Lezen is oefenen in leven

Maakt lezen de wereld beter? Wij, schrijvers, en andere mensen uit het boekenvak geloven het graag. Maar klopt het okindjewclezenok?

Deze week mocht ik aan een groep aspirant-leerkrachten Nederlands vertellen hoe ze in de klas aan leesbevordering kunnen doen. Het werd een verhaal over begeestering, over verhalen vertellen die de nieuwsgierigheid prikkelen, verhalen die de wereld groter maken, over voorlezen.

Over hoe bijzonder het is als je de ogen van die ene koppige leerling, die met gekruiste armen en met zijn jas aan achter in de klas verveeld zit te wezen, toch heel even ziet glinsteren. Over hoe je soms je beperkingen moet erkennen en vaststellen dat er ook jongeren zijn die nooit – niet nu, niet morgen, niet over twintig jaar – spontaan een boek zullen oppikken. En dat zoiets misschien jammer, maar niet erg is.

Minstens even belangrijk is de vraag waarom we lezen zo belangrijk vinden. Het zou de wereld beter maken, hoor je vaak, fictie maakt van ons betere mensen. Ik ben op zoek gegaan naar onomstootbaar bewijs voor die aannames. Eerlijk gezegd: ik heb het nergens zo letterlijk gevonden. En misschien maar goed ook, want dat zou betekenen dat we onze niet-lezende medemens degraderen tot Untermensch. Neen,

I love to read
I love to read

Amerikaanse onderzoekers ontdekten iets interessanters: wie fictie leest, scherpt wellicht tijdelijk zijn inzicht in complexe sociale relaties aan. Kijken naar kunst zou een soortgelijk effect hebben. Valt dat vermogen op goede bodem, dan zou de wereld er inderdaad beter van kunnen worden. Maar evengoed kan het de perfecte brandstof zijn voor meester-manipulators.

Maar misschien is fictie lezen vooral een manier om worstelende jongeren handvaten aan te voorlezenreiken. En reken maar dat ze die nodig hebben, vandaag meer dan ooit. Dat was wat ik dacht toen Mark Elchardus de resultaten van zijn recente studie bekendmaakte: jongeren zijn bang. De wereld beangstigt hen, maakt hen onzeker. Dus gooi ik er meteen maar een extra argument pro lezen bovenop, met dank aan de psychologen van de Universiteit van Toronto: wie fictie leest, laat tijdelijk zijn behoefte aan snelle conclusies en instant-oplossingen varen. Met andere woorden: wie leest, kan onzekerheid beter verdragen. Niet verwonderlijk toch? Lezen is oefenen in leven, zonder dat je alle klappen zelf hoeft op te vangen.

(verschenen eerder in De Mening, DS Avond, 8 oktober 2015)

