkt me voor iemand met een gemiddeld libido bijzonder moeilijk om nooit seks te hebben, in de ruimste zin. En dan heb ik het ook over masturbatie’, zegt seksuoloog Alexander Witpas. ‘Maar kan een mens leven zonder seks? Ja, absoluut. Louter medisch-biologisch bekeken kan een seksloos leven geen kwaad. Je wordt er niet gek van. Je wordt er niet ziek van, je gaat niet dood aan een gebrek aan seks. Misschien zul je niet zo gelukkig zijn met je seksloze leven, maar een depressie zit er daarom niet meteen in. De mate waarin je last hebt van het gebrek aan seks, hangt van een aantal factoren af. Was het een keuze die je in alle vrijheid gemaakt hebt, of was het een keuze onder druk? Hoe zit het met je libido? En wat is je attitude tegenover seks? Is het fijn en belangrijk, of is het niet meer dan een stomme, belachelijke of verwerpelijke bezigheid?’

NoSexMaar, zo geeft Witpas toe, degelijk wetenschappelijk onderzoek naar de mentale gevolgen van een absoluut seksloos bestaan, zonder masturbatie ook, is zeer moeilijk. ‘Ik vraag me af wie zich vrijwillig zou opgeven voor een dergelijk onderzoek. Bovendien lijkt het me niet evident om hierover eerlijke antwoorden te verzamelen. Er zijn in het verleden wel pogingen ondernomen. Zo wilde men ooit nagaan welk effect een vrouw- en dus seksloze periode van dertig dagen in een onderzeeër zou hebben op een groep soldaten. Maar met de mogelijkheid van masturbatie en homoseksuele relaties werd niet echt rekening houden.’

Eten en drinken

Dat seks een primaire behoefte is, luidt het al eens. Dat een mens het even hard nodig heeft als eten en drinken. En, o ja, er zijn van die acute momenten waarop we heel hard jaknikken bij het horen van dat verhaal. Maar misschien klopt het niet helemaal. We gaan dood zonder eten en drinken, maar we gaan niet dood zonder seks. En is het niet zo dat een mens zijn hoofd en lijf pas vrijmaakt voor seks wanneer hij geen honger en kou meer lijdt? Op die manier wordt seks een secundaire behoefte. Op macroschaal wordt seks dan wél weer primair, simpelweg omdat zonder seks de mensheid binnen de kortste keren uitsterft. Alexander Witpas gaat verder: ‘Ik noem het primair, omdat de overgrote meerderheid van de mensen een goed seksleven fundamenteel vindt.’

En dan is er nog de stille, aseksuele minderheid. Een kloeke minderheid, want van de 11 miljoen Belgen zijn er dus 110.000 tot 220.000 die helemaal niets met seks hebben. Ze fantaseren nooit over seks en hun verlangen is zo goed als onbestaande. Uit het interuniversitaire bevolkingsonderzoek Sexpert bleek dat meer vrouwen dan mannen aseksueel zijn. Een groot deel van hen heeft nooit een sekspartner gehad. De vrouwen worden doorgaans wel nat wanneer ze seksueel gestimuleerd worden en de mannen krijgen een erectie, maar de bijbehorende lustgevoelens blijven grotendeels of helemaal uit. Merkwaardig detail: 80 procent van deze mannen en 77 procent van de vrouwen masturbeert. Dat zijn cijfers die nauwelijks afwijken van het gemiddelde. Maar tien procent van de aseksuelen geeft aan te lijden onder dat seksloze leven. Of dat lijden te maken heeft met de eventuele leegte of eerder met de druk van buitenaf, is niet duidelijk. Want priesters en nonnen mogen dan wel niets voelen, of tenminste: niets doen met wat ze voelen, in de wereld daarbuiten lijkt het precies andersom. Wie niet tuk is op seks, voelt zich in een bijwijlen oversekste wereld wellicht een buitenstaander.

(eerder verschenen in De Standaard op 7 maart 2013)

Architectuur tegen zuur

Nieuwjaarskaart van de Vlaamse bouwmeester in 2008: 'Verplaatst uit de prullenmand' van Willem Oorebeek
Nieuwjaarskaart van de Vlaamse bouwmeester in 2008: ‘Verplaatst uit de prullenmand’ van Willem Oorebeek

Er komt – terecht – veel reactie op het afschaffen van de Vlaams Bouwmeester door de nieuwe Vlaamse regering.

Vandaag ventileerden de hoofden van de verschillende Vlaamse architectuuropleidingen hun bezorgdheid en ongenoegen. Ook hier luidt de vrees dat kwaliteitsarchitectuur dreigt te verdwijnen.

Advocate Griet Cnudde, die zich eerder toelegde op de klachten van buurtbewoners over de Sinksenfoor en Tomorrowland, schreef een open brief naar de Stad Gent, waarin ze de heraanleg van een nieuwe verkeersas in Gent aanklaagt. ‘Gent zou het stadscentrum moeten afstemmen op de mensen die er effectief willen wonen, op gezinnen met kinderen en de lokale economie. Niet op iedereen die in de rand gaat wonen om een tuin te hebben.’ Ik vroeg me meteen, zonder ironie, af hoe een verstandige – en voorlopig onbestaande – stadsbouwmeester hier tegenaan zou kijken.

