Lezen is oefenen in leven

Maakt lezen de wereld beter? Wij, schrijvers, en andere mensen uit het boekenvak geloven het graag. Maar klopt het okindjewclezenok?

Deze week mocht ik aan een groep aspirant-leerkrachten Nederlands vertellen hoe ze in de klas aan leesbevordering kunnen doen. Het werd een verhaal over begeestering, over verhalen vertellen die de nieuwsgierigheid prikkelen, verhalen die de wereld groter maken, over voorlezen.

Over hoe bijzonder het is als je de ogen van die ene koppige leerling, die met gekruiste armen en met zijn jas aan achter in de klas verveeld zit te wezen, toch heel even ziet glinsteren. Over hoe je soms je beperkingen moet erkennen en vaststellen dat er ook jongeren zijn die nooit – niet nu, niet morgen, niet over twintig jaar – spontaan een boek zullen oppikken. En dat zoiets misschien jammer, maar niet erg is.

Minstens even belangrijk is de vraag waarom we lezen zo belangrijk vinden. Het zou de wereld beter maken, hoor je vaak, fictie maakt van ons betere mensen. Ik ben op zoek gegaan naar onomstootbaar bewijs voor die aannames. Eerlijk gezegd: ik heb het nergens zo letterlijk gevonden. En misschien maar goed ook, want dat zou betekenen dat we onze niet-lezende medemens degraderen tot Untermensch. Neen,

I love to read
I love to read

Amerikaanse onderzoekers ontdekten iets interessanters: wie fictie leest, scherpt wellicht tijdelijk zijn inzicht in complexe sociale relaties aan. Kijken naar kunst zou een soortgelijk effect hebben. Valt dat vermogen op goede bodem, dan zou de wereld er inderdaad beter van kunnen worden. Maar evengoed kan het de perfecte brandstof zijn voor meester-manipulators.

Maar misschien is fictie lezen vooral een manier om worstelende jongeren handvaten aan te voorlezenreiken. En reken maar dat ze die nodig hebben, vandaag meer dan ooit. Dat was wat ik dacht toen Mark Elchardus de resultaten van zijn recente studie bekendmaakte: jongeren zijn bang. De wereld beangstigt hen, maakt hen onzeker. Dus gooi ik er meteen maar een extra argument pro lezen bovenop, met dank aan de psychologen van de Universiteit van Toronto: wie fictie leest, laat tijdelijk zijn behoefte aan snelle conclusies en instant-oplossingen varen. Met andere woorden: wie leest, kan onzekerheid beter verdragen. Niet verwonderlijk toch? Lezen is oefenen in leven, zonder dat je alle klappen zelf hoeft op te vangen.

(verschenen eerder in De Mening, DS Avond, 8 oktober 2015)

Architectuur tegen zuur

Nieuwjaarskaart van de Vlaamse bouwmeester in 2008: 'Verplaatst uit de prullenmand' van Willem Oorebeek
Nieuwjaarskaart van de Vlaamse bouwmeester in 2008: ‘Verplaatst uit de prullenmand’ van Willem Oorebeek

Er komt – terecht – veel reactie op het afschaffen van de Vlaams Bouwmeester door de nieuwe Vlaamse regering.

Vandaag ventileerden de hoofden van de verschillende Vlaamse architectuuropleidingen hun bezorgdheid en ongenoegen. Ook hier luidt de vrees dat kwaliteitsarchitectuur dreigt te verdwijnen.

Advocate Griet Cnudde, die zich eerder toelegde op de klachten van buurtbewoners over de Sinksenfoor en Tomorrowland, schreef een open brief naar de Stad Gent, waarin ze de heraanleg van een nieuwe verkeersas in Gent aanklaagt. ‘Gent zou het stadscentrum moeten afstemmen op de mensen die er effectief willen wonen, op gezinnen met kinderen en de lokale economie. Niet op iedereen die in de rand gaat wonen om een tuin te hebben.’ Ik vroeg me meteen, zonder ironie, af hoe een verstandige – en voorlopig onbestaande – stadsbouwmeester hier tegenaan zou kijken.

Een stadsbouwmeester, maar vooral ook de Vlaams Bouwmeester, is er om buiten de hokjes te denken. Zijn taak gaat veel verder dan gebouwen ontwerpen die mooi en tegelijk functioneel zijn. Er zit visie achter. Het gaat over mensen, over samenleven en verbinden. Dat is geen halfzacht gewauwel, maar nuchtere realiteit.