Ik deug niet voor vrijblijvendheid

Drie jaar lang was ik single.
Drie jaar die afwisselend een schril en vrolijk contrast vormden met de dertig jaar waarin ik een relatie had. Drie boeiende jaren, waarin ik gejuicht, gehuild, genoten, gevochten heb. Maar vooral, zo gaat dat dan met stevige crisissen en drastische omwentelingen in een mensenleven, heb ik er nogal wat uit geleerd. Een aanrader, zou ik bijna zeggen. Maar laat wie gelukkig is met zijn lief, dat lief vooral koesteren.
knackweekend_column_singleAf en toe vertrouwden vrouwen mét een relatie me toe dat ze stiekem jaloers op mij waren. Die vrijheid om te gaan en staan waar ik wilde, om in minuut één de vraag te krijgen of ik mee uit eten wilde en in minuut twee al klaar te staan met mijn jas over mijn arm. Om op reis te gaan waarheen ik maar wilde, met wie ik maar wilde, zolang ik maar wilde (en zover de single-portemonnee dat toeliet, want dat vergaten ze voor het gemak). Maar de sprong in het duister zagen ze toch niet zitten, en oké, ze waren niet supergelukkig, maar ook niet superongelukkig. Ze kabbelden, terwijl ik het gevoel had voluit te stromen. Dat ik de eenzaamheid soms voelde snijden, beseften ze niet altijd. Het verlaten gevoel wanneer ik na een vriendinnenvakantie alleen thuiskwam in een koud en donker huis. De leegte binnenin toen ik na een korte, onmogelijke relatie alleen door een beregende straat liep en niets anders hoorde dan het galmen van mijn eigen voetstappen. De opstoot van zelfmedelijden die ik voelde toen ik de trappen afdonderde en tijdens de val dacht: ‘Straks ben ik dood en niemand weet het.’ Maar kijk, ik leef.
U hoort me al aankomen: hoe happy ik bijwijlen ook was als single, toch kriebelde het verlangen naar liefde en naar de slaperige warmte van een mannenlijf in mijn bed. Ik wilde aanraken en aangeraakt worden. En ik wilde het met iemand die vertrouwd was. Blijkbaar ontsnapte ook ik niet aan de oeroude drang om me met een ander wezen te verbinden.
Een tijdlang heb ik mezelf stoer wijsgemaakt dat het eigenlijk niet meer hoefde, zo’n ‘verstikkende toestand’ met een man die avond aan avond mijn hand wil vasthouden, mij kortwieken, aan banden leggen. Temmen. Ik zou wel zien wat zich aandiende, mijn achterstand links en rechts inhalen.
De waarheid is – zo heb ik ondervonden – dat ik niet deug voor vrijblijvendheid in relaties. Het is ja of neen. En zolang ik de man niet ontmoette die me het gevoel gaf dat ik gelukkiger kon zijn mét dan zonder hem, zou het neen blijven. Het is intussen ja. Met overtuiging.
Het is waar: een mens kan zich veel eenzamer voelen in een ongelukkige relatie dan in zijn eentje. En een gouden kooi blijft toch maar een kooi. Maar toch zijn de conclusies van overtuigde singles soms kort door de bocht. Compromissen sluiten wordt op één lijn gezet met het verliezen van je onafhankelijkheid. Van je identiteit zelfs. Het zijn verstandige mensen die het zeggen. Mensen die bereid zijn tot compromissen in werk, vriendschappen en familierelaties. Maar zodra de liefde in zicht komt, moet het compromisloos. Of niet.
Ik vraag me af in welke mate het kiezen voor single-zijn bewust gebeurt. Wordt het gevoed door de overtuiging dat het leven echt fijner en interessanter is alleen dan getweeën? Of is het een verhaal dat we onszelf vertellen, zoals een mens zichzelf altijd verhalen vertelt die hem in staat stellen verder te leven met zichzelf en de dingen die  hem overkomen? Doe ik dan niet precies hetzelfde? En maakt dat eigenlijk wel iets uit? Het vermogen om je wensen af te stemmen op de werkelijkheid en tegelijk die werkelijkheid zo aangenaam mogelijk  maken: misschien is dat wel de eigenschap die gelukkige mensen – al of niet single – met elkaar delen.

(deze column verscheen op 10 december 2014 in Knack Weekend)

Architectuur tegen zuur

Nieuwjaarskaart van de Vlaamse bouwmeester in 2008: 'Verplaatst uit de prullenmand' van Willem Oorebeek
Nieuwjaarskaart van de Vlaamse bouwmeester in 2008: ‘Verplaatst uit de prullenmand’ van Willem Oorebeek

Er komt – terecht – veel reactie op het afschaffen van de Vlaams Bouwmeester door de nieuwe Vlaamse regering.

Vandaag ventileerden de hoofden van de verschillende Vlaamse architectuuropleidingen hun bezorgdheid en ongenoegen. Ook hier luidt de vrees dat kwaliteitsarchitectuur dreigt te verdwijnen.

Advocate Griet Cnudde, die zich eerder toelegde op de klachten van buurtbewoners over de Sinksenfoor en Tomorrowland, schreef een open brief naar de Stad Gent, waarin ze de heraanleg van een nieuwe verkeersas in Gent aanklaagt. ‘Gent zou het stadscentrum moeten afstemmen op de mensen die er effectief willen wonen, op gezinnen met kinderen en de lokale economie. Niet op iedereen die in de rand gaat wonen om een tuin te hebben.’ Ik vroeg me meteen, zonder ironie, af hoe een verstandige – en voorlopig onbestaande – stadsbouwmeester hier tegenaan zou kijken.

Een stadsbouwmeester, maar vooral ook de Vlaams Bouwmeester, is er om buiten de hokjes te denken. Zijn taak gaat veel verder dan gebouwen ontwerpen die mooi en tegelijk functioneel zijn. Er zit visie achter. Het gaat over mensen, over samenleven en verbinden. Dat is geen halfzacht gewauwel, maar nuchtere realiteit.

