Kies voor wat je in vuur en vlam zet

Telkens wanneer de zomervakantie goed en wel van start is gegaan, kan ik het gevoel van toen weer feilloos oproepen: dat ik zeventien ben, een grote kaap genomen heb – de middelbare school is gedaan, snif en hoera – en dat de hele wereld voor me openligt. Ik ben nog nergens ingeschreven, heb nog geen enkele knoop doorgehakt, het is zomer en drie maanden vakantie – de eerste en de enige superlange vakantie – strekken zich beloftevol voor me uit.

Mijn zomer had ook een soundtrack: het album met de Greatest hits van Simon & Garfunkel, met ‘America’ als symbool voor al mijn onvervulde dromen over rondtrekken en samen met mijn, toen nog imaginaire, lief de wereld ontdekken. De Duitsers hebben voor mijn gevoel van toen het mooie woord Fernweh uitgevonden: een verlangen naar al wat nieuw en onbekend is, zozeer dat het een beetje pijn doet.

Na het ontdekken zou ik studeren, wat in wezen ook weer een ontdekkingsreis zou zijn. The sky is the limit, en nog een paar leugenachtige, maar zoete clichés spookten door mijn hoofd. Want natuurlijk zijn we allemaal beperkt. Door onze hersenen, onze talenten, onze geografische situatie, het gezin waar onze wieg stond. En met elke beslissing die je neemt, duw je de deur naar ander moois een beetje verder dicht.

Maar dat studeren dus. Kiezen lijkt soms een gevecht tussen ratio en emotie. Want luister je naar economen en arbeidsdeskundigen die met een ernstrimpel in het voorhoofd de weg wijzen naar opleidingen die het meest kans op een job bieden? Iedereen wil toch werkzekerheid? Iedereen wil toch voldoende verdienen om te kunnen leven, niet zomaar overleven? Of wordt het een keuze uit liefde? Niet de liefde in de zin van ‘wat gaat mijn ex-lief studeren, misschien kan ik dat ook doen, want ik voel eigenlijk nog wel iets voor hem’ (zo dom was ik, ja), maar de liefde voor de pure inhoud. Ik opteer zonder enige twijfel voor het tweede. Want er is weinig dat een mens zo ongelukkig kan maken als werk tegen je zin doen, levenslang.

Ik hoor de tegenwind: dat de kans dat die droomstudie je ook de droomjob oplevert niet heel groot is. Dat de studie die je het liefst wilt doen je geen enkele garantie op geluk biedt in het latere beroepsleven. Allemaal waar. Maar het tegenovergestelde biedt wel de garantie op ongeluk. Of op een goedbetaald mat en matig leven, zonder hoogtepunten. Voor sommigen volstaat dat wellicht.

Stuur uw kinderen niet voor advies naar mij als u veiligheid en zekerheid boven persoonlijke ontwikkeling en arbeidsvreugde stelt. Ik zal u teleurstellen. Want van mij zullen ze alleen maar horen dat ze moeten kiezen voor datgene wat hen in vuur en vlam zet. Risico op vallen zit erin, maar misschien wordt het wel een hoge vlucht.

Als helpen crimineel wordt

Dat Nederland even overwoog om het redden van migranten op zee strafbaar te maken, doet – zacht uitgedrukt – de wenkbrauwen fronsen. Amper een week geleden ging de foto van een verdronken man en zijn dochtertje – nog maar een peuter – bij de Mexicaanse grens de wereld rond (DS 27 juni). Dat het een bijzonder aangrijpende en schokkende foto is, hoeft geen verder betoog. Dat ze in een rivier verdronken en niet in zee, is in dit verhaal niet relevant. Het gaat hierom: mensen in nood, waar dan ook, hoe dan ook, laat je niet aan hun lot over.

‘En Nederland, het gidst opnieuw’ blokletterde deze krant gisteren nog maar (DS 3 juli). De progressieve modelleerling van weleer, die zijn voortrekkersrol een beetje was kwijtgespeeld, maakte weer indruk dankzij straffe akkoorden over pensioenen en klimaat. Maar toen was er de Sea Watch 3, het reddingsschip dat onder Nederlandse vlag vaart. De Duitse kapitein Carola Rackete werd gevangengenomen – en inmiddels weer vrijgelaten – omdat ze zonder toestemming de haven van Lampedusa was binnengevaren. De geredde migranten aan boord hadden dringend nood aan medische hulp.

