Denkoefeningen bij een nieuw boek (7)

Vlak voor hij zich voelde wegglijden, bedacht Ivo hoe bedrieglijk ze waren, alle verhalen die onder de voluit levenden de ronde deden. Verhalen over stervenden die ineens een betere versie van zichzelf werden. Wijzer, milder en alleen nog maar in staat tot verzoening.

Romantische onzin, die de mensheid collectief in stand leek te houden omdat er toch iets goeds moest zijn aan de dood. Alsof sterven op die manier nog een beetje zin zou krijgen.

Enfin, ze zouden het zelf wel ondervinden, ooit.

Hij gleed zacht, alsof de krachten van de kosmos zich bundelden om hem te behoeden voor pijn.

Alles was chaos.

IJs smolt tot water.

Rook werd steeds diffuser naarmate hij de hoogte in wolkte.

Fruit verschrompelde, stenen brokkelden af.

Een gebroken ei zou nooit meer heel worden.

Alles wat was, surfte op de golven van een steeds groter wordende chaos.

Waarom zou hij daaraan bijdragen, waarom zou hij daar meer aan bijdragen dan hij al had gedaan? Hij zou zwijgen, want alleen zwijgen kon de chaos bezweren. En als dat al niet lukte, dan zou het hem op zijn minst heel even afremmen.

Dat was een goede gedachte. De enige.

smeltend ijs

(fragment uit ‘Haar’, verschijnt eind februari 2016)

Denkoefeningen bij een nieuw boek (6)

oude man met baardWreedheid en mededogen droegen hetzelfde witte pak in Home Avondrood. Er was de kleine Koreaanse verzorgster, die altijd zacht, zorgzaam en geduldig met hem omging. Die nooit zijn broek naar beneden trok zonder te vragen of hij dat wel wilde. Die hem alleen maar naar de wc liet gaan, als hij daar behoefte aan had. Die hem met de glimlach overeind en weer terug in bed hielp wanneer hij slecht te been was, en dat gebeurde steeds vaker.
Er was ook de kordate bebrilde verzorgster waar hij al meteen een slechte start mee gemaakt had. Zij wipte hem min of meer uit zijn bed op moeilijke dagen en plantte hem neer op de pot, als een peuter op zindelijkheidstraining. En ze bleef. Met gekruiste armen en de voeten iets uiteen, terwijl ze samen met hem ook haar horloge in het oog hield. Hij had alle krediet bij haar verspeeld, daar liet ze geen twijfel over bestaan. Maar erger dan dat was het sadisme dat ze aan de dag legde in de omgang met Lily. Telkens wanneer die zich hardop afvroeg of haar moeder nog eens op bezoek zou komen, want ze miste haar moeder soms zo hard, grijnsde de heks in het witte pak: ‘Maar Lily, je moeder is allang dood.’
Het was keer op keer een klap, instant rouw. Lily’s grote ogen vol ongeloof, haar ‘nee toch?’, haar kinderlijke tranen en de smekende blik waarmee ze vruchteloos naar geruststelling of troost hengelde. Haar gebogen schouders, de gebroken houding waardoor ze er een tijdlang de oude vrouw uitzag die ze in werkelijkheid was. Tot er weer een uur of wat overheen gegaan was en de woorden van de heks wegglipten door de mazen van Lily’s krimpende brein, tot ze niets meer waren dan betekenisloze klanken, tot ze niets meer waren en de onschuld in haar gelaat terugkeerde en ze simpelweg blij was met hem in haar leven. Haar mooie jongen, die nu op de pot zat in het bijzijn van de heks.
Alle lichaamsopeningen sloten zich koppig in haar aanwezigheid, de sappen droogden op, de spieren verkrampten.
‘Ik heb niet de hele dag, hoor,’ zei ze.
‘Het lukt niet.’
‘Probeer dan wat harder.’
Ivo schudde het hoofd, alles zat muurvast.
‘Ja, dan zit er niets anders op dan je een luier om te doen, en daar doe je het maar mee tot vanavond. Ik kan niet blijven heen en weer rennen omdat jij tegenwerkt.’
De luier ging om en Ivo gaf geen krimp. Hij had het vernederend kunnen vinden, maar hij besloot zijn gedachten niet te vergiftigen met emoties die geen kant uitkonden. Hij zou geen protest aantekenen bij de directie, zijn dochters niet lastigvallen. Straks kwam Lily langs. Zij zou hem helpen, hem verlossen van die luier en zoveel meer dan dat.
Maar Lily kwam die dag niet. En toen hij ’s avonds de gang inrolde om een kijkje te nemen in haar kamer, was die leeg.

