Wij zijn geen haar beter dan de middeleeuwer (en dat is geen belediging)

Ooit was ik verzot op historische films en series. Intussen heb ik dat plezier zelf een beetje verbrod, besef ik. Wie al jarenlang met zijn neus in historische non-fictie zit, in een poging deugdelijke historische fictie te schrijven, wordt overgevoelig voor clichés en veralgemeningen.

‘Kroniekschrijvers zijn als sensatiejournalisten: ze verkiezen de spectaculaire misdaad en misstap boven het gelukkige gezin’, zo klinkt het bij Walter Prevenier in ‘Prinsen en poorters’. Ook Barbara Tuchman hamert erop hoezeer de geschiedschrijving de geschiedenis vervalst. Geschiedenis is als het nieuws: het slechte wordt overbenadrukt, zodat we de indruk krijgen dat mensen – zeker in de middeleeuwen – altijd in angst en ellende leefden, en alleen wij in het hier en nu het goed hebben. Goh goh, kijk eens hoever we gekomen zijