Nieuw boek op komst!

In september 2018 verschijnt Alles komt goed, altijd.

Het is het ontroerende verhaal van Alice, een meisje dat opgroeit tijdens de Eerste Wereldoorlog en dat haar familie uiteen ziet vallen.

 

 

 

 

 

We bleven hijgend naast elkaar liggen in het gras, en keken hoe het blauw in de lucht stilaan oranje kleurde. De wolken waren doorzichtig en fijn, als engelenhaar.
‘Hoe kan dat nu?’ vroeg ik me hardop af.
‘Wat dan?’
‘Hoe kan het toch dat we niet meer dan een geel stipje op de wereld zijn? Alles is zo groot.’
Johanna antwoordde niet. Ik sloot mijn ogen en hoorde het gedreun van de kermis in de verte.
‘Ben jij niet bang?’ vroeg Johanna toen. ‘Voor de oorlog?’
Op mijn beurt antwoordde ik niet. Het oranje ging over in roze.
Ik stak mijn arm uit en pakte haar hand vast. Ze kneep zacht.
Ik kon wel blijven liggen zo. En denken dat alles zou blijven zoals het nu was. Zomer, kermis, de geur van gras en veldbloemen in mijn neus. En wij tweeën die hand in hand naar de kleuren van de hemel keken.
Toen het eindelijk stiller werd, hoorde ik in mijn hoofd alleen maar mijn moeder die zei dat alles goed komt. Altijd.

Denkoefeningen bij een nieuw boek (7)

Vlak voor hij zich voelde wegglijden, bedacht Ivo hoe bedrieglijk ze waren, alle verhalen die onder de voluit levenden de ronde deden. Verhalen over stervenden die ineens een betere versie van zichzelf werden. Wijzer, milder en alleen nog maar in staat tot verzoening.

Romantische onzin, die de mensheid collectief in stand leek te houden omdat er toch iets goeds moest zijn aan de dood. Alsof sterven op die manier nog een beetje zin zou krijgen.

Enfin, ze zouden het zelf wel ondervinden, ooit.

Hij gleed zacht, alsof de krachten van de kosmos zich bundelden om hem te behoeden voor pijn.

Alles was chaos.

IJs smolt tot water.

Rook werd steeds diffuser naarmate hij de hoogte in wolkte.

Fruit verschrompelde, stenen brokkelden af.

Een gebroken ei zou nooit meer heel worden.

Alles wat was, surfte op de golven van een steeds groter wordende chaos.

Waarom zou hij daaraan bijdragen, waarom zou hij daar meer aan bijdragen dan hij al had gedaan? Hij zou zwijgen, want alleen zwijgen kon de chaos bezweren. En als dat al niet lukte, dan zou het hem op zijn minst heel even afremmen.

Dat was een goede gedachte. De enige.

smeltend ijs

(fragment uit ‘Haar’, verschijnt eind februari 2016)

Denkoefeningen bij een nieuw boek (6)