(Uit ‘Haar’, een roman in wording)

Denkoefeningen bij een nieuw boek (5)

Een keer zei ze hem hoe fantastisch ze hem vond. De beste vriend die ze zich kon wensen. Zo anders dan alle andere jongens. Daar waar die haar verontrustten, was hij veilig en betrouwbaar, geruststellend als haar eigen vader of als de broer die ze niet had. Het was stil geworden, daar in het aardedonker op de luchtmatras, en omdat het al ver na middernacht was ging Suzanne ervan uit dat Stefan in slaap gevallen was. Niet lang daarna sliep ze zelf. Pas jaren later zou ze beseffen hoe bijzonder het was om in alle veiligheid naast iemand te durven inslapen. Hoeveel vertrouwen het veronderstelde. Hoe intiem slapen was. Misschien wel intiemer dan de daad. Want die kon net zo goed bestaan uit twee minuten zweterig heen en weer schuren over de zanderige betonnen vloer van een garage bij het strand.
Je hoefde er elkaar niet eens voor in de ogen te kijken.

7add91edee8f2d91fa35764cde5c9d72.1000x558x1

(Uit ‘Haar’, een roman in wording)

Denkoefeningen bij een nieuw boek (4)

Een buitenstaander zou hen wellicht een halfjaar gegeven hebben, hooguit. Maar die zag niet hoe warm en vanzelfsprekend hun lichamen zich konden verstrengelen, heerlijke verboden lust, en hoe hard ze
samen konden lachen om niets.
Seks en humor zouden tot het einde toe het cement van hun relatie zijn.

Kurt Van Wagner
Kurt Van Wagner

Denkoefeningen bij een nieuw boek (3)

Het werd oudejaarsavond en de verbale slagen joegen haar samen met de schaamte – de buren! – meer dan ooit op de vlucht. De kwarteleitjes en de toastjes met zalmtartaar zouden onaangeroerd blijven, de champagneglazen waren toch al gesneuveld.
De supermarktparking was leeg, op een merkloze bestelwagen na. De koude was bijtender dan een dreigend ecologisch schuldgevoel, dus liet ze de motor een uur lang draaien. De radio hield haar gezelschap. Toen het aftellen naar het nieuwe jaar begon en de eerste vuurpijlen het zwart van de hemel openbraken, keek ze niet weg en bedacht ze dat ze nooit eenzamer dan dit zou worden.
Het was een hoopvolle gedachte.

eenzame_auto

Mijn vijf tips om writer’s block te overwinnen

rodin writer's blockOf misschien moet ik preciezer zijn: dit zijn vijf gedachten die mij ooit geholpen hebben toen ik vast kwam te zitten tijdens het schrijven. Ik verkondig geen absolute waarheden, ben de grootst mogelijke voorstander van schrijfvrijheid en besef goed dat eigenzinnigheid even hard aan schrijvers kleeft als creativiteit. Dus, fijn als u er iets aan hebt. En mocht dat niet zo zijn, weg ermee.
Maar vooral: voel u vrij om dit verhaal aan te vullen!

Originaliteit is niet het hoogste goed.

Over een onderwerp schrijven waarover nooit eerder geschreven werd: als het zich vanzelf aandient, kan het geweldig goed uitpakken. Maar als het een doel op zich wordt, is het resultaat meestal teleurstellend en geforceerd. Er is vast nog nooit iets geschreven over een promiscue cavia met schaamluis, die een trip naar de maan plant, maar de vraag is of dat ook een interessant boek oplevert.
Ik weet intussen dat ik moet luisteren naar – ik weet het, het klinkt een beetje hoogdravend – het heilige vuur. De gedachte die erin slaagt dat aan te steken, is de gedachte die misschien wel in een boek uitmondt. Ook al is het thema al eerder behandeld. Stel je voor dat we nooit meer over oorlog of de liefde mochten schrijven.

Elke reisdag invullen hoeft niet, maar de eindbestemming kennen helpt.