Filosoof en econoom Philippe Van Parijs vertelde me ooit tijdens een interview dat we meer dan ooit nood hebben aan verdraagzaamheid. Dichter bij elkaar wonen, en zo ziet de toekomst er nu eenmaal uit, betekent voortdurend rekening houden met de ander: erover waken dat we zelf niet al te veel storen of choqueren, maar ons ook niet te snel gestoord of gechoqueerd voelen door wat een ander doet. Hij zag veel heil in ‘zoning’, expliciet verschillende stadsfuncties toekennen aan elke wijk, zodat bewoners duidelijk weten wat ze mogen verwachten. Minder ergernis, minder zuur, meer solidariteit en sociale cohesie: dat is het doel. Of met de woorden van Van Parijs: ‘Dat is ons sociale kapitaal en het is van levensbelang.’ Zijn vrees was deze: dat stedelijke overheden alleen nooit zouden kunnen voorkomen dat rijkere mensen wegtrekken uit de stad, zodra hen iets niet bevalt. Een gezonde sociale mix is noodzakelijk voor een gezonde samenleving. En daarvoor heb je een consequent gevoerd beleid nodig in het hele land. Een sterke federale staat, met andere woorden.

Wat een gouden kans voor de nieuwe federale regering, die we hopelijk binnenkort zullen hebben: de kans om de blunder van de Vlaamse regering goed te maken door een federaal Bouwmeester aan te stellen. Vis al dat talent dat nu wandelen gestuurd wordt op en verdubbel hun vleugelslag. Dat vraagt uiteraard moed, en de bereidheid om verder te denken dan ambtstermijnen. Leve de lefgozer die dat aandurft.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Zou u baby Hitler doden?

Igor strelkovOnlangs kreeg ik zijn foto voor het eerst onder ogen: Igor Strelkov, militair leider in Donetsk. Geen doetje, zo blijkt uit alles wat over hem geschreven wordt, want betrokken in oorlogen in Bosnië, Tsjetsjenië, Transnistrië en misschien zelfs Syrië. Kil en berekend en – zacht uitgedrukt – niet malend om een mensenleven meer of minder.

Foto’s van kille doders trekken altijd mijn aandacht. Ik blijf ernaar kijken, gefascineerd door de ogen van het kwaad, in de hoop iets te kunnen doorgronden in die blik. Maar al wat ik zag was een pafferig gezicht met nietszeggende ogen. Het vreemde was dat ik wel meteen een idee had van hoe hij er als kind moet hebben uitgezien: de ontevreden baby is nooit helemaal verdwenen.

En dan de gedachte: stel dat hij elders was opgegroeid, stel dat hij anders was opgevoed, zou hij een ander mens geworden zijn? Want hoezeer de neurologie tegenwoordig het hoge woord voert, we weten lang niet alles over de menselijke psyche. Nature and nurture: ik geloof rotsvast dat ze hand in hand gaan.

hitler babyHet doet me denken aan een pertinente vraag, een moreel dilemma dat zelfs onderwerp van wetenschappelijk onderzoek werd: zou u baby Hitler doden als u de kans kreeg, wetend wat we vandaag weten, en met de verzekering dat het nooit zou zijn uitgekomen?

Het lijkt verdedigbaar: een kind doden om miljoenen mensenlevens te redden. Er zou – misschien – geen Holocaust geweest zijn. Israël zou nooit opgericht zijn. Er zou geen oorlog in Gaza zijn. Maar gaan we er dan niet aan voorbij dat het Duitsland van de jaren ’30 klaar was voor eender welke sterke man, die misschien dezelfde weg was gegaan als Hitler?

En los daarvan: zou u het kunnen, een kussen op het gezicht drukken van een baby die nog onschuldig is? Het is een vraag die de Britse psycholoog Kevin Dutton, schrijver van De lessen van de psychopaat, aan een heleboel mensen stelde. Zijn conclusie: enkel diegenen met psychopathische persoonlijkheidskenmerken maken de nuchtere berekening en zeggen ‘ja, het is verantwoord’. Meteen legt hij de link met de harde beslissingen die wereldleiders zo vaak moeten nemen: zonder trekken van de psychopaat zouden ze het nooit over hun hart krijgen iemand naar de oorlog te sturen.