Een stadsbouwmeester, maar vooral ook de Vlaams Bouwmeester, is er om buiten de hokjes te denken. Zijn taak gaat veel verder dan gebouwen ontwerpen die mooi en tegelijk functioneel zijn. Er zit visie achter. Het gaat over mensen, over samenleven en verbinden. Dat is geen halfzacht gewauwel, maar nuchtere realiteit.

Filosoof en econoom Philippe Van Parijs vertelde me ooit tijdens een interview dat we meer dan ooit nood hebben aan verdraagzaamheid. Dichter bij elkaar wonen, en zo ziet de toekomst er nu eenmaal uit, betekent voortdurend rekening houden met de ander: erover waken dat we zelf niet al te veel storen of choqueren, maar ons ook niet te snel gestoord of gechoqueerd voelen door wat een ander doet. Hij zag veel heil in ‘zoning’, expliciet verschillende stadsfuncties toekennen aan elke wijk, zodat bewoners duidelijk weten wat ze mogen verwachten. Minder ergernis, minder zuur, meer solidariteit en sociale cohesie: dat is het doel. Of met de woorden van Van Parijs: ‘Dat is ons sociale kapitaal en het is van levensbelang.’ Zijn vrees was deze: dat stedelijke overheden alleen nooit zouden kunnen voorkomen dat rijkere mensen wegtrekken uit de stad, zodra hen iets niet bevalt. Een gezonde sociale mix is noodzakelijk voor een gezonde samenleving. En daarvoor heb je een consequent gevoerd beleid nodig in het hele land. Een sterke federale staat, met andere woorden.

Wat een gouden kans voor de nieuwe federale regering, die we hopelijk binnenkort zullen hebben: de kans om de blunder van de Vlaamse regering goed te maken door een federaal Bouwmeester aan te stellen. Vis al dat talent dat nu wandelen gestuurd wordt op en verdubbel hun vleugelslag. Dat vraagt uiteraard moed, en de bereidheid om verder te denken dan ambtstermijnen. Leve de lefgozer die dat aandurft.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Zou u baby Hitler doden?

Igor strelkovOnlangs kreeg ik zijn foto voor het eerst onder ogen: Igor Strelkov, militair leider in Donetsk. Geen doetje, zo blijkt uit alles wat over hem geschreven wordt, want betrokken in oorlogen in Bosnië, Tsjetsjenië, Transnistrië en misschien zelfs Syrië. Kil en berekend en – zacht uitgedrukt – niet malend om een mensenleven meer of minder.

Foto’s van kille doders trekken altijd mijn aandacht. Ik blijf ernaar kijken, gefascineerd door de ogen van het kwaad, in de hoop iets te kunnen doorgronden in die blik. Maar al wat ik zag was een pafferig gezicht met nietszeggende ogen. Het vreemde was dat ik wel meteen een idee had van hoe hij er als kind moet hebben uitgezien: de ontevreden baby is nooit helemaal verdwenen.

En dan de gedachte: stel dat hij elders was opgegroeid, stel dat hij anders was opgevoed, zou hij een ander mens geworden zijn? Want hoezeer de neurologie tegenwoordig het hoge woord voert, we weten lang niet alles over de menselijke psyche. Nature and nurture: ik geloof rotsvast dat ze hand in hand gaan.

hitler babyHet doet me denken aan een pertinente vraag, een moreel dilemma dat zelfs onderwerp van wetenschappelijk onderzoek werd: zou u baby Hitler doden als u de kans kreeg, wetend wat we vandaag weten, en met de verzekering dat het nooit zou zijn uitgekomen?

Het lijkt verdedigbaar: een kind doden om miljoenen mensenlevens te redden. Er zou – misschien – geen Holocaust geweest zijn. Israël zou nooit opgericht zijn. Er zou geen oorlog in Gaza zijn. Maar gaan we er dan niet aan voorbij dat het Duitsland van de jaren ’30 klaar was voor eender welke sterke man, die misschien dezelfde weg was gegaan als Hitler?

En los daarvan: zou u het kunnen, een kussen op het gezicht drukken van een baby die nog onschuldig is? Het is een vraag die de Britse psycholoog Kevin Dutton, schrijver van De lessen van de psychopaat, aan een heleboel mensen stelde. Zijn conclusie: enkel diegenen met psychopathische persoonlijkheidskenmerken maken de nuchtere berekening en zeggen ‘ja, het is verantwoord’. Meteen legt hij de link met de harde beslissingen die wereldleiders zo vaak moeten nemen: zonder trekken van de psychopaat zouden ze het nooit over hun hart krijgen iemand naar de oorlog te sturen.