Ooit ging mijn enthousiasme met mij op de loop, bij het begin van elk boek. Ik had het al in mijn kindertijd. Als kind schreef ik voortdurend boeken, maar raakte nooit verder dan de eerste twee hoofdstukken. Ik schoot met een rotvaart uit de startblokken, om al snel weer stil te vallen. Want hoe zou mijn verhaal nu verder moeten? Daar lag trouwens alweer een nieuw idee glanzend te lonken. En nieuw is altijd leuker.
De eerste keer dat het stilvallen me overkwam in mijn ‘echte’ schrijversbestaan, raakte ik in paniek. Ik kreeg maandenlang geen letter meer op papier. Dus, geheel tegen mijn natuur in, besloot ik vanaf dan de dingen planmatig aan te pakken. Ik maakte een ruwe schets van mijn boek. Ik kende het begin en ik wist hoe het einde eruit zou zien. Er waren ook een paar interessante haltes onderweg, die ik niet wilde missen. Het schrijven werd meteen een stuk veiliger en rustiger.
Een ruwe schets biedt houvast, maar ik weet dat ik onderweg kan meanderen, onverwachte zijpaden mag inslaan, naar hartenlust personages en scènes toevoegen of schrappen. Zolang ik mijn eindbestemming maar bereik.

Verandering van omgeving doet schrijven.

Soms werkt het bureau een tijdlang goed, soms de tafel in de woonkamer of keuken, soms de zetel, soms de tuin. Soms is de laptop een goede vriend, maar soms is hij ook een stoorzender en bieden pen en papier meer ruimte en rust om ideeën op te schrijven.
Ik ben een ontrouwe schrijver, wat schrijfplekken betreft. ‘Lara en Rebecca’ schreef ik aan de keukentafel, ‘Ik denk dat het liefde was’ aan de tafel in de woonkamer, ‘Kunnen heksen heksen’ tijdens een warme zomer in de tuin. En ‘Zijdeman’ schreef ik grotendeels in een koffiehuis, met een behaaglijke muur van beweging en geroezemoes om me heen.

Het internet is een genadeloze tijdvreter.

Even kijken naar de mail, naar Facebook, naar Twitter. Even chatten. Even een spelletje spelen. En zou er intussen geen mail binnengekomen zijn? En – hola – er hebben mensen gereageerd op mijn statusupdate. Wacht, eerst antwoorden. Heel even maar. Tot het ineens twee uur later blijkt te zijn, en er intussen niets constructiefs gebeurd is.
Wip het internet af en toe buiten. Installeer desnoods Freedom en – note to self – vraag vooral niet naar het Wifi-wachtwoord in cafés.

Schrijven om recensenten en jury’s te behagen, leidt tot frustratie.

Vooral omdat die het niet altijd onderling eens zijn. Voor de een had het iets meer mogen zijn. Voor de ander iets minder. Waar de een laaiend enthousiast over is, daar haalt een ander de schouders bij op. Ik ben er ooit heel ongelukkig over geworden, en de faalangst heeft me een tijdlang schrijflam gemaakt. Ik durfde niet meer voluit te schrijven wat ik zo graag wilde schrijven en hoe ik het wilde schrijven, dus leverde ik een boek af dat volgens mijn toenmalige uitgever helemaal goed zat. Maar wat ze gehoopt hadden (lof! prijzen! verkoop!), kwam er niet. Dus zat ik met een dubbele kater: ik was mijn eigen stem en stijl niet trouw gebleven, en het was nergens goed voor gebleken. Het besluit om vanaf dat moment de boeken te schrijven die ik wilde schrijven, zelf te kiezen welke stijl en stem me daarbij het beste zouden dienen – en dat uiteraard zo goed mogelijk te doen, voelde als een bevrijding. Laat behagen dus geen doel zijn, maar een eventueel nevenverschijnsel. Een aangenaam nevenverschijnsel.

Dat alles goed komt. Altijd.

(fragment uit ‘Het verhaal van Jeanne’, een boek in wording)

Het was kermis.
De appelbollen waren even zoet als andere jaren, het draaiorgel van de carrousel klonk even luid en vals. Ik haakte mijn arm zoals altijd in die van Johanna, mijn beste vriendin. Samen huppelden we zingend en lachend tussen de draaimolens en kraampjes door. We gingen op de zwiermolen tot we duizelig waren, we snoepten tot we buikpijn hadden. En we wisten dat het onze eigen dikke schuld was, en dat vonden we helemaal niet erg. We liepen samen naar het veld met het kapelletje, plukten bloemen en lieten ze slap worden in onze zweterige handen. Toen ook Yvonne, Jules en Clara erbij kwamen, renden we gillend en giechelend achter elkaar aan. Ik draafde weg van de anderen, zo ver ik kon. En dat was ver, want het veld was groot en groen en eindeloos. Maar Johanna kwam me achterna en struikelde. In haar val greep ze zich vast aan mijn benen. Ik viel op mijn buik in het gras en het deed best wel even pijn, maar ik kon alleen maar lachen. Ik lachte tot ik ook daar weer buikpijn van kreeg.
We bleven hijgend naast elkaar liggen in het gras, en keken hoe het blauw in de lucht stilaan oranje kleurde. De wolken waren doorzichtig en fijn, als engelenhaar.