Toen ik de vraag voorlegde aan een goede vriendin, zei ze: ‘Niet doden! Ik zou hem knuffelen en veel liefde geven, en hopen dat het goedkomt.’ Meteen wist ik weer waarom ze een goede vriendin is. In de ogen van sommigen onmogelijk naïef, zonder twijfel. En wereldleiders zullen we nooit worden. Lach maar. We zijn het soort mensen die de wereld hopen te redden met knuffels en liefde. Noem ons preventiewerkers. Het helpt alleen als je er op tijd mee begint: in de wieg.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Veilige schijnwereld

Het is vaak een verscheurend dilemma voor de mens in kwestie, maar ook voor de naaste familieleden: wanneer is het geoorloofd iemand te laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis?

alone-black-and-white-girl-photography-favim-com-319389Soms lijkt het de enige uitweg, omdat de druk voor het thuisfront ondraaglijk geworden is. Omdat de voortdurende angst dat iemand ‘zichzelf iets zal aandoen’ elke andere gedachte platslaat, omdat de angst en de zorgen het leven hebben overgenomen, waardoor een normaal bestaan een luxe lijkt die alleen voor anderen is weggelegd. De energie stroomt bij beekjes weg, en om de knoop door te hakken richten we de blik op wie het beter lijkt te weten: dokter, psycholoog, psychiater.

En dan is het zover: de gekwelde komt in een parallelle wereld terecht. Steriel en vreemd, en daardoor beangstigend. Duidelijk en afgeschermd van de werkelijke wereld, en daardoor veilig. De familie balanceert tussen opluchting om de weergekeerde rust en schuldgevoel. ‘Maar toch, echt, we konden niet anders. Het is waar, hé? We hebben er goed aan gedaan, ik weet het zeker.’

De duur van een opname in een psychiatrische kliniek ligt lager dan tien jaar geleden, maar is nog steeds te lang, schrijft deze krant vandaag. Dat is kwalijk. Toegegeven: soms is een tijdelijke opname nuttig en zelfs noodzakelijk. Maar een te lang verblijf kan een mens veranderen van iemand met psychische problemen in een psychiatrisch patiënt: door de gangen sloffen, glazige blik in de ogen. Deskundigen noemen dit het ‘hospitalisatiesyndroom’: het emotionele leven zwakt af, sociale contacten verwateren, de aanvaarding gaat over in apathie, de eigenheid verdwijnt in een systeem van geforceerde verzorging. Wanneer ook de familieleden, die in de loop van de jaren tegen wil en dank ervaringsdeskundige geworden zijn, buitengesloten worden – en dat gebeurt soms – dan wringt het.

Wie lang in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, dreigt zich te nestelen in het comfort van een schijnwereld. Het hier en nu is veilig, het straks en elders wordt gaandeweg bedreigender. De kans op herintegratie in de samenleving en een job worden kleiner naarmate het verblijf langer duurt.

Hoe vroeger iemand naar huis kan, des te beter dat in principe is. Maar laat dit duidelijk zijn: het kan alleen als de patiënt en zijn familie de nodige ondersteuning en begeleiding krijgen. Misschien kan intensieve thuisbegeleiding worden ingebed in een overgangsperiode naar het ‘normale’ leven. Maar laat vooral ook de mantelzorgers niet in de kou staan: hun veerkracht is vaak al jarenlang zwaar op de proef gesteld. Zij hebben recht op hulp en ondersteuning. Financieel, inhoudelijk en emotioneel.

Geluk belangrijk vinden toon je niet door wc-spreuken en andere wijsheden te verspreiden, maar door elke kans te grijpen om – ook al is het moeilijk – concrete stappen te zetten in de richting van een gelukkigere samenleving.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Sven Gatz, we hebben vertrouwen in u

Het is een traditie, folklore bijna, hoe de culturele sector steigert zodra de naam van de Vlaamse minister voor Cultuur bekend is.
Naamgrapjes, een instant kruisverhoor (hoe lang is het geleden dat u een toneelstuk gezien hebt? hoe heet de laatste roman die u las? kunt u voor de vuist weg vijf belangrijke hedendaagse schilders van bij ons opsommen?). Het is altijd een beetje spitsroeden lopen voor mevrouw of meneer de minister. Het gaat van monkelen, over dedain tot ergernis.