Toen ik de vraag voorlegde aan een goede vriendin, zei ze: ‘Niet doden! Ik zou hem knuffelen en veel liefde geven, en hopen dat het goedkomt.’ Meteen wist ik weer waarom ze een goede vriendin is. In de ogen van sommigen onmogelijk naïef, zonder twijfel. En wereldleiders zullen we nooit worden. Lach maar. We zijn het soort mensen die de wereld hopen te redden met knuffels en liefde. Noem ons preventiewerkers. Het helpt alleen als je er op tijd mee begint: in de wieg.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Veilige schijnwereld

Het is vaak een verscheurend dilemma voor de mens in kwestie, maar ook voor de naaste familieleden: wanneer is het geoorloofd iemand te laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis?

alone-black-and-white-girl-photography-favim-com-319389Soms lijkt het de enige uitweg, omdat de druk voor het thuisfront ondraaglijk geworden is. Omdat de voortdurende angst dat iemand ‘zichzelf iets zal aandoen’ elke andere gedachte platslaat, omdat de angst en de zorgen het leven hebben overgenomen, waardoor een normaal bestaan een luxe lijkt die alleen voor anderen is weggelegd. De energie stroomt bij beekjes weg, en om de knoop door te hakken richten we de blik op wie het beter lijkt te weten: dokter, psycholoog, psychiater.

En dan is het zover: de gekwelde komt in een parallelle wereld terecht. Steriel en vreemd, en daardoor beangstigend. Duidelijk en afgeschermd van de werkelijke wereld, en daardoor veilig. De familie balanceert tussen opluchting om de weergekeerde rust en schuldgevoel. ‘Maar toch, echt, we konden niet anders. Het is waar, hé? We hebben er goed aan gedaan, ik weet het zeker.’

De duur van een opname in een psychiatrische kliniek ligt lager dan tien jaar geleden, maar is nog steeds te lang, schrijft deze krant vandaag. Dat is kwalijk. Toegegeven: soms is een tijdelijke opname nuttig en zelfs noodzakelijk. Maar een te lang verblijf kan een mens veranderen van iemand met psychische problemen in een psychiatrisch patiënt: door de gangen sloffen, glazige blik in de ogen. Deskundigen noemen dit het ‘hospitalisatiesyndroom’: het emotionele leven zwakt af, sociale contacten verwateren, de aanvaarding gaat over in apathie, de eigenheid verdwijnt in een systeem van geforceerde verzorging. Wanneer ook de familieleden, die in de loop van de jaren tegen wil en dank ervaringsdeskundige geworden zijn, buitengesloten worden – en dat gebeurt soms – dan wringt het.

Wie lang in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, dreigt zich te nestelen in het comfort van een schijnwereld. Het hier en nu is veilig, het straks en elders wordt gaandeweg bedreigender. De kans op herintegratie in de samenleving en een job worden kleiner naarmate het verblijf langer duurt.

Hoe vroeger iemand naar huis kan, des te beter dat in principe is. Maar laat dit duidelijk zijn: het kan alleen als de patiënt en zijn familie de nodige ondersteuning en begeleiding krijgen. Misschien kan intensieve thuisbegeleiding worden ingebed in een overgangsperiode naar het ‘normale’ leven. Maar laat vooral ook de mantelzorgers niet in de kou staan: hun veerkracht is vaak al jarenlang zwaar op de proef gesteld. Zij hebben recht op hulp en ondersteuning. Financieel, inhoudelijk en emotioneel.

Geluk belangrijk vinden toon je niet door wc-spreuken en andere wijsheden te verspreiden, maar door elke kans te grijpen om – ook al is het moeilijk – concrete stappen te zetten in de richting van een gelukkigere samenleving.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Sven Gatz, we hebben vertrouwen in u

Het is een traditie, folklore bijna, hoe de culturele sector steigert zodra de naam van de Vlaamse minister voor Cultuur bekend is.
Naamgrapjes, een instant kruisverhoor (hoe lang is het geleden dat u een toneelstuk gezien hebt? hoe heet de laatste roman die u las? kunt u voor de vuist weg vijf belangrijke hedendaagse schilders van bij ons opsommen?). Het is altijd een beetje spitsroeden lopen voor mevrouw of meneer de minister. Het gaat van monkelen, over dedain tot ergernis.

Maar het moet gezegd: de indruk leeft dat Cultuur als een ministerpost light wordt beschouwd. En ook dit moet gezegd: soms woog de minister in kwestie ook te licht voor de post. Daar wordt niet mee gelachen. Of juist wel, heel hard. Herinner u de jarenlange hoon die de arme Bert Anciaux te beurt viel toen hij het per abuis over De nachten van Gerard Reve had.

sven-gatzWat een verademing was het om te merken hoe cultureel Vlaanderen reageerde op de aanstelling van Sven Gatz als Vlaams minister voor Cultuur, Media en Jeugd. Het was van Patrick Dewael geleden dat er zo’n welwillende wind door de gelederen waaide. In het slechtste geval was er sprake van milde onverschilligheid, in het beste geval werd de aanstelling ronduit toegejuicht. Een ketje op Cultuur: het klinkt alleszins sympathiek.