‘Hoe kan dat nu?’ vroeg ik me hardop af.
‘Wat dan?’
‘Hoe kan het toch dat we niet meer dan een geel stipje op de wereld zijn? Alles is zo groot.’
Johanna antwoordde niet. Ik sloot mijn ogen en hoorde het gedreun van de kermis in de verte.
‘Ben jij niet bang?’ vroeg Johanna toen. ‘Voor de oorlog?’
En op mijn beurt antwoordde ik niet. Het oranje ging over in roze.
Toen het in de verte eindelijk stiller werd, hoorde ik in mijn hoofd alleen maar mijn moeder die zei dat alles goed komt. Altijd.

avondlucht

Over Jan, Eva en Kathleen – deel 1

Met Eva Mouton aan een boek werken, dat knettert en bruist danig.
We drinken samen thee en eten havermoutkoekjes.
We overlopen het manuscript, zij spuit ideeën voor tekeningen, ik vul aan, en we gieren het af en toe uit.
O ja, en dan dit, en dat, en daar ook wat!
We kneden de tekst, gooien er stukken uit, daar waar de tekeningen het verhaal mogen
overnemen.

IMG_0829

We gloeien en het boek groeit.

De thee mag aan de kant, we schakelen over op wijn (dat mag, de zon hangt al laag).
De kat krabt als vanouds mijn raamkozijn verder kapot. Ik laat haar snel binnen.
Die kat heeft jou afgericht, zegt Eva.
Dat is waar, zeg ik. Honden hebben een baas, katten hebben personeel.
Eva probeert mij op haar beurt af te richten. Bij de volgende krabbeurt bezweert ze mij om de kat te negeren.
Het helpt een heel klein beetje, maar niet genoeg. Wel genoeg om weer in de lach te schieten.
Dan werken we verder.
Tussendoor roddelen we, doen we confidenties over leven en liefde.
Maar het is vooral werken dat we doen, echt.
Het boek groeit en wij gloeien.

IMG_0835

Een jeugdauteur die het goed bedoelde

Stel je voor.

Stel je voor dat je een boek schrijft. Een jeugdboek, waarin je bepaalde sociale en morele codes op de helling zet. Niet omdat je daar zelf achter staat, maar om zoveel andere redenen.

Omdat het helemaal klopt in de context van het verhaal.

Omdat het echte leven gelardeerd is met dit soort situaties.

Omdat een verregaande vorm van empathie een absolute noodzaak is voor een schrijver die waarachtig wil schrijven.

Omdat het je personages doet nadenken, reflecteren, twijfelen. En omdat een mens die twijfelt meestal interessanter is dan hij die de zekerheden aan elkaar rijgt. Bewaar mij voor zij die alles menen te weten.

Zo’n boek groeit nu in mijn hoofd.

Wim DaemsEn toen dacht ik ineens aan Wim Daems, een jeugdauteur en wetenschapsjournalist die  in 1994 ‘Beeld van een meisje’ schreef. Het was zijn zevende boek, en meteen ook zijn laatste.
Ik moet bekennen dat ik niet vertrouwd was met zijn werk. Maar ik herinner me het nieuwsbericht en de hele heisa,, laat ik het maar onomwonden een heksenjacht noemen, die volgde op de publicatie van dat boek. Daarin figureerde namelijk een vrachtwagenchauffeur, die het bestaan van de gaskamers ontkende. Zijn betoog bracht het hoofdpersonage, een tienermeisje, aan het twijfelen. Dat het een kwalijk boek was, klonk het, want er werd geen weerwerk geboden voor zijn argumenten. Uitgeverij Davidsfonds besloot het boek meteen uit de rekken te halen.

Ik kromp een beetje ineen bij dat verhaal. Voor de haastige luisteraar zou Wim Daems de geschiedenis ingaan als die aangebrande jeugdauteur, die de zuivere tienerziel besmette met negationisme.