De discussie die in Nederland woedt, gaat over de dunne lijn tussen hulp aan mensen in acute nood en de organisatie van een onofficiële veerdienst voor migranten, waardoor de mensenstroom alleen nog maar aan zou zwellen. Dan maar iedereen die drenkelingen redt op zee criminaliseren is – excuus voor het ietwat smakeloze gezegde in deze context – het kind met het badwater weggooien. Sterker, het is onmenselijk en immoreel. Maar regeringspartij VVD – de conservatief-liberale partij, waartoe minister-president Mark Rutte behoort – had het hoofdzakelijk over ‘een lastig juridisch vraagstuk’. Vandaag bond de partij alweer in.

Het doet me terugdenken aan het verhaal van Lisbeth Zornig Andersen, een Deense econome en activiste, die in 2016 veroordeeld werd voor mensensmokkel. Haar misdaad? Ze had samen met haar man een lift gegeven aan een Syrisch gezin met kleine kinderen, dat langs de snelweg liep. Erger, ze hadden het gezin bij hen thuis ontvangen en te eten gegeven.

Dat sommige landen kreunen onder de toestroom aan migranten en niet goed meer zien op welke manier ze iedereen kunnen opvangen, is een feit. Het is een complex probleem, het vraagt om doorgedreven internationale samenwerking, om goede afspraken. Maar welmenende burgers criminaliseren omdat ze hulp bieden aan wie hulp nodig heeft, omdat ze in wezen niet meer doen dan hun geweten volgen, dat is pas crimineel.

Verder zoeken of loslaten?

Na ruim een maand wordt niet langer gezocht naar Théo Hayez, de achttienjarige Belg die verdween na een avondje stappen in het Australische Byron Bay. Een solidaire mensenmassa was in beweging gekomen. Politie en vrijwilligers sloten de rangen, omringden de ouders die kwamen overvliegen om hun zoon te zoeken met alle steun. Ook een team van de Cel Vermiste Personen reisde naar Australië om mee te werken én om er zich van te vergewissen dat de Australische politie wel degelijk elke steen omgedraaid had. Dat bleek het geval.

Was Théo teruggevonden, levend of dood, dan brak voor zijn familie een periode van herstel of van rouw aan. Ik hou er niet van verdriet op de weegschaal te leggen, maar ik kan me voorstellen dat wat deze mensen meemaken, erger is dan rouw. Het is angst, onzekerheid, verdriet, sprankels hoop die telkens weer bruusk gedoofd worden, waarna de put weer dieper en donkerder wordt.

Ik denk aan een verhaal uit mijn familie dat als kind al een diepe indruk op me maakte. Over mijn 19de-eeuwse voorvader, een Parijse zijdefabrikant, die spoorloos verdween ergens op de Zijderoute. De gedachte dat zijn vrouw en kinderen nooit geweten hebben wat er met hem gebeurd is – van honger of dorst omgekomen, vermoord, een nieuw leven begonnen? – liet me maar niet los.

Jaren later, in mijn journalistenleven, sprak ik met nabestaanden van vermiste mensen. De moeder van de Gentse Vincent Lamouris, eveneens achttien toen hij verdween, zei me dat we beter een zwarte bladzijde konden afdrukken in de krant dan haar woorden. Zwart was hoe ze zich voelde vanbinnen. Omdat er na acht jaar nog altijd geen lichaam gevonden was, omdat ze geen afscheid kon nemen van haar kind. Ook speurder Alain Remue sprak over iets wat erger is dan de dood. En hoe vaak hij ouders al niet had horen zeggen dat ze verlangden naar de dag waarop ze hun kind zouden kunnen begraven. Alles liever dan die genadeloze onzekerheid.

Ik weet niet waarvoor ik moet pleiten. Voor verbeten verder zoeken, misschien tegen beter weten in, of voor loslaten en proberen verder te leven met wat misschien onleefbaar is? Ik wens de ouders van Theo heel hard een antwoord toe, wat dat ook moge zijn. En ik hoop vooral dat ze goed en warm omringd zijn door mensen die hen steunen. Niet alleen vandaag of volgende maand, maar ook over tien jaar, mocht het nodig zijn. Steun en begrip zonder houdbaarheidsdatum.