Maar het moet gezegd: de indruk leeft dat Cultuur als een ministerpost light wordt beschouwd. En ook dit moet gezegd: soms woog de minister in kwestie ook te licht voor de post. Daar wordt niet mee gelachen. Of juist wel, heel hard. Herinner u de jarenlange hoon die de arme Bert Anciaux te beurt viel toen hij het per abuis over De nachten van Gerard Reve had.

sven-gatzWat een verademing was het om te merken hoe cultureel Vlaanderen reageerde op de aanstelling van Sven Gatz als Vlaams minister voor Cultuur, Media en Jeugd. Het was van Patrick Dewael geleden dat er zo’n welwillende wind door de gelederen waaide. In het slechtste geval was er sprake van milde onverschilligheid, in het beste geval werd de aanstelling ronduit toegejuicht. Een ketje op Cultuur: het klinkt alleszins sympathiek.

Het hing nochtans aan een zijden draadje. Het had Noël Slangen kunnen zijn, evenzeer een interessante keuze, want hij is de man die ooit schreef dat cultuur als vanzelfsprekend in iedere vezel van ons leven aanwezig zou moeten zijn. Een ongelukkige timing besliste er anders over. Een gelukkige timing voor Gatz. Voorlopig tenminste. Want nu moet hij het waarmaken.

De kersverse minister oogt nog een beetje beduusd. Hij beseft zeer goed dat er verhoudingsgewijs veel kritisch volk rondloopt in de kunsten en de letteren. Het zal hem onvermijdelijk dwingen scherp te blijven en nooit onbeslagen op het ijs te komen. Maar hij krijgt krediet.

Laten we het snuiven inhouden. Laten we wachten met schamperen tot er iets te schamperen valt. En laten we vooral hopen dat er nooit reden toe zal zijn.

Hoort u het, mijnheer Gatz? We hebben vertrouwen in u. En de menselijke traditie leert ons dat wie vertrouwen krijgt dat zelden beschaamt. U lijkt ons menselijk, dus dat zit wel goed. We hebben er bijgevolg ook vertrouwen in dat u de menselijke traditie niet zult doorbreken.

Zoveel vertrouwen om niet te beschamen: als dat geen eer is.

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

Hoop, schoonheid en troost

We zijn in de greep van de machteloosheid.
Hoe wreed het leven kan zijn voor een kind in Gaza of in Syrië. Hoe wreed het bij uitbreiding is voor hun ouders en al wie hen graag ziet. Hoe wreed het is als er niemand meer is die hen graag kan zien. Of betreuren.
We staan erbij en we kijken ernaar.
We ondertekenen petities. Dat het moet stoppen, dat het Palestijnse volk rust, vrede, ruimte en respect gegund moeten worden. Een leven dat die naam waard is. Dat een economische boycot van Israël zich nu meer dan ooit opdringt.
We piekeren over manieren om onze betrokkenheid vorm te geven. Het uitschreeuwen, een gedicht schrijven, gruwelijke foto’s bekijken, lezen wat anderen schrijven, huilen.
We veranderen profielfoto’s op Facebook. Een Palestijns jongetje te midden van het puin. Of, ja, gewoon een snapshot met de zon in de haren en de ogen, en een glas wijn.
Sommigen ergeren zich aan de banaliteit van ergernissen, aan de trivialiteit van gesprekken, aan het lichtzinnige van blijheid. Aan de manier waarop anderen omgaan met wereldellende, of er niet mee omgaan.
Onverschilligheid! roept de een.
Emoterreur! kaatst de ander terug.

En toch.

We blijven foto’s van baby’s en katten posten op Facebook.
We blijven ons ergeren aan kleine agressiviteit en onbeschoftheid – hoe is het verdomme mogelijk dat mensen aan de deur van een wc rukken zonder vooraf even geklopt te hebben en wedden dat het die zelfden zijn die straks hun remspoor niet zullen verwijderen?
We maken afspraken met de kapper – niet te kort! – proberen kattenkots uit het tapijt te krijgen en vragen ons af wat we vanavond zullen eten.
We kijken naar de avondlucht, prijzen ons gezegend dat we in een land met steeds wisselende wolkenhemels leven, en voelen ons even zielsgelukkig.
We spreken af met vrienden, drinken wijn, praten diep en licht, en lachen lang in de zomernacht.
Willy Ronis - vincent_5ans_1945We zoeken troost in schoonheid, altijd weer.
Ik vond die troost onlangs in een minder bekende foto van de Franse fotograaf Willy Ronis. Een zijdelingse blik op een jongetje van vijf dat zijn naam leert schrijven. Vincent. De foto ontroerde me. Het had te maken met de overgave en de concentratie van het kind. Met het betoverende licht ook, het contrast tussen helder en donker. En met het jaartal: 1945. Vincent was een oorlog oud.

Heel even legt de hoop de machteloosheid het zwijgen op.

 

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)