In 1996 kwam er nog een staartje aan het verhaal. SKEPP besloot namelijk de allereerste ‘Skeptische Put’ (een prijs voor ‘diegene die zich uitzonderlijk onkritisch heeft opgesteld en de popularisering van kennis en wetenschap totaal verkeerd heeft begrepen’) aan Daems uit te reiken. Op de website van Skepp staat hierover onder andere dit te lezen:

Wim Daems, aanwezig wat door alle aanwezigen zeer gewaardeerd werd, opende dapper het gesprek met toe te geven dat hij zich vergist had. Hij schreef het boek omdat hij in de jaren ’80 aan de lijve ondervond hoe jongeren door negationistische propaganda werden beïnvloed en geen ondersteuning vonden. “Ik wilde het failliet van de historici aangeven. Ik wist dat ik een risico liep, maar hoopte zo de discussie op gang te trekken. Maar daarin ben ik misbruikt geworden.” De gevolgen waren ingrijpend. Daems leed heel wat schade, het boek werd afgevoerd en hij werd persoonlijk geterroriseerd.

De tragiek zit hem in de overduidelijke goede bedoelingen van Daems.
In 1988 had hij de Prijs Beste Jeugdboek Knokke-Heist (tegenwoordig ‘De zoute zoen’) gewonnen met ‘Het koopkind’. Wikipedia leert ons dat de jury zijn werk eensgezind prees, onder meer omwille van ‘de originele benadering van een hedendaagse thematiek, de boeiende en aangrijpende plot, de prachtige beschrijving van de Afrikaanse leefgewoonten, de treffende typering van de personages en de genuanceerde visie op het conflict tussen regering en guerrilla’.
In 1999 won hij ironisch genoeg ‘De zesde vijs’ van SKEPP, ditmaal voor zijn kritisch-wetenschappelijke artikels.

Ineens kreeg ik zin om de man aan te schrijven. Om hem een veel te laat hart onder de riem te steken. Niet dat hij daar een boodschap zou aan gehad hebben. Vijgen na Pasen en zo van die dingen. Maar toen vernam ik dat hij vier jaar geleden overleden is.
Het doet raar om een steek van spijt en verdriet te voelen over iemand die je nooit ontmoet hebt.

We horen voortdurend dat wat we schrijven niet te expliciet mag zijn. Niet te uitleggerig, niet blabla.
Maar blijkbaar is dat niet altijd even evident. Wim Daems is op de vingers getikt, gekraakt zelfs, omdat hij niet expliciet zei: ‘Deze meneer is fout. Fout en stout.’
Ik weet het wel, ik maak er een karikatuur van.
Maar evengoed, het maakt de schrijver in mij onzeker.
Ik begin alvast te oefenen.
Want op eieren lopen is een kunst.

Hier zal ik wonen. U mag me twee minuten uitlachen.

Drie dagen en nachten lang. Dobberend op de Leie in een authentieke Bengaalse sloep, hartje Gent. Er is geen verwarming, elektriciteit of sanitair. Mijn computer, gsm en boeken (ja, zélfs boeken) laat ik thuis. Alleen mijn schriftjes en pen gaan mee.
De boot is afgedekt, gelukkig maar. Daar hebben eerstejaarsstudenten architectuur in 2009 – toen liep de eerste editie van dit Belmundo-festival – voor gezorgd.

Oké, u mag me twee minuten uitlachen. Ik weet het: ik ren gejurkt en hooggehakt door het leven. Ben verzot op dampende baden met aromatische oliën, potjes en flesjes met geurige smeersels. Op praten, lachen, eten, drinken. Op lezen en bewegen. Op warmte. O ja, warmte!
Het zal me leren, verwend nest.
Net als vijf andere schrijvers na mij, zal ik aan den lijve moeten ondervinden hoe sober en armoedig veel mensen in Bangladesh leven. En precies de soberheid zou me moeten inspireren om te creëren.

Ach, laten we maar eerlijk zijn: dit is een luxe-afzondering. Ik zal sober eten, maar ik weet zeker dat er eten zal zijn. Ik zal alleen zijn, maar ik weet zeker dat ik terugkeer naar de bewoonde wereld. Ik hoef, in tegenstelling tot de Bengalen, geen dagelijks gevecht te voeren om te overleven. Ik hoef niet bang te zijn dat mijn kinderen van honger zullen sterven, dat elke tegenslag meteen het einde kan betekenen, van alles. Mijn grootste zorgen zullen banaal zijn. Zal ik geen last hebben van het gebrek aan beweging? Zal ik me vervelen? Zal ik het warm genoeg hebben? En hoe zit het met het lawaai van de werken aan de Grasbrug? Toch maar oordopjes meenemen, misschien?
Verder hoef ik alleen maar na te denken en te schrijven.
Ik zei het al: ik ben een verwend nest.