Het fluisterbestaan aan de zijde van mijnheer pastoor

 

Priester Pieter, de Mol van vorig jaar, gooit zijn kap over de haag. Hij gaf eerder al te kennen moeite te hebben met ‘de begrenzende regels van de kerk’, maar nu zet hij de stap zelf. En daar is al even een concrete reden voor: hij is verliefd. Dat celibaat is niet van deze eeuw, vindt Pieter. Maar is het dan ooit wel van een eeuw geweest? Is het niet eigen aan de mens zich te willen verbinden met een ander, emotioneel en lichamelijk?

Over het waarom van dat gedwongen celibaat doen nogal wat hypotheses de ronde. Feit is dat paus Gregorius VII in 1075 het celibaat oplegde aan priesters en diakens. Pas in de zestiende eeuw zou het als wet ingevoerd zijn, volgens sommigen omdat het seksuele gedrag van geestelijken de spuigaten uitliep en omdat de clerus maar al te graag de erfgelden van ongehuwde priesters wilde innen. De officiële reden was dat een gezinsleven priesters zou afleiden van hun kerntaak.

Er is de theorie. En er is de praktijk. Enkele jaren geleden interviewde ik drie partners van priesters onder de strikte voorwaarde dat ik hun echte identiteit nooit zou verklappen. Het zijn gesprekken waaruit ik veel geleerd heb. Dat het diepe wonden slaat in de levens van de liefdespartners en in die van hun kinderen – ja, ook die zijn er soms. Dat de hele dag door mensen helpen en ’s avonds alleen maar een schemerlamp als gezelschap hebben, onhoudbaar eenzaam is. Dat er wellicht meer priesters mét dan zonder relatie rondlopen.

Misschien wil ik, meer nog dan voor de priesters zelf, een lans breken voor hun vrouwen en mannen. De vrouwen, de ‘pastoorsmeiden’ over wie de volksmond zo graag lacherig besmuikt spreekt. Een benaming die hen onrecht doet, want reduceert tot een instrument in functie van de ander. Zij die een fluisterbestaan leiden als echt of publiek geheim, in het beste geval gedoogd door de gemeenschap. En dan de mannen, die nog onzichtbaarder moeten blijven, vanwege de onverzoenlijkheid in hun bestaan: homoseksualiteit blijft onaanvaardbaar voor Rome. Als we de Franse socioloog Frédéric Martel mogen geloven, zou een ruime meerderheid van de priesters homoseksueel zijn. Geen loze bewering, want Martel baseert zich op een vier jaar durend onderzoek en gesprekken met 1.500 mensen uit alle geledingen van de katholieke kerk. Veel geworstel, veel geheimdoenerij, veel angst en schuldgevoel komt daarbij kijken.

Terwijl de kerk zich zorgen maakt over de drastische afname van het aantal roepingen, is het wachten op de eerste paus die de moed en de nodige realiteitszin heeft om het celibaat in vraag te stellen. Maar dat is, zei een priestersvrouw me, wachten op Godot.

Voor de mens die ze waren en nog altijd zijn

Mijn vader is definitief verdwaald in zijn eigen hoofd. Ik zie het in zijn ogen, die van glas lijken. In de manier waarop hij zijn hoofd draait naar wie het woord voert, en niet begrijpt. In het hoofdschudden en de wanhoop, wanneer hij na lang zoeken naar zijn woorden zegt: ‘Hoe is dit toch kunnen gebeuren?’ Mijn sterke, intelligente vader, rots in de branding voor zijn vrouw en vier dochters, is een schaduw van zichzelf geworden.

Dit is de pijnlijkste fase van het dementeren: bijna niets meer kunnen, bijna niets meer weten, de geest die verder krimpt, maar de mens die het nog steeds beseft. Die ook beseft hoe hij steeds vaker over het hoofd gezien wordt door anderen. En helemaal anders toegesproken wordt dan vroeger. Zoals die keer toen een jonge stagiair hem goedbedoeld ‘Hé, ’t ès woar hé, vent?’ toeriep. ‘Mijnheer Vereecken voor u’, dacht ik. Maar ik zweeg.

Mijn vader woont nu in een woonzorgcentrum, een van de betere. De gangen en kamers ogen fris en er is een binnentuin met bakken waarin kruiden en groenten geteeld worden. Het personeel – in alle tinten huidskleur – is doorgaans zorgzaam en vriendelijk, en ze zijn met genoeg. Wat een luxe.