oude man met baardWreedheid en mededogen droegen hetzelfde witte pak in Home Avondrood. Er was de kleine Koreaanse verzorgster, die altijd zacht, zorgzaam en geduldig met hem omging. Die nooit zijn broek naar beneden trok zonder te vragen of hij dat wel wilde. Die hem alleen maar naar de wc liet gaan, als hij daar behoefte aan had. Die hem met de glimlach overeind en weer terug in bed hielp wanneer hij slecht te been was, en dat gebeurde steeds vaker.
Er was ook de kordate bebrilde verzorgster waar hij al meteen een slechte start mee gemaakt had. Zij wipte hem min of meer uit zijn bed op moeilijke dagen en plantte hem neer op de pot, als een peuter op zindelijkheidstraining. En ze bleef. Met gekruiste armen en de voeten iets uiteen, terwijl ze samen met hem ook haar horloge in het oog hield. Hij had alle krediet bij haar verspeeld, daar liet ze geen twijfel over bestaan. Maar erger dan dat was het sadisme dat ze aan de dag legde in de omgang met Lily. Telkens wanneer die zich hardop afvroeg of haar moeder nog eens op bezoek zou komen, want ze miste haar moeder soms zo hard, grijnsde de heks in het witte pak: ‘Maar Lily, je moeder is allang dood.’
Het was keer op keer een klap, instant rouw. Lily’s grote ogen vol ongeloof, haar ‘nee toch?’, haar kinderlijke tranen en de smekende blik waarmee ze vruchteloos naar geruststelling of troost hengelde. Haar gebogen schouders, de gebroken houding waardoor ze er een tijdlang de oude vrouw uitzag die ze in werkelijkheid was. Tot er weer een uur of wat overheen gegaan was en de woorden van de heks wegglipten door de mazen van Lily’s krimpende brein, tot ze niets meer waren dan betekenisloze klanken, tot ze niets meer waren en de onschuld in haar gelaat terugkeerde en ze simpelweg blij was met hem in haar leven. Haar mooie jongen, die nu op de pot zat in het bijzijn van de heks.
Alle lichaamsopeningen sloten zich koppig in haar aanwezigheid, de sappen droogden op, de spieren verkrampten.
‘Ik heb niet de hele dag, hoor,’ zei ze.
‘Het lukt niet.’
‘Probeer dan wat harder.’
Ivo schudde het hoofd, alles zat muurvast.
‘Ja, dan zit er niets anders op dan je een luier om te doen, en daar doe je het maar mee tot vanavond. Ik kan niet blijven heen en weer rennen omdat jij tegenwerkt.’
De luier ging om en Ivo gaf geen krimp. Hij had het vernederend kunnen vinden, maar hij besloot zijn gedachten niet te vergiftigen met emoties die geen kant uitkonden. Hij zou geen protest aantekenen bij de directie, zijn dochters niet lastigvallen. Straks kwam Lily langs. Zij zou hem helpen, hem verlossen van die luier en zoveel meer dan dat.
Maar Lily kwam die dag niet. En toen hij ’s avonds de gang inrolde om een kijkje te nemen in haar kamer, was die leeg.

(Uit ‘Haar’, een roman in wording)

Denkoefeningen bij een nieuw boek (5)

Een keer zei ze hem hoe fantastisch ze hem vond. De beste vriend die ze zich kon wensen. Zo anders dan alle andere jongens. Daar waar die haar verontrustten, was hij veilig en betrouwbaar, geruststellend als haar eigen vader of als de broer die ze niet had. Het was stil geworden, daar in het aardedonker op de luchtmatras, en omdat het al ver na middernacht was ging Suzanne ervan uit dat Stefan in slaap gevallen was. Niet lang daarna sliep ze zelf. Pas jaren later zou ze beseffen hoe bijzonder het was om in alle veiligheid naast iemand te durven inslapen. Hoeveel vertrouwen het veronderstelde. Hoe intiem slapen was. Misschien wel intiemer dan de daad. Want die kon net zo goed bestaan uit twee minuten zweterig heen en weer schuren over de zanderige betonnen vloer van een garage bij het strand.
Je hoefde er elkaar niet eens voor in de ogen te kijken.

7add91edee8f2d91fa35764cde5c9d72.1000x558x1

(Uit ‘Haar’, een roman in wording)

Denkoefeningen bij een nieuw boek (4)

Een buitenstaander zou hen wellicht een halfjaar gegeven hebben, hooguit. Maar die zag niet hoe warm en vanzelfsprekend hun lichamen zich konden verstrengelen, heerlijke verboden lust, en hoe hard ze
samen konden lachen om niets.
Seks en humor zouden tot het einde toe het cement van hun relatie zijn.

Kurt Van Wagner
Kurt Van Wagner

Denkoefeningen bij een nieuw boek (3)

Het werd oudejaarsavond en de verbale slagen joegen haar samen met de schaamte – de buren! – meer dan ooit op de vlucht. De kwarteleitjes en de toastjes met zalmtartaar zouden onaangeroerd blijven, de champagneglazen waren toch al gesneuveld.
De supermarktparking was leeg, op een merkloze bestelwagen na. De koude was bijtender dan een dreigend ecologisch schuldgevoel, dus liet ze de motor een uur lang draaien. De radio hield haar gezelschap. Toen het aftellen naar het nieuwe jaar begon en de eerste vuurpijlen het zwart van de hemel openbraken, keek ze niet weg en bedacht ze dat ze nooit eenzamer dan dit zou worden.
Het was een hoopvolle gedachte.

eenzame_auto

Dat alles goed komt. Altijd.