Filosoof en econoom Philippe Van Parijs vertelde me ooit tijdens een interview dat we meer dan ooit nood hebben aan verdraagzaamheid. Dichter bij elkaar wonen, en zo ziet de toekomst er nu eenmaal uit, betekent voortdurend rekening houden met de ander: erover waken dat we zelf niet al te veel storen of choqueren, maar ons ook niet te snel gestoord of gechoqueerd voelen door wat een ander doet. Hij zag veel heil in ‘zoning’, expliciet verschillende stadsfuncties toekennen aan elke wijk, zodat bewoners duidelijk weten wat ze mogen verwachten. Minder ergernis, minder zuur, meer solidariteit en sociale cohesie: dat is het doel. Of met de woorden van Van Parijs: ‘Dat is ons sociale kapitaal en het is van levensbelang.’ Zijn vrees was deze: dat stedelijke overheden alleen nooit zouden kunnen voorkomen dat rijkere mensen wegtrekken uit de stad, zodra hen iets niet bevalt. Een gezonde sociale mix is noodzakelijk voor een gezonde samenleving. En daarvoor heb je een consequent gevoerd beleid nodig in het hele land. Een sterke federale staat, met andere woorden.

Wat een gouden kans voor de nieuwe federale regering, die we hopelijk binnenkort zullen hebben: de kans om de blunder van de Vlaamse regering goed te maken door een federaal Bouwmeester aan te stellen. Vis al dat talent dat nu wandelen gestuurd wordt op en verdubbel hun vleugelslag. Dat vraagt uiteraard moed, en de bereidheid om verder te denken dan ambtstermijnen. Leve de lefgozer die dat aandurft.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Zou u baby Hitler doden?

Igor strelkovOnlangs kreeg ik zijn foto voor het eerst onder ogen: Igor Strelkov, militair leider in Donetsk. Geen doetje, zo blijkt uit alles wat over hem geschreven wordt, want betrokken in oorlogen in Bosnië, Tsjetsjenië, Transnistrië en misschien zelfs Syrië. Kil en berekend en – zacht uitgedrukt – niet malend om een mensenleven meer of minder.

Foto’s van kille doders trekken altijd mijn aandacht. Ik blijf ernaar kijken, gefascineerd door de ogen van het kwaad, in de hoop iets te kunnen doorgronden in die blik. Maar al wat ik zag was een pafferig gezicht met nietszeggende ogen. Het vreemde was dat ik wel meteen een idee had van hoe hij er als kind moet hebben uitgezien: de ontevreden baby is nooit helemaal verdwenen.

En dan de gedachte: stel dat hij elders was opgegroeid, stel dat hij anders was opgevoed, zou hij een ander mens geworden zijn? Want hoezeer de neurologie tegenwoordig het hoge woord voert, we weten lang niet alles over de menselijke psyche. Nature and nurture: ik geloof rotsvast dat ze hand in hand gaan.

hitler babyHet doet me denken aan een pertinente vraag, een moreel dilemma dat zelfs onderwerp van wetenschappelijk onderzoek werd: zou u baby Hitler doden als u de kans kreeg, wetend wat we vandaag weten, en met de verzekering dat het nooit zou zijn uitgekomen?

Het lijkt verdedigbaar: een kind doden om miljoenen mensenlevens te redden. Er zou – misschien – geen Holocaust geweest zijn. Israël zou nooit opgericht zijn. Er zou geen oorlog in Gaza zijn. Maar gaan we er dan niet aan voorbij dat het Duitsland van de jaren ’30 klaar was voor eender welke sterke man, die misschien dezelfde weg was gegaan als Hitler?

En los daarvan: zou u het kunnen, een kussen op het gezicht drukken van een baby die nog onschuldig is? Het is een vraag die de Britse psycholoog Kevin Dutton, schrijver van De lessen van de psychopaat, aan een heleboel mensen stelde. Zijn conclusie: enkel diegenen met psychopathische persoonlijkheidskenmerken maken de nuchtere berekening en zeggen ‘ja, het is verantwoord’. Meteen legt hij de link met de harde beslissingen die wereldleiders zo vaak moeten nemen: zonder trekken van de psychopaat zouden ze het nooit over hun hart krijgen iemand naar de oorlog te sturen.