En toch. Bij het betreden van de ruimte met mensen van wie velen in een stadium van dementie zitten, moet ik altijd iets wegslikken. Niemand praat. Ook bezoekers zitten vaak te zwijgen. Het is natuurlijk vermoeiend om tien keer te moeten uitleggen dat dit geen gevangenis is. Waarom mama niet meer op hetzelfde adres woont. Dat ze wel degelijk nog getrouwd zijn. En toch blijven we het doen. Ik geloof dat het moet. Ik merk het ook aan de andere bewoners. Niet bij hen die al heel ver weggezakt zijn, maar bij wie nog steeds onderweg is. Hoe met respect en aandacht aangesproken worden iets laat oplichten in hun ogen. Hoe ze weer even tot leven lijken te komen.

Af en toe lees ik voor aan mijn vader. Eenvoudige verhalen met humor, die hij even snel weer vergeet als hij ze gehoord heeft. Dat geeft niet. Hij luistert en licht op, grinnikt af en toe. Het heeft zin. Afgelopen week las ik dat de organisaties Iedereen leest en Linc vzw op 15 oktober een studiedag ‘Voorlezen aan ouderen’ houden. Laat dat voorlezen ook en vooral bij dementerende bejaarden gebeuren. We moeten blijven praten. Bereid zijn honderd keer dezelfde vragen te beantwoorden. Uit respect voor de mens die ze waren en nog altijd zijn. Mocht dat niet volstaan om u te overtuigen: denk even vooruit. Denk dat u misschien ook het geluk zult kennen heel oud te worden. Denk aan de doolhof in uw eigen hoofd tegen dan, misschien. En hoe u zou willen aangesproken worden. Wees zacht en geduldig.

‘Alles komt goed, altijd’ wint de Woutertje Pieterse Prijs 2019!

Op 11 april 2019 won ‘Alles komt goed, altijd’ de Woutertje Pieterse Prijs.
De uitreiking vond plaats in cultuurcentrum De Brakke Grond in Amsterdam.

Juryvoorzitter Noraly Beyer las het juryrapport voor.

Vandaag wordt voor de 32ste keer de Woutertje Pieterse Prijs uitgereikt aan het beste oorspronkelijk Nederlandstalige kinder- en jeugdboek van het afgelopen jaar, een boek dat uitzonderlijk is op het vlak van taal, inhoud, illustratie en vorm. Dat klinkt als een eenvoudige mededeling, maar dat is het niet. Dat we hier vanmiddag samen konden zijn om de prijs uit te reiken, is lang onzeker geweest.

Het siert de Brook Foundation en De Versterking dat ze de belangrijke taak van de Woutertje Pieterse Prijs erkennen en financieel mogelijk maken: kwaliteitsvolle jeugdliteratuur onder de aandacht brengen. Want net als volwassenen hebben kinderen recht op goede literatuur, op mooie boeken en verhalen die de verbeelding prikkelen en aanzetten om over het muurtje te kijken naar andere werelden dan de onze.

Naar dat soort boeken is de jury op zoek gegaan, en we hebben ze gelukkig in veelvoud gevonden. Het was een mooie oogst, van verrassende boeken waarin verwondering de boventoon voert, waarin wordt gezocht naar een eigen plek in de wereld, naar hoe je kunt worden wie je bent, naar waar je wortels liggen, zodat je kunt groeien en bloeien in alle openheid. Vijf vrouwen, vijf mannen, drie Nederlandse titels, drie Vlaamse kwamen bovendrijven – een mooi, maar zuiver toevallig evenwicht.

Voor we het over de genomineerden hebben, willen we graag een boek voor het voetlicht brengen dat de shortlist niet heeft gehaald: Annejan Mieras verdient een eervolle vermelding voor haar debuut Portiek Zeezicht. Haar hoofdpersonage, de eigengereide en vindingrijke Fenna, die haar weg zoekt in een nieuwe omgeving en houvast vindt bij de medebewoners van de flat waar ze met haar moeder is komen wonen, stal moeiteloos de harten van de juryleden, maar moest het bij de uiteindelijke keuze helaas afleggen tegen de andere genomineerden.