(fragment uit ‘Het verhaal van Jeanne’, een boek in wording)

Het was kermis.
De appelbollen waren even zoet als andere jaren, het draaiorgel van de carrousel klonk even luid en vals. Ik haakte mijn arm zoals altijd in die van Johanna, mijn beste vriendin. Samen huppelden we zingend en lachend tussen de draaimolens en kraampjes door. We gingen op de zwiermolen tot we duizelig waren, we snoepten tot we buikpijn hadden. En we wisten dat het onze eigen dikke schuld was, en dat vonden we helemaal niet erg. We liepen samen naar het veld met het kapelletje, plukten bloemen en lieten ze slap worden in onze zweterige handen. Toen ook Yvonne, Jules en Clara erbij kwamen, renden we gillend en giechelend achter elkaar aan. Ik draafde weg van de anderen, zo ver ik kon. En dat was ver, want het veld was groot en groen en eindeloos. Maar Johanna kwam me achterna en struikelde. In haar val greep ze zich vast aan mijn benen. Ik viel op mijn buik in het gras en het deed best wel even pijn, maar ik kon alleen maar lachen. Ik lachte tot ik ook daar weer buikpijn van kreeg.
We bleven hijgend naast elkaar liggen in het gras, en keken hoe het blauw in de lucht stilaan oranje kleurde. De wolken waren doorzichtig en fijn, als engelenhaar.

‘Hoe kan dat nu?’ vroeg ik me hardop af.
‘Wat dan?’
‘Hoe kan het toch dat we niet meer dan een geel stipje op de wereld zijn? Alles is zo groot.’
Johanna antwoordde niet. Ik sloot mijn ogen en hoorde het gedreun van de kermis in de verte.
‘Ben jij niet bang?’ vroeg Johanna toen. ‘Voor de oorlog?’
En op mijn beurt antwoordde ik niet. Het oranje ging over in roze.
Toen het in de verte eindelijk stiller werd, hoorde ik in mijn hoofd alleen maar mijn moeder die zei dat alles goed komt. Altijd.

avondlucht

Over een magische zomer en de ballast van herinneringen

(Fragment  uit ‘Zijdeman’ dat eind januari verschijnt. Dit is de stem van de 16-jarige Camille)

rhoneVijftien was een magische leeftijd. Ik was geen kind meer, vond mijn vader. Geen écht kind. Ik bloedde elke maand, maar dat mocht hij natuurlijk niet weten. Dat waren vrouwenzaken. Maar hij leek het te voelen, dus vroeg hij me mee, en vanaf dat moment behandelde hij me als een volwassen vrouw. Het was een magische leeftijd, ik zei het al. En het werd een magische zomer. Ik had Parijs nooit eerder verlaten, en ik ontdekte een wereld die zo wonderlijk en vreemd was dat zelfs de lange stukken die we per boot aflegden – opgesloten op het water en bijna niets omhanden! – me niet verveelden. Het grijs van de stad verdampte tot het niet eens meer de kracht van een herinnering had. Ik hoefde geen herinneringen toen. Ze waren ballast, en er was zoveel nieuws dat een plek moest krijgen in mijn hoofd. Zoveel kleuren groen, van teer en licht en fris tot diep en donker, bijna dreigend groen. Een zee van geuren, die veranderden naarmate het landschap wisselde of naarmate het dag of nacht werd. Soms ademde ik zo diep in en uit om niets te missen dat ik duizelig werd en even moest gaan zitten, omdat ik anders beslist in het water zou zijn gevallen. En dan de mensen, de uitbundige mensen die vanaf de oevers naar ons wuifden en een eindje met de boot mee renden, huppelend, struikelend soms, gillend en lachend. Ze wuifden naar ons zonder ons te kennen. In Parijs keken zelfs mensen die je kenden je nauwelijks aan.