Toen ik de vraag voorlegde aan een goede vriendin, zei ze: ‘Niet doden! Ik zou hem knuffelen en veel liefde geven, en hopen dat het goedkomt.’ Meteen wist ik weer waarom ze een goede vriendin is. In de ogen van sommigen onmogelijk naïef, zonder twijfel. En wereldleiders zullen we nooit worden. Lach maar. We zijn het soort mensen die de wereld hopen te redden met knuffels en liefde. Noem ons preventiewerkers. Het helpt alleen als je er op tijd mee begint: in de wieg.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Veilige schijnwereld

Het is vaak een verscheurend dilemma voor de mens in kwestie, maar ook voor de naaste familieleden: wanneer is het geoorloofd iemand te laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis?

alone-black-and-white-girl-photography-favim-com-319389Soms lijkt het de enige uitweg, omdat de druk voor het thuisfront ondraaglijk geworden is. Omdat de voortdurende angst dat iemand ‘zichzelf iets zal aandoen’ elke andere gedachte platslaat, omdat de angst en de zorgen het leven hebben overgenomen, waardoor een normaal bestaan een luxe lijkt die alleen voor anderen is weggelegd. De energie stroomt bij beekjes weg, en om de knoop door te hakken richten we de blik op wie het beter lijkt te weten: dokter, psycholoog, psychiater.

En dan is het zover: de gekwelde komt in een parallelle wereld terecht. Steriel en vreemd, en daardoor beangstigend. Duidelijk en afgeschermd van de werkelijke wereld, en daardoor veilig. De familie balanceert tussen opluchting om de weergekeerde rust en schuldgevoel. ‘Maar toch, echt, we konden niet anders. Het is waar, hé? We hebben er goed aan gedaan, ik weet het zeker.’

De duur van een opname in een psychiatrische kliniek ligt lager dan tien jaar geleden, maar is nog steeds te lang, schrijft deze krant vandaag. Dat is kwalijk. Toegegeven: soms is een tijdelijke opname nuttig en zelfs noodzakelijk. Maar een te lang verblijf kan een mens veranderen van iemand met psychische problemen in een psychiatrisch patiënt: door de gangen sloffen, glazige blik in de ogen. Deskundigen noemen dit het ‘hospitalisatiesyndroom’: het emotionele leven zwakt af, sociale contacten verwateren, de aanvaarding gaat over in apathie, de eigenheid verdwijnt in een systeem van geforceerde verzorging. Wanneer ook de familieleden, die in de loop van de jaren tegen wil en dank ervaringsdeskundige geworden zijn, buitengesloten worden – en dat gebeurt soms – dan wringt het.

Wie lang in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, dreigt zich te nestelen in het comfort van een schijnwereld. Het hier en nu is veilig, het straks en elders wordt gaandeweg bedreigender. De kans op herintegratie in de samenleving en een job worden kleiner naarmate het verblijf langer duurt.

Hoe vroeger iemand naar huis kan, des te beter dat in principe is. Maar laat dit duidelijk zijn: het kan alleen als de patiënt en zijn familie de nodige ondersteuning en begeleiding krijgen. Misschien kan intensieve thuisbegeleiding worden ingebed in een overgangsperiode naar het ‘normale’ leven. Maar laat vooral ook de mantelzorgers niet in de kou staan: hun veerkracht is vaak al jarenlang zwaar op de proef gesteld. Zij hebben recht op hulp en ondersteuning. Financieel, inhoudelijk en emotioneel.

Geluk belangrijk vinden toon je niet door wc-spreuken en andere wijsheden te verspreiden, maar door elke kans te grijpen om – ook al is het moeilijk – concrete stappen te zetten in de richting van een gelukkigere samenleving.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Sven Gatz, we hebben vertrouwen in u

Het is een traditie, folklore bijna, hoe de culturele sector steigert zodra de naam van de Vlaamse minister voor Cultuur bekend is.
Naamgrapjes, een instant kruisverhoor (hoe lang is het geleden dat u een toneelstuk gezien hebt? hoe heet de laatste roman die u las? kunt u voor de vuist weg vijf belangrijke hedendaagse schilders van bij ons opsommen?). Het is altijd een beetje spitsroeden lopen voor mevrouw of meneer de minister. Het gaat van monkelen, over dedain tot ergernis.