Het hing nochtans aan een zijden draadje. Het had Noël Slangen kunnen zijn, evenzeer een interessante keuze, want hij is de man die ooit schreef dat cultuur als vanzelfsprekend in iedere vezel van ons leven aanwezig zou moeten zijn. Een ongelukkige timing besliste er anders over. Een gelukkige timing voor Gatz. Voorlopig tenminste. Want nu moet hij het waarmaken.

De kersverse minister oogt nog een beetje beduusd. Hij beseft zeer goed dat er verhoudingsgewijs veel kritisch volk rondloopt in de kunsten en de letteren. Het zal hem onvermijdelijk dwingen scherp te blijven en nooit onbeslagen op het ijs te komen. Maar hij krijgt krediet.

Laten we het snuiven inhouden. Laten we wachten met schamperen tot er iets te schamperen valt. En laten we vooral hopen dat er nooit reden toe zal zijn.

Hoort u het, mijnheer Gatz? We hebben vertrouwen in u. En de menselijke traditie leert ons dat wie vertrouwen krijgt dat zelden beschaamt. U lijkt ons menselijk, dus dat zit wel goed. We hebben er bijgevolg ook vertrouwen in dat u de menselijke traditie niet zult doorbreken.

Zoveel vertrouwen om niet te beschamen: als dat geen eer is.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Hoop, schoonheid en troost

We zijn in de greep van de machteloosheid.
Hoe wreed het leven kan zijn voor een kind in Gaza of in Syrië. Hoe wreed het bij uitbreiding is voor hun ouders en al wie hen graag ziet. Hoe wreed het is als er niemand meer is die hen graag kan zien. Of betreuren.
We staan erbij en we kijken ernaar.
We ondertekenen petities. Dat het moet stoppen, dat het Palestijnse volk rust, vrede, ruimte en respect gegund moeten worden. Een leven dat die naam waard is. Dat een economische boycot van Israël zich nu meer dan ooit opdringt.
We piekeren over manieren om onze betrokkenheid vorm te geven. Het uitschreeuwen, een gedicht schrijven, gruwelijke foto’s bekijken, lezen wat anderen schrijven, huilen.
We veranderen profielfoto’s op Facebook. Een Palestijns jongetje te midden van het puin. Of, ja, gewoon een snapshot met de zon in de haren en de ogen, en een glas wijn.
Sommigen ergeren zich aan de banaliteit van ergernissen, aan de trivialiteit van gesprekken, aan het lichtzinnige van blijheid. Aan de manier waarop anderen omgaan met wereldellende, of er niet mee omgaan.
Onverschilligheid! roept de een.
Emoterreur! kaatst de ander terug.

En toch.

We blijven foto’s van baby’s en katten posten op Facebook.
We blijven ons ergeren aan kleine agressiviteit en onbeschoftheid – hoe is het verdomme mogelijk dat mensen aan de deur van een wc rukken zonder vooraf even geklopt te hebben en wedden dat het die zelfden zijn die straks hun remspoor niet zullen verwijderen?
We maken afspraken met de kapper – niet te kort! – proberen kattenkots uit het tapijt te krijgen en vragen ons af wat we vanavond zullen eten.
We kijken naar de avondlucht, prijzen ons gezegend dat we in een land met steeds wisselende wolkenhemels leven, en voelen ons even zielsgelukkig.
We spreken af met vrienden, drinken wijn, praten diep en licht, en lachen lang in de zomernacht.
Willy Ronis - vincent_5ans_1945We zoeken troost in schoonheid, altijd weer.
Ik vond die troost onlangs in een minder bekende foto van de Franse fotograaf Willy Ronis. Een zijdelingse blik op een jongetje van vijf dat zijn naam leert schrijven. Vincent. De foto ontroerde me. Het had te maken met de overgave en de concentratie van het kind. Met het betoverende licht ook, het contrast tussen helder en donker. En met het jaartal: 1945. Vincent was een oorlog oud.

Heel even legt de hoop de machteloosheid het zwijgen op.

 

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

‘Ik zag alleen nog de muren van de put’

Het overviel hem toen hij nog niet eens halfweg de veertig was, in een vorig millennium alweer: een depressie, die zijn kijk op leven, werk en liefde veranderde. Ze duurde niet bijzonder lang – hoop en al een paar maanden, maar ze hakte heftig in op het ogenschijnlijk onverwoestbare zondagskind dat Frank Van Massenhove was.

Fotograaf:  Dieter Telemans
Fotograaf: Dieter Telemans

In september vorig jaar moest Frank Van Massenhove verzaken aan zijn aanstelling als nieuwe spoorbaas, ‘om gezondheidsredenen’. Geruchten over een burn-out of depressie staken de kop op, maar daar was niets van aan: het was een fysieke aandoening die hem velde. Toch heeft de immer optimistische Van Massenhove ervaring met depressie. Het was de donkerste periode uit zijn leven, nu alweer een jaar of zestien geleden. Ze heeft hem getekend en gevormd.

Depressie mee uit het verdomhoekje sleuren, beschouwt Van Massenhove als een van zijn missies in dit leven. Dus wil hij zijn verhaal vertellen, want ‘je weet maar nooit of ik er iemand mee help’.