We hadden het eerder al over boeken waarin een zoektocht centraal staat. Een bijzondere queeste is die van Arend van Dam in De reis van Syntax Bosselman. Hij verweeft op een vernuftige manier verhalen en non-fictie in dit boek over de geschiedenis van de slavernij. Vertrekkend van een foto uit 1883 doet hij het relaas van de reis die de voormalige slaaf Syntax Bosselman en 27 van zijn landgenoten maakten naar het verre Europa om er als ‘Surinaamse inboorling’ te worden uitgestald op de wereldtentoonstelling in Amsterdam. Hun verhaal over wat het betekent gekleurd te zijn in een witte wereld en hoe die witte wereld tegen hen aankijkt, wisselt Van Dam af met feitelijke hoofdstukken over de geschiedenis van de slavernij. Hij deelt zijn verbazing en zijn schaamte daarover met de lezer, maakt je deelgenoot aan de zoektocht naar zijn bronnen en zijn worsteling met het onderwerp. ‘Geschiedenis is niet zoals een schilderij aan de muur, dat eeuwig blijft’, benadrukt hij, ‘ons beeld van vroeger verandert met de tijd.’ De reis van Syntax Bosselman is een noodzakelijk boek over een hoofdstuk in onze geschiedenis dat nog lang niet is afgeschreven en nog steeds actueel is. En dat tegelijk wezenlijke dingen zegt over geschiedschrijving, luchtig geïllustreerd door Alex de Wolf.

Zoeken wordt tot een kunst verheven in Tierenduin. Geert Vervaeke verstopte een hele dierentuin in dit woordloze prentenboek. De staart van de tijger is een sissende slang, de ijsbeer staat niet op een ijsberg, maar schuilt in de muil van een haai met blikkerende tanden. En door de bomen zie je niet het bos, maar een zebra. Altijd staat er meer dan er staat, en geregeld staat er ook iets anders dan wat je denkt dat er staat. Geert Vervaeke speelt een geraffineerd spel met het zwart van het beeld en de witruimte van het papier. Dieren zitten verstopt in dieren, maar ook in oksels, vleugels, het vlekkenpatroon van een vacht. Hoe aandachtiger je kijkt, hoe meer je ziet. En hoe meer je gaat terugbladeren om nog meer te zien. Je leert steeds beter te kijken met minder informatie, want gaandeweg krijg je alleen nog losse lichaamsdelen te zien: een uitnodiging om je verbeelding aan het werk te zetten. Geert Vervaeke bereikt met minimale middelen een maximaal effect in deze leeftijdloze ode aan onbegrensde fantasie.

Die fantasie wordt ook flink aan het werk gezet in Zeb. Er heerst een prettige gekte in deze elf korte verhalen. Gideon Samson haalt op een terloopse, haast achteloze toon onze zekerheden onderuit, alsof een zebra in de klas, grapjes per stuk kopen in de winkel en een wet invoeren die het huilen verbiedt de gewoonste zaken van de wereld zijn. Tegelijk is het een filosofisch boek, over hoe alles geld kost, over hoe een meerderheid de minderheid niet zomaar iets kan opleggen, over de kracht van protest, over kritisch denken en kuddegedrag. Een heerlijke uitnodiging om buiten geijkte denkpatronen te treden en niet voetstoots aan te nemen dat de regels nu eenmaal de regels zijn. Dat vrolijke absurdisme vind je ook terug in de illustraties van Joren Joshua: gestileerd, met een mooi lijnenspel, maar tegelijk vol zwier en humor. Tekst en illustraties spelen zo mooi op elkaar in dat twee plus twee niet alleen vijf is in dit boek, maar één plus één ook drie is.

Worden wie je bent, dat is de zoektocht die Janis onderneemt in Lepelsnijder van Marjolijn Hof. Hij kent alleen de bergtop waar hij woont, want in het dal, zo vertelt de oude Frid hem, heerst De Grote Ziekte die ‘kan huilen en kruipen en zwemmen’. Hij brengt zijn dagen door met het snijden van kunstige lepels, prachtig in beeld gebracht door Annette Fienieg. Maar wat als Frid op een dag wegblijft? Dan moet Janis wel van die berg af komen. Het wordt een confrontatie met de grote boze wereld. Sommigen hebben het goed met hem voor, anderen niet, en het is een hele klus voor hem om daar doorheen te kijken. Janis vertrekt op een queeste om sterker, maar sadder en wiser thuis te komen bij zichzelf. Lepelsnijder is een coming-of-age- en een meanderend avonturenverhaal ineen over heelmakers en stukmakers, en over plantrekkers. Een boek waar je helemaal in kunt kruipen.