Maar het moet gezegd: de indruk leeft dat Cultuur als een ministerpost light wordt beschouwd. En ook dit moet gezegd: soms woog de minister in kwestie ook te licht voor de post. Daar wordt niet mee gelachen. Of juist wel, heel hard. Herinner u de jarenlange hoon die de arme Bert Anciaux te beurt viel toen hij het per abuis over De nachten van Gerard Reve had.

sven-gatzWat een verademing was het om te merken hoe cultureel Vlaanderen reageerde op de aanstelling van Sven Gatz als Vlaams minister voor Cultuur, Media en Jeugd. Het was van Patrick Dewael geleden dat er zo’n welwillende wind door de gelederen waaide. In het slechtste geval was er sprake van milde onverschilligheid, in het beste geval werd de aanstelling ronduit toegejuicht. Een ketje op Cultuur: het klinkt alleszins sympathiek.

Het hing nochtans aan een zijden draadje. Het had Noël Slangen kunnen zijn, evenzeer een interessante keuze, want hij is de man die ooit schreef dat cultuur als vanzelfsprekend in iedere vezel van ons leven aanwezig zou moeten zijn. Een ongelukkige timing besliste er anders over. Een gelukkige timing voor Gatz. Voorlopig tenminste. Want nu moet hij het waarmaken.

De kersverse minister oogt nog een beetje beduusd. Hij beseft zeer goed dat er verhoudingsgewijs veel kritisch volk rondloopt in de kunsten en de letteren. Het zal hem onvermijdelijk dwingen scherp te blijven en nooit onbeslagen op het ijs te komen. Maar hij krijgt krediet.

Laten we het snuiven inhouden. Laten we wachten met schamperen tot er iets te schamperen valt. En laten we vooral hopen dat er nooit reden toe zal zijn.

Hoort u het, mijnheer Gatz? We hebben vertrouwen in u. En de menselijke traditie leert ons dat wie vertrouwen krijgt dat zelden beschaamt. U lijkt ons menselijk, dus dat zit wel goed. We hebben er bijgevolg ook vertrouwen in dat u de menselijke traditie niet zult doorbreken.

Zoveel vertrouwen om niet te beschamen: als dat geen eer is.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Hoop, schoonheid en troost

We zijn in de greep van de machteloosheid.
Hoe wreed het leven kan zijn voor een kind in Gaza of in Syrië. Hoe wreed het bij uitbreiding is voor hun ouders en al wie hen graag ziet. Hoe wreed het is als er niemand meer is die hen graag kan zien. Of betreuren.
We staan erbij en we kijken ernaar.
We ondertekenen petities. Dat het moet stoppen, dat het Palestijnse volk rust, vrede, ruimte en respect gegund moeten worden. Een leven dat die naam waard is. Dat een economische boycot van Israël zich nu meer dan ooit opdringt.
We piekeren over manieren om onze betrokkenheid vorm te geven. Het uitschreeuwen, een gedicht schrijven, gruwelijke foto’s bekijken, lezen wat anderen schrijven, huilen.
We veranderen profielfoto’s op Facebook. Een Palestijns jongetje te midden van het puin. Of, ja, gewoon een snapshot met de zon in de haren en de ogen, en een glas wijn.
Sommigen ergeren zich aan de banaliteit van ergernissen, aan de trivialiteit van gesprekken, aan het lichtzinnige van blijheid. Aan de manier waarop anderen omgaan met wereldellende, of er niet mee omgaan.
Onverschilligheid! roept de een.
Emoterreur! kaatst de ander terug.

En toch.

We blijven foto’s van baby’s en katten posten op Facebook.
We blijven ons ergeren aan kleine agressiviteit en onbeschoftheid – hoe is het verdomme mogelijk dat mensen aan de deur van een wc rukken zonder vooraf even geklopt te hebben en wedden dat het die zelfden zijn die straks hun remspoor niet zullen verwijderen?
We maken afspraken met de kapper – niet te kort! – proberen kattenkots uit het tapijt te krijgen en vragen ons af wat we vanavond zullen eten.
We kijken naar de avondlucht, prijzen ons gezegend dat we in een land met steeds wisselende wolkenhemels leven, en voelen ons even zielsgelukkig.
We spreken af met vrienden, drinken wijn, praten diep en licht, en lachen lang in de zomernacht.
Willy Ronis - vincent_5ans_1945We zoeken troost in schoonheid, altijd weer.
Ik vond die troost onlangs in een minder bekende foto van de Franse fotograaf Willy Ronis. Een zijdelingse blik op een jongetje van vijf dat zijn naam leert schrijven. Vincent. De foto ontroerde me. Het had te maken met de overgave en de concentratie van het kind. Met het betoverende licht ook, het contrast tussen helder en donker. En met het jaartal: 1945. Vincent was een oorlog oud.