Vandaag oogt Frank Van Massenhove, die dit jaar 60 wordt, energiek en vrolijk. Hij zit – eigenlijk is dat een woord dat haaks op zijn temperament staat – alweer een tijdje op de stoel waar hij zich het meest thuisvoelt: die van voorzitter van de FOD Sociale Zaken.

Het was geen burn-out, die hem zestien jaar geleden velde, benadrukt hij. Het was een onversneden depressie. En voor alle duidelijkheid: ze had niets met zijn werk – hij was toen kabinetschef van de Gentse burgemeester Frank Beke – te maken. De reden van zijn depressie was even banaal als menselijk, en begon bij een verhaal dat telkens weer een variatie op hetzelfde aloude thema is. Een verhaal dat steeds wisselende protagonisten kent.

Paranoia

‘Het boterde niet meer in mijn huwelijk. Ik had kunnen zeggen tegen mijn vrouw dat ik niet meer gelukkig was met haar, dat ik weg wilde. Maar dat deed ik niet. In de plaats daarvan begon ik een relatie met een andere vrouw, naast mijn huwelijk. Tegen mijn vrouw was ik oneerlijk, want ik bedroog haar. En tegen mijn vriendin was ik oneerlijk, want ik bleef haar keer op keer zeggen dat ik mijn vrouw zou verlaten om met haar een nieuw leven te beginnen. Beseffen dat ik de levens van twee goede mensen kapot aan het maken was, betekende het begin van mijn depressie.’

‘Ik was diep beschaamd, kon mezelf niet eens meer aankijken in de spiegel. Ik verloochende alles wat ik belangrijk vond: eerlijkheid, authenticiteit. Doordat ik me zo ellendig voelde, kreeg ik ook de indruk dat ik mijn werk slecht begon te doen. Gelukkig ben ik daar achteraf wel in gerustgesteld. Maar uiteindelijk ging het zo steil bergaf met mijn mentale toestand dat ik wel thuis moest blijven.’

‘Ik beleefde mijn hoogsteigen Chili-ervaring. Tenminste, zo ben ik het achteraf gaan noemen. Naar de folteringen waarbij men mensen hun slaap ontneemt. Ik folterde mezelf, sliep amper twee of drie uur per nacht. Na een paar weken ging ik onderuit, het was de totale uitputting. En toen kwam ik in een toestand terecht, die compleet nieuw voor me was, en die ik daarna ook nooit meer meegemaakt heb: het slaapgebrek maakte me paranoïde. Ik zat bijvoorbeeld bij vrienden thuis, en hun videorecorder schoot in gang. Ik was ervan overtuigd dat er opnames van mij gemaakt werden, dat iemand mij stiekem zat te bekijken. Toen ik slaapmedicatie kreeg, verdween gelukkig ook de paranoia. Al bij al heeft het maar anderhalve week geduurd, maar het was genoeg om een glimp van een bijzonder beangstigende wereld op te vangen. Gruwelijk moet dat zijn, voortdurend mensen te wantrouwen. Dat is precies het omgekeerde van hoe ik in de wereld sta: ik geef mensen juist graag mijn volle vertrouwen.’

‘In die acute fase heb ik meer dan eens aan zelfdoding gedacht. Ik wilde er gewoon niet meer zijn, niets meer voelen. Het was een gedachte die ik ook uitsprak tegen vrienden. Die hebben toen een soort waakdienst opgericht, zodat ik nooit alleen hoefde te zijn. Het waren nochtans allemaal mensen met een goedgevuld beroepsleven, maar ze losten elkaar af. Ze deden dat zolang het nodig was, tot ik een beetje uit het diepste zwart naar boven kroop. Ik ben die mensen daar ongelooflijk dankbaar voor. Eerlijk gezegd: ik denk niet dat de moed zou gehad hebben om écht uit het leven te stappen. Op lichamelijk vlak ben ik een grote lafaard.’

Doffe leegte

‘Na de paranoia kwam een dof gevoel van leegte. Ik ging ’s morgens in de zetel zitten, en ’s avonds zat ik er nog steeds, met geen enkel besef van wat er die dag gebeurd was. Onafgebroken piekerde ik over wat ik gedaan had, over het crapuul dat ik was. Ik vond mezelf niets meer waard. Hoezeer anderen me er ook van probeerden te overtuigen dat ik nog steeds dezelfde intelligente, creatieve man was, ik geloofde er geen woord van. Ik zag alleen de muren van de put waarin ik zat. Misschien kun je het nog het best vergelijken met een rouwproces: je moet er doorheen, en niemand kan je dat verdriet uit het hoofd praten.’

‘Ik zocht een psychiater op, maar dat was een regelrechte ramp. Uiteindelijk heb ik medicatie genomen. Ik lees daar nu over dat het nut daarvan beperkt is, dat het maar bij 20 procent van de mensen een beetje helpt. Ik had de indruk dat het mij een beetje hielp, al speelt hier misschien het placebo-effect. Ik werd in ieder geval iets rustiger en de onverklaarbare angst die ik voelde voor van alles en nog wat – ik durfde niet eens meer buiten te komen – verminderde. Ik denk dat de mensen die me in die periode thuis opzochten niet veel aan me merkten. Ik deed er alles aan om me goed te houden. Ik ben een praatvaar, en toen was ik dat ook, zolang er bezoek was. Maar meteen daarna zakte ik weer in een hoopje.’