Stel: je bent bijna dertien, je ouders zijn gescheiden en je broertje heeft een uitroepteken op zijn borst – letterlijk en figuurlijk: Alan is hartpatiënt en trekt alle aandacht van je moeder naar zich toe. Dan is het leven niet eenvoudig, dan kan het gebeuren dat je je nu eens verstopt en dan weer fel uithaalt. Bianca is voor haar moeder ‘een meisje met een gebruiksaanwijzing’, haar vader vindt haar onhandelbaar. In werkelijkheid schreeuwt ze om aandacht maar dan in stilte. Bart Moeyaert heeft in Tegenwoordig heet iedereen Sorry aan één broeierige namiddag, één huis en één benepen achtertuintje genoeg om een kentering te schetsen. Het hele boek door bouwt de spanning zich op en wacht je op de ontlading. Suggestief, subtiel en ingehouden beschrijft hij wat er gebeurt als er een vriendje van Alan komt spelen en zijn moeder een soapactrice blijkt te zijn naar wie Bianca erg opkijkt. Tijd om haar schuilplaats en het paralleluniversum waarin ze leeft te verlaten en haar eigen plek te vinden.

Geluk lijkt vanzelfsprekend. Het is pas als je het verliest, dat je je bewust wordt van wat je mist. Die harde les leert Alice in Alles komt goed, altijd van Kathleen Vereecken en Charlotte Peys. Blij verwonderd is ze als ze een kleurige wereldbol met snoepjes krijgt. Dat die wereld kort daarop verscheurd zal worden door de Eerste Wereldoorlog kan niemand zich voorstellen. We zijn veilig in ons hoekje van de wereld, zegt haar vader. Maar Alice weet intussen dat de wereld rond is en dat een bol geen hoekjes heeft. Al snel leert ze wat het betekent om bang te zijn voor bommen en gas, om vluchtelingen en soldaten door de straten te zien trekken en zelf vluchteling te zijn, en dat de geruststellende woorden van haar moeder: ‘Alles komt goed, altijd’ een leugen om bestwil zijn. Alle kleur lijkt uit de wereld te verdwijnen, wat mooi wordt gesymboliseerd in de kwetsbare aquarellen van Charlotte Peys. Een aangrijpend boek waarin met onsentimentele, kinderlijke blik naar de rafelranden van de oorlog wordt gekeken en hoe die alles op losse schroeven zet. Maar waarin de liefde voor het leven uiteindelijk de bovenhand haalt.

Zes prachtige boeken, zes uitblinkers die allemaal een ruim lezerspubliek verdienen. Maar er kan maar één winnaar zijn. De jury koos dit jaar voor sfeer, voor ingehouden emotie en een aangrijpend verhaal, voor een hoofdpersoon die ondanks alle ellende en tegenspoed blijft zoeken naar wat het leven mooi maakt, die net als Multatuli’s Woutertje Pieterse de wereld met een open blik tegemoet blijft treden. Want ook al is die wereld roestig geworden, ‘er zit nog steeds kleur op’. En ook al is ze – een oorlog ouder – te groot geworden voor poppen en sprookjesboeken waarin iedereen lang en gelukkig leeft en alles altijd goed komt. Toch wil ze dat nog steeds geloven. U hebt het allang begrepen: de Woutertje Pieterse Prijs 2019 gaat naar Alles komt goed, altijd van Kathleen Vereecken en Charlotte Peys.

Nieuw boek op komst!

In september 2018 verschijnt Alles komt goed, altijd.

Het is het ontroerende verhaal van Alice, een meisje dat opgroeit tijdens de Eerste Wereldoorlog en dat haar familie uiteen ziet vallen.

 

 

 

 

 

We bleven hijgend naast elkaar liggen in het gras, en keken hoe het blauw in de lucht stilaan oranje kleurde. De wolken waren doorzichtig en fijn, als engelenhaar.
‘Hoe kan dat nu?’ vroeg ik me hardop af.
‘Wat dan?’
‘Hoe kan het toch dat we niet meer dan een geel stipje op de wereld zijn? Alles is zo groot.’
Johanna antwoordde niet. Ik sloot mijn ogen en hoorde het gedreun van de kermis in de verte.
‘Ben jij niet bang?’ vroeg Johanna toen. ‘Voor de oorlog?’
Op mijn beurt antwoordde ik niet. Het oranje ging over in roze.
Ik stak mijn arm uit en pakte haar hand vast. Ze kneep zacht.
Ik kon wel blijven liggen zo. En denken dat alles zou blijven zoals het nu was. Zomer, kermis, de geur van gras en veldbloemen in mijn neus. En wij tweeën die hand in hand naar de kleuren van de hemel keken.
Toen het eindelijk stiller werd, hoorde ik in mijn hoofd alleen maar mijn moeder die zei dat alles goed komt. Altijd.