Heel even legt de hoop de machteloosheid het zwijgen op.

 

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Generatie zus of zo

logo de standaardKathleen Vereecken is schrijfster en journaliste. Ze is gastcolumniste in de paasvakantie op maandag.

Onlangs was het weer zover: een jonge werkloze man schreeuwde zijn woede en frustratie over de babyboomers uit en kon rekenen op bijval op sociale netwerksites. Niet het potverteren was ditmaal de reden van de woede, wel de recente onderzoeken die ‘Generatie Y’ afschilderden als bang, braaf en lui. En, niet te vergeten, hun ouders die deze generatie hadden opgevoed met de illusie dat the sky the limit is.

Zo, dacht ik, terwijl ik geërgerd op mijn achterste poten ging staan. Ik dacht het voorzichtig, want dat van die sky heb ik ook altijd een leugen gevonden. Maar toch. Wij hebben onze kinderen in hun ongeluk gestort door hen te zeggen dat we in hen geloven? Rotzakken die we zijn!

De ergernis smolt even snel weg als ze gekomen was. Gedeeltelijk toch. Niet omdat ik vond dat onbezonnen kwaadheid eigenlijk wel bij de jeugd past. Dat doet denken aan de misplaatste mildheid waarmee men oude vrouwen hun stoute bek vergeeft. Je bent nu eenmaal oud en stout, jong en wild, maar ook wel aandoenlijk. Het is een mildheid die diskwalificeert. Ik zal dus niet mild zijn. Maar ik wil wel graag een oefening in empathie doen. Het mag paradoxaal klinken, maar een blik op mijn eigen geschiedenis helpt daarbij.

Ik studeerde af in 1983, het was crisis. Economen beweerden, net als vandaag, dat het ergste stilaan voorbij was. Alleen merkten we daar nog niet veel van.

Onze ouders hadden de oorlog meegemaakt, waren doordrongen van het belang van een vaste job. Daar hoorde bescheidenheid bij. Grote dromen werden met de glimlach aangehoord, om daarna opgesloten te worden in een ver luchtkasteel. Tijdens onze hogere studies zei een docent onomwonden: ‘Jullie weten toch waarvoor jullie studeren? Om straks in de rij te staan aan het stempellokaal.’

De cynicus had gelijk. Ik had al niet veel verwacht van het beroepsleven. De realiteit was nog minder. Werkloos zijn, eindeloos solliciteren, afwijzing na afwijzing incasseren. Het doet wat met het zelfbeeld van een mens. En dan die innerlijke tweestrijd. Zin hebben om het uit te schreeuwen: ‘Geef mij dan toch een kans! Zien jullie dan niet dat ik écht wel iets in mijn mars heb?’ Al doende je eigen woorden steeds minder geloven. Want wie werkloos is, wordt na verloop van tijd overvallen door een gevoel van totale overbodigheid. Het is een gevoel dat ik vandaag nog pijnlijk accuraat kan oproepen. Het veroorzaakte beurtelings wanhoop, gelatenheid en woede. Want als het dan toch één doffe ellende was op de arbeidsmarkt, waarom hadden we dan niet evengoed onze grote droom kunnen najagen en datgene studeren wat ons in vuur en vlam zette?

Ik vond werk in het bedrijfsleven. Maar ik was een middelmatige bediende, met evenveel krullen in mijn hoofd als erop. Na tien jaar goedbetaalde verveling waagde ik de sprong naar een onzeker, maar vervullend bestaan als schrijfster en freelance journalist. Een oude, grote droom. Vanuit een naïef vertrouwen dat het me wel zou lukken. De onzekere twintiger die ik ooit was, zou zich de ogen uitwrijven als ze me nu zag. Daar dacht ik aan toen ik mijn eigen kinderen opvoedde met de gedachte dat je soms moet durven te springen. Dat je hard kunt vallen. Maar als je de juiste wind weet te vangen, dan vlieg je. Ik besef nu hoe naïef dat klinkt in deze tijd. Hoe naïef het ook had geklonken in de jaren 80.

Het geloof dat ik alles kon worden wat ik maar wilde, had ik nooit. Ik weet niet of dat te verkiezen valt boven het andere. Ik weet wel dit: dat elke generatie opnieuw haar best doet om haar kinderen een mooie start te geven in het leven. Dat elke generatie met de beste bedoelingen inschattingsfouten maakt. En dat ook elke volgende generatie dat zal doen.