‘Na een tijdje ging ik weer halftijds aan het werk. Veel te vroeg eigenlijk. In de uren die ik werkte, kon ik het doffe gevoel in mijn binnenste min of meer uitschakelen. Maar wanneer ik thuiskwam, viel ik plat neer. Ik ben toen weer hervallen. Ik kon niet genieten van muziek – en muziek is normaal gezien zo’n belangrijk deel van mijn leven, ik las een pagina in een boek en had achteraf geen flauw meer van wat ik gelezen had. Aan beweging beleefde ik niet het minste plezier.’

Sterk netwerk

‘Het is mede door het sterke netwerk van goede mensen om me heen – en Frank Beke was een van hen – dat ik er zo goed doorheen gekomen ben. De gesprekken met vrienden deden me deugd. Ik zag dat mensen me nog steeds apprecieerden en stilaan kreeg ik weer vertrouwen in mezelf. Een aantal mensen, van wie ik dacht dat ze vrienden waren, hebben zich in die tijd nooit laten zien. Achteraf vertelden ze me dat ze zich een beetje gegeneerd gevoeld hadden, dat ze er geen idee van hadden waarmee ze goed zouden doen. Ik begrijp hen. Ik ken dat ongemakkelijke gevoel, waarbij je vreest dat iemand zotte dingen zal zeggen of doen. Terwijl iemand met een depressie natuurlijk niet gek is. Je kijkt alleen maar op een gekleurde manier naar de wereld. Ik neem het hen in ieder geval niet kwalijk. Ik gedroeg me precies zo voor mijn depressie.’

‘Ik vrees dat er minder geduld is voor wie kampt met een fundamentele levensmoeheid, een neerslachtigheid die bijna genetisch is meegegeven. Mijn depressie was duidelijk. Nietzsche beweerde dat alles wat ons niet doodt ons sterker maakt. Ik twijfel daaraan. Het geldt niet voor iedereen. Ik ken mensen, die er jammer genoeg nooit helemaal doorheen zijn geraakt, die kwetsbaar gebleven zijn.’

Een nieuwe liefde

‘Geen van de twee relaties – met mijn vrouw en met mijn vriendin – heeft het overleefd.’

‘Toen de laatste naweeën van mijn depressie te voelen waren, zou ik met een paar vrienden, allemaal mannen, naar Peking reizen. Of er ook een vrouw meemocht, vroeg iemand. Een toffe vrouw, klonk het, gewoon one of the boys. En zo leerde ik Anne kennen. Het was geen liefde op het eerste gezicht, dacht ik. We konden het gewoon ontzettend goed met elkaar vinden. We hebben veel gepraat tijdens die reis, en de laatste stuiptrekkingen van mijn depressie trokken weg. Ik werd blij van haar. Achteraf denk ik: natuurlijk was ik verliefd, alleen wilde ik het nog niet benoemen.’

‘Anne is het beste wat me ooit overkomen is. Het tweede beste is het meisje van veertien dat ineens mijn leven binnenwandelde: Annes dochter, van wie ik veel gaan houden ben. Je moet weten, zelf heb ik nooit kinderen gehad. Ik heb me laten steriliseren op mijn 26ste. Omdat ik zoveel van kinderen houd, echt waar. En omdat ik me te lelijk vond.’ (lacht)

‘Dom dom, vind ik het nu. Maar we spreken over de vroege jaren 80, toen Ronald Reagan aan de macht was in de Verenigde Staten, en we voortdurend hoorden dat er misschien een kernoorlog zou uitbreken. Adoptie leek me een veel betere optie. Er waren toen wel meer jonge mannen die zich lieten steriliseren. Sommigen hebben de ingreep achteraf ongedaan laten maken.’

‘Ik sta er soms nog bij stil: hoe moeilijk de pijn van de geest te benoemen is. Als klein jongetje kon ik dat al erg vinden: dat je die geest niet even kon stilleggen. Want hoe gelukkig ik ook was, dat eeuwige malen in mijn hoofd vond ik hinderlijk. Ik had alles mee, en mijn ouders hebben nooit enige druk op mij gezet. Die waren allang blij als ik elk jaar slaagde op school. Maar ik wilde perfect zijn. De beste op school, de beste voetballer. Ik wilde alle boeken gelezen hebben en alles van muziek kennen. Ik was een gulzig kind, en ik ben nog steeds gulzig. Maar ik weet dat al die dingen me nooit zullen lukken. Ik doe nu wat ik kan, en daar ben ik blij mee.’