Dag na dag werd het warmer. Toen we over de Rhône gleden, zagen we groepjes vrouwen aan de oevers van de rivier, die met een bezem van fijne takjes in grote ketels sloegen. In die ketels werden de cocons van de zijdevlinder ondergedompeld en gekookt. Het zachte zijdeweefsel dat aan de bezem bleef plakken, was goud waard. Met razendsnelle handbewegingen wikkelden de vrouwen de ragfijne draad af. Anderen namen de draden samen en twijnden ze tot ze sterk genoeg waren om later de meest delicate stoffen van te weven. Ik wilde van de boot af, van dichtbij kijken hoe ze dat deden, praten met hen en me verbazen over hun wonderlijke tongval. Ik wilde kijken en leren en helpen en vooral doen. Maar mijn vader zei me dat ik geduld moest hebben. Er was nog tijd genoeg. Er was tijd in overvloed. Het leven was lang.

Wanneer hij in mijn ogen keek, bestond alleen ik

(Fragment uit ‘Zijdeman’, dat eind januari verschijnt. Dit is de stem van de 11-jarige Louis)

In de Rue des Boulets staat een boom. Een witte moerbei.
Het is de volmaakte boom. De enige die ik nodig heb. Hij staat bij een landhuis, achter in de tuin, maar ik kan erbij. Er zit een gat in de haag, helemaal onderaan. Net groot genoeg om mij erdoor te laten. Wie het niet weet, ziet het niet.
Het is bijna te mooi om waar te zijn.

De moerbei, Vincent Van Gogh (1889)
De moerbei, Vincent Van Gogh (1889)

Eerst herken ik hem niet. Hij lijkt me een boom als alle andere bomen. Maar wanneer ik op een oktoberochtend langs de enorme tuin loop, laat de boom zijn bladeren los. Ik loop eronder en het begint te regenen. Geen water, maar bladeren. Een regen van gele bladeren. Ik kijk omhoog tot ik duizelig word van het geel dat op me af dwarrelt. Wel een uur blijf ik staan. Tot de boom kaal is. Ik sta in een enkelhoog geel tapijt. Er is geen zuchtje wind.
Nu weet ik het zeker.
Mijn vader heeft het me verteld. Weet je, Louis, zei hij. Weet je dat er maar één boom op de hele wereld is die wacht tot de vrieskou geweken is? Hij wacht tot het laat in de lente is. Pas dan gaan zijn bladknoppen open. Zo weet hij zeker dat de vrieskou ze niet kapot laat gaan. En in de herfst houdt hij zijn bladeren lang vast. Hij wacht op de eerste vriesnacht. Als die nacht voorbij is, laat hij al zijn bladeren in één keer los. Kijk, Louis, zo ziet de witte moerbei eruit. En hij liet me plaatjes zien en wees op de knoestige stam en op de takken. Kijk eens, Louis, hoe dicht ze bij elkaar staan. Hoe ze door elkaar lopen.
En terwijl hij vertelde over het blad dat de vorm van een hart had en me wees op de gekartelde randen, prentte ik de tekening in mijn hoofd om nooit meer te vergeten. Maar misschien keek ik nog meer naar mijn vader. En wilde ik hem zijn. Wanneer hij vertelde over een boom, dan was er alleen maar een boom. Wanneer hij in een boek las, dan was er alleen maar dat boek. En wanneer hij in mijn ogen keek, dan bestond alleen ik.
Zo was mijn vader. Wat zeg ik? Zo ís mijn vader. Zo helemaal anders dan mijn moeder of Camille. Hun ogen zijn vlinders. Ze praten met mij en hun blik glijdt weg. Ze kijken naar mij, maar nooit langer dan zes seconden. Ik tel het soms en weet precies wanneer ze zullen wegkijken. En drie of vier seconden later kijken ze weer naar mij. Voor even. Ik weet dan nooit of ze me echt hebben gezien. Ik weet zeker dat ze veel dingen zien, allebei. Maar veel is te veel.
Ik zie minder, maar hoe ik zie. Niemand weet hoe ik de dingen zie. Hoe scherp ze soms zijn. Hoe diep ze lijken. Hoe hard ze aan me trekken, alsof ze licht geven en handen hebben.
Ik zou het niet anders willen.
Ik zou het niet anders kunnen.

Ik heb het onthouden. Ik heb alles onthouden wat mijn vader me heeft verteld.
De witte moerbei is een boom, slimmer dan alle andere.
Ik houd mijn armen open en vang de laatste vallende bladeren op. Ze hebben een gekartelde rand. En de vorm van een hart. Dit moet een witte moerbei zijn.
Het is echt bijna te mooi om waar te zijn.