Verder heb ik het niet zo begrepen op dat generatiedenken. Wat zeg ik? Ik verfoei het. Mooi zo dat jongeren zich verzetten tegen onderzoeken die hen stigmatiseren en reduceren. Haal hen uit dat hok, en snel. Maar laat ze dan ook andere generaties niet in een hok duwen. Het is niet constructief. We hebben elkaar nodig. Het is tijd om te beseffen dat we misschien meer gemeen hebben dan polariserend onderzoek ons wil laten geloven.

(verschenen in De Standaard van 14 april 2014)

Gezondheidsstress

kathleen DSKathleen Vereecken is schrijfster en journaliste. Ze is gastcolumniste tijdens de paasvakantie, op maandag.

‘Uw cholesterol is te hoog.’ Niet ik kreeg de opmerking, maar – los van elkaar – een paar twintigers uit mijn omgeving. Kerngezonde jonge mensen, voor wie de lichtheid en zorgeloosheid van hun jaren ineens een illusie leken. Moesten ze zich zorgen maken? Aten ze niet gezond? Bewogen ze niet genoeg, ondanks het feit dat ze elke verplaatsing te voet of met de fiets deden? Kort daarna hoorde ik de diagnose nog een paar keer, telkens bij gezonde, relatief jonge mensen.

Het kreeg stilaan iets ongeloofwaardigs, en ik moest denken aan wat filosoof Ignaas Devisch vertelt in zijn boek Ziek van gezondheid. Dat we ziek zijn – of lijken – doordat we voortdurend jacht maken op een ongrijpbaar gezondheidsideaal. Dat dokters graag labelen, maar dat wij ons ook veel te gretig laten labelen. Het onbehagen moet een naam krijgen. De patiënt wordt consument.

Gezondheid wordt in richtlijnen gegoten, die steeds moeilijker haalbaar zijn. Maar wie legt die richtlijnen vast? Wie bepaalt wat wél en niet gezond is, en waarom? En zonder in paranoia te willen vervallen: hoe sterk wegen ook hier weer de belangen van de farmaceutische industrie door?

Feit: in de loop van de jaren werden de cholesterolnormen meer dan eens verlaagd. Toen de American Heart Association en het American College of Cardiology eind 2013 de nieuwste verlaging aankondigden, verscheen in The New York Times een pittig opiniestuk van Harvarddocent John Abramson en cardiologe Rita Redberg. Het was een aanklacht tegen het misbruik van statines of cholesterolverlagers. Te veel patiënten slikken het medicament nodeloos. Baat het niet, dan schaadt het niet is in deze gevaarlijke onzin. Bijna één vijfde van de gebruikers krijgt last van nevenverschijnselen: spierpijn, cognitieve problemen, diabetes. Wie met een kanon op een mug schiet, krijgt nu eenmaal collateral damage, en niet zo’n klein beetje.

Vandaag is het Wereldgezondheidsdag. De Belgische Federatie van Psychologen bekritiseert naar aanleiding daarvan de medische overconsumptie, die er mee voor verantwoordelijk is dat de financiering van onze gezondheidszorg onder druk komt te staan. We moeten onze gezondheid in eigen handen nemen, luidt het. En preventie is daarbij een sleutelbegrip.

Een gelijkaardig verhaal hoorde ik een paar maanden geleden toen ik Koen Kas, digitaal bioloog en auteur van Nooit meer ziek interviewde. Kas is een enthousiaste trendwatcher op medisch vlak. Met onze curatieve geneeskunde hollen we al eeuwenlang hopeloos achter de feiten aan, stelt hij. Ter illustratie: niet eens 1 procent van de kosten in de medische wereld gaat naar preventie. Dat moet anders, vindt hij terecht. Het antwoord is: participerende geneeskunde, geholpen door de techniek. In de nabije toekomst zullen we via piepkleine sensoren – op de huid, in de kleding, in smartphone, horloge of autostuur – voortdurend in verbinding staan met onze familie en dokters. Elk facet van onze gezondheid zal onafgebroken gemonitord worden. We zullen zelfs een beroep kunnen doen op sociale controle om ons te motiveren voor een gezondere levensstijl, door onze fysieke toestand kenbaar te maken op sociale netwerksites. Niet alleen zal jan en alleman weten dat je ‘incheckt’ bij restaurant X-Y-Z, ze zullen ook kunnen meegenieten van je bloeddruk en cholesterolgehalte.