‘Ik slaag er zelfs in mijn geest stil te zetten. Geen meditatie, daar ben ik ronduit slecht in. Ik stap. Een viertal keer per week trek ik naar buiten en stap twee of drie uur stevig door. Dat brengt iets in mijn hersenen teweeg dat alle gepieker stillegt. Ook met muziek lukt het me tegenwoordig: zo intens naar iets luisteren dat ik in een soort flow terechtkom en geen besef meer heb van tijd of ruimte. En het derde dat me helpt, zul jij herkennen: schrijven. Als ik begin te schrijven, ben ik van de wereld weg. Ik vergeet zelfs te eten.’

Emotioneel dier

‘Ik heb veel geleerd uit die periode. Dat liegen verschrikkelijk is, bijvoorbeeld. Voor jezelf en voor je omgeving.’

‘Het is ook een slechte managementstijl. De vernieuwing binnen onze organisatie gaat op dat inzicht terug. Toen ik op zoek ging naar de juiste mensen, zei ik steevast: “Ik wil niet dat je liegt. Ik wil niet dat je andere verhalen naar buiten brengt dan de werkelijkheid. Je moet vertrouwen hebben in mensen en niet de perfectie verwachten.” Wie als baas jaagt op de perfectie, stuwt zijn mensen misschien wel onbedoeld in de richting van depressie. Ik vond vroeger dat ik perfect moest zijn. In alles. Op het werk, in mijn relatie. Maar een mens kan niet perfect zijn. Ja, iedereen weet dat wel, iedereen zegt het, maar we leven er doorgaans niet naar. En toch. Goed is soms goed genoeg.’

‘Over de meeste dingen in mijn leven heb ik totaal verkeerd gedacht. Ik was overtuigd van de totale maakbaarheid van mens en wereld. Dat is nu anders. Je moet je wel inzetten om bepaalde dingen te veranderen, maar af en toe moet je deemoedig zijn. Soms werkt het niet, soms weet je het gewoon niet. Je moet ruimte laten voor mislukking. Wie niet wil mislukken, zal zich nooit vernieuwen.’

‘Ik weet dat ik als baas niet altijd de slimste ben. De meeste bazen zijn niet de slimste van hun bedrijf. Daar dienen ze ook niet voor. Je hebt een baas nodig om een strategie te bepalen en mensen te vertellen hoe ze die strategie moeten toepassen. Ik heb veel minder talenten dan sommige van mijn vrienden, maar één talent heb ik wel: ik zie talent. Ik kan mensen samenbrengen, hen op één lijn zetten en ze krankzinnig enthousiast maken. Mijn ouders hadden dat trouwens ook, allebei.’

‘Ik weet inmiddels ook dat een doelstelling rationeel kan zijn, maar de weg ernaartoe is dat zelden. We maken soms vreemde sprongen, dat is eigen aan de mens. Een mens is geen rationeel wezen. De mens is een emotioneel dier, dat probeert rationeel te zijn. En dat mislukt keer op keer. Ik vind dat niet erg. Vaak zijn die vreemde sprongen nodig, en brengen ze je toch waar je moet zijn.’

Geschonden intimiteit

‘Ook in mijn relationele leven, heb ik de leugen volledig uitgebannen. Als ik nu zou voelen dat mijn relatie dood is, dan zou ik dat zeggen tegen Anne. Ik zou op een rustige manier de relatie beëindigen en pas daarna op zoek gaan naar een nieuwe relatie.’

‘In mijn generatie zie ik veel soixante-huitards of post-soixante-huitards met heimwee naar het vreemdgaan. Sommigen houden er heuse lofredes op. Het zijn doorgaans niet de gelukkigste mensen die ik ken.’

‘Niemand hoeft bij zijn partner te blijven als de relatie niet meer werkt. Je moet je partner niet folteren door bij haar of hem te blijven als de liefde dood is. Maar denken dat je de dingen bij het oude kunt houden en toch maar vreemdgaan, pakt verkeerd uit. Je schendt de intimiteit die zo langzaam opgebouwd is, en dat zorgt voor een verwijdering. Maar ik werp niemand een steen. Hoe zou ik? Ik heb het zelf gedaan.’

‘Het valt me op dat twintigers vaker op die manier in het leven staan dan mensen van mijn leeftijd. Trouw is weer belangrijk geworden.’

‘Sedert mijn depressie ben ik zeer alert geworden voor mogelijke signalen van anderen, ook op het werk. Ik zie het aan hun ogen, hoor het aan hun manier van praten, merk het aan hun verstilling. Ik maak er een opdracht van mensen daarover aan te spreken. Zeggen dat ze zich moeten laten verzorgen, hulp moeten zoeken misschien. Maar ik benadruk dat ze daardoor zeker mijn vertrouwen niet verliezen.’

‘Ik wil mensen gelukkig zien, dat is de essentie van mijn organisatie. Wie gelukkig is, werkt beter. En wanneer is een mens gelukkig? Als hij tijd heeft voor familie en vrienden. Dus geef ik mensen de kans om thuis te werken, weg van de lange reistijden en de files. De ervaring leert me dat ze dan iets minder uren werken, maar dat ze zich veel beter concentreren en uiteindelijk zelfs meer doen dan op kantoor. Ik betaal hen in tijd. Op die manier houden ze tijd over om aan dat zo belangrijke sociale netwerk te bouwen.’