Kathleentje ging eens wandelen. Over walker’s high

Hodeliehadeliehee

Dat ik een wandelaar ben, is geen nieuws.
Ik ken intussen elke boom in de Bourgoyen, begroet er de paarden en de koeien, volg de groei van de jonge eendjes.
Ik maak me zorgen over de zwaan die vroeger een partner had en nu alleen ronddobbert.
Met een beetje geluk krijg ik bij zonsondergang de spreeuwendans te zien.
Ooit filmde ik dat fenomeen, net zoals iemand anders dat vijftig meter verderop deed. In mijn filmpje hoor je hoe een derde, een vrouw, zich ergert aan het feit dat wij een opname maken. Simpele lieden, in de plaats van te kijken, ja, te kijken! Te genieten, zoals zij! De paradox van haar houding lijkt haar te ontgaan.

Af en toe verleg ik mijn wandelterrein naar Het Leen in Eeklo. Wanneer ik zin heb in bos.
Mijn wandelroute raakte geheel toevallig uitgestippeld, toen ik in een misantropische bui het ene na het andere onbekende bospaadje insloeg, om vooral geen andere mensen tegen het lijf te lopen. Soms heb ik dat. Soms doe ik dat. Nee, is dan het woord dat ik voor me uit mompel. Nee!
Zo kwam het dat ik op een zonnige zondag – warm maar niet té – in een provinciaal domein waar honderden gezinnen ouderwetse verstrooiing zochten in de natuur, in een provincie die anderhalf miljoen inwoners telt, een bos voor mij alleen had.
Het werd mijn vaste boswandeling.

Gisteren had ik zin in bos. De zwoelte vroeg erom.
Ik sla bospad na bospad in. Op zonnige plekken moet ik me een weg banen tussen de vlinders. De insecten zoemen om mijn hoofd. Juweelzweefvlieg, denk ik. Andoornbij. Vliegende speld. Gewoon omdat het poëtischer klinkt dan mug. Alles ruikt diep donker groen. Of frisbitter. Ik wil meer woorden voor geur. Er gapen gaten in de taal.
Ik kom welgeteld één koppel tegen tijdens mijn anderhalf uur durende wandeling. Prille tachtigers, schat ik. Vrolijke tachtigers ook. Ze glimlachen breed, ik glimlach terug. De man zegt iets als ‘Hodeliehadeliehee madam?’ Hij kijkt alsof hij een ondeugend grapje gemaakt heeft. Ik reageer sociaal wenselijk en ook een beetje schaapachtig: ‘Jahahaha!’ Soms heb ik dat. Soms doe ik dat.
We vervolgen elk onze weg, terwijl ik zinvolle woorden probeer te bedenken die rijmen op hodeliehadeliehee. (‘Loopt gij hier gans alleen, madam?’ zal een vriendin die avond gokken)

Van de ene minuut op de andere wordt de lucht donker.
Geen blad beweegt nog in het bos. De vlinders verstoppen zich, het zoemen van juweelzweefvlieg, andoornbij, vliegende speld en mug stopt abrupt. Het is onaards stil, op gerommel na, niet eens zo veraf. Ik heb wat ik altijd heb bij dreigend onweer. Een rilling die langs mijn ruggengraat omhoog kruipt. Kippenvel. Opwinding. Onweer is onweerstaanbaar sensueel.
Dikke druppels vallen. De geur van het bos verandert, maar is nog steeds groen. Gaten in de taal. Ik denk aan de blije regendans die ik als kind van negen maakte in de tuin, toen aan het eind van een hete dag onweer losbarstte. Het zompige gras onder mijn voeten, het ruisen om me heen, de opwinding die me tegelijk heel rustig maakte.
Ja, denk ik. Ja! Ik zoek woorden om mijn gevoel te beschrijven, maar in mijn hoofd hoor ik alleen maar hodeliehadeliehee.