Op zich is het revolutionair. Maar het is ook beklemmend. Gezondheid zal nooit meer vanzelfsprekend aanvoelen. Het is iets om voortdurend alert voor te zijn, nog meer dan nu al het geval is. Misschien wil ik wel geen alarmsignaal krijgen telkens als mijn bloeddruk tijdelijk stijgt of mijn cholesterol- of cortisolniveau – stress! – flirt met de grens van het aanvaardbare.

Ten strijde dan maar tegen de vooruitgang? Welneen. Laten we er het goede van plukken en aan preventie doen. Responsabilisering dus. Maar dat betekent meer dan gezond leven. Het houdt ook in dat we een kritische ingesteldheid ontwikkelen ten aanzien van medicijngebruik, de verwachting laten varen dat elk ongemak hier en nu verholpen moet worden. Dat we vraagtekens durven te plaatsen bij overmonitoring en dat we zoeken naar een gezonde manier om met risico’s om te gaan. Moeten we écht ingrijpen wanneer er een probleem zou kunnen opduiken? Of mogen we nog een minimum aan zorgeloosheid en onbevangenheid behouden?

(column, verschenen in De Standaard op 7 april 2014)

Tiny’s slipje

Naar aanleiding van mijn essay in wording over de kloof tussen kindercultuur en werkelijkheid, viste ik de column op die ik na de dood van Marcel Marlier voor De Standaard der Letteren schreef.

Mijn droommeisje is dood. Mee het graf in met Marcel Marlier, de man die haar en haar karamellen wereld vormgaf.

Tiny was de ongekroonde prinses van het land van melk en honing. Lief, mooi, slim en multigetalenteerd. Een beetje een trut, dat wel. Zo braaf en volmaakt dat ze onuitstaanbaar had moeten zijn. Maar ik was gek op Tiny, bewonderde haar, wilde zijn zoals zij. Dat is vreemd, want poppen die er te zoet en te perfect uitzagen, kleedde ik genadeloos uit. Of ik gaf er een paar meppen op. Toen was ik drie of zo. Ach ja, die poppen waren ook zo leeg en stom, terwijl Tiny geweldige dingen meemaakte. Verre reizen, paardrijden! Of heel gewone dingen, zoals koken en moedertje spelen, maar dan wel in een majestueus decor.

Toen ik zeven was, moest ik voor het eerst een opstelletje schrijven. Een soort verhaaltje, had ik begrepen. Ik pleegde schaamteloos plagiaat, en schreef: ‘Het is nacht. Buiten glinsteren de sterren, de bloemen rusten en de bomen slapen.’ Het waren de beginzinnen uit Tiny in het circus, en ik vond ze hartverscheurend mooi. De juffrouw kon er niet mee lachen.

Onlangs vertelde mijn zoon hoe hij met een groepje vrienden en vriendinnen had zitten gieren om Tiny. ‘Die slipjes! Hoe ze zich altijd toevallig bukt: dat zou nu toch niet meer kunnen.’ Het is verdorie nog waar ook. Gerda Dendooven — zo ongeveer de Vlaamse meter van Tiny — merkte ooit op dat Marlier de venusheuveltjes van kleine meisjes wel goed bestudeerd moest hebben. Tiny op ballet zou vandaag wellicht geen uitgever meer vinden. Te pornografisch. Was mijn droommeisje een prikkelpop? Het bracht een andere verre herinnering terug. Hoe ik als kind keer op keer naar dat plaatje wilde kijken van Tiny op de glijbaan, met dat opwaaiende jurkje. Mijn ogen haakten zich vast aan dat slipje. Het was zo mooi en zo wit en waarom kreeg ik het toch altijd zo warm als ik het zag? Niet behaaglijk of gezellig warm. Veeleer lekker warm, ergens tussen mijn benen. En toch. Wie seks en kinderen in één zin denkt of noemt, voelt zich algauw een viespeuk.

Eerlijk? Ik ben in de war. De zoete, onschuldige Tiny, gecreëerd in zoete, onschuldige tijden, bevatte prentjes waar geen hond aanstoot aan nam. Vandaag is het mechanische pompen en hijgen van porno maar een muisklik weg, maar Tiny’s slipje is te geil. Seks is overal. Seks is nergens. Als het over kinderen gaat. Of liever: dat zouden we wel willen.

(verschenen in De Standaard der Letteren op 28 januari 2011)