Dit interview verscheen in De Standaard van 26 april 2014.

Generatie zus of zo

logo de standaardKathleen Vereecken is schrijfster en journaliste. Ze is gastcolumniste in de paasvakantie op maandag.

Onlangs was het weer zover: een jonge werkloze man schreeuwde zijn woede en frustratie over de babyboomers uit en kon rekenen op bijval op sociale netwerksites. Niet het potverteren was ditmaal de reden van de woede, wel de recente onderzoeken die ‘Generatie Y’ afschilderden als bang, braaf en lui. En, niet te vergeten, hun ouders die deze generatie hadden opgevoed met de illusie dat the sky the limit is.

Zo, dacht ik, terwijl ik geërgerd op mijn achterste poten ging staan. Ik dacht het voorzichtig, want dat van die sky heb ik ook altijd een leugen gevonden. Maar toch. Wij hebben onze kinderen in hun ongeluk gestort door hen te zeggen dat we in hen geloven? Rotzakken die we zijn!

De ergernis smolt even snel weg als ze gekomen was. Gedeeltelijk toch. Niet omdat ik vond dat onbezonnen kwaadheid eigenlijk wel bij de jeugd past. Dat doet denken aan de misplaatste mildheid waarmee men oude vrouwen hun stoute bek vergeeft. Je bent nu eenmaal oud en stout, jong en wild, maar ook wel aandoenlijk. Het is een mildheid die diskwalificeert. Ik zal dus niet mild zijn. Maar ik wil wel graag een oefening in empathie doen. Het mag paradoxaal klinken, maar een blik op mijn eigen geschiedenis helpt daarbij.

Ik studeerde af in 1983, het was crisis. Economen beweerden, net als vandaag, dat het ergste stilaan voorbij was. Alleen merkten we daar nog niet veel van.

Onze ouders hadden de oorlog meegemaakt, waren doordrongen van het belang van een vaste job. Daar hoorde bescheidenheid bij. Grote dromen werden met de glimlach aangehoord, om daarna opgesloten te worden in een ver luchtkasteel. Tijdens onze hogere studies zei een docent onomwonden: ‘Jullie weten toch waarvoor jullie studeren? Om straks in de rij te staan aan het stempellokaal.’

De cynicus had gelijk. Ik had al niet veel verwacht van het beroepsleven. De realiteit was nog minder. Werkloos zijn, eindeloos solliciteren, afwijzing na afwijzing incasseren. Het doet wat met het zelfbeeld van een mens. En dan die innerlijke tweestrijd. Zin hebben om het uit te schreeuwen: ‘Geef mij dan toch een kans! Zien jullie dan niet dat ik écht wel iets in mijn mars heb?’ Al doende je eigen woorden steeds minder geloven. Want wie werkloos is, wordt na verloop van tijd overvallen door een gevoel van totale overbodigheid. Het is een gevoel dat ik vandaag nog pijnlijk accuraat kan oproepen. Het veroorzaakte beurtelings wanhoop, gelatenheid en woede. Want als het dan toch één doffe ellende was op de arbeidsmarkt, waarom hadden we dan niet evengoed onze grote droom kunnen najagen en datgene studeren wat ons in vuur en vlam zette?

Ik vond werk in het bedrijfsleven. Maar ik was een middelmatige bediende, met evenveel krullen in mijn hoofd als erop. Na tien jaar goedbetaalde verveling waagde ik de sprong naar een onzeker, maar vervullend bestaan als schrijfster en freelance journalist. Een oude, grote droom. Vanuit een naïef vertrouwen dat het me wel zou lukken. De onzekere twintiger die ik ooit was, zou zich de ogen uitwrijven als ze me nu zag. Daar dacht ik aan toen ik mijn eigen kinderen opvoedde met de gedachte dat je soms moet durven te springen. Dat je hard kunt vallen. Maar als je de juiste wind weet te vangen, dan vlieg je. Ik besef nu hoe naïef dat klinkt in deze tijd. Hoe naïef het ook had geklonken in de jaren 80.

Het geloof dat ik alles kon worden wat ik maar wilde, had ik nooit. Ik weet niet of dat te verkiezen valt boven het andere. Ik weet wel dit: dat elke generatie opnieuw haar best doet om haar kinderen een mooie start te geven in het leven. Dat elke generatie met de beste bedoelingen inschattingsfouten maakt. En dat ook elke volgende generatie dat zal doen.

Verder heb ik het niet zo begrepen op dat generatiedenken. Wat zeg ik? Ik verfoei het. Mooi zo dat jongeren zich verzetten tegen onderzoeken die hen stigmatiseren en reduceren. Haal hen uit dat hok, en snel. Maar laat ze dan ook andere generaties niet in een hok duwen. Het is niet constructief. We hebben elkaar nodig. Het is tijd om te beseffen dat we misschien meer gemeen hebben dan polariserend onderzoek ons wil laten geloven.

(verschenen in De Standaard van 14 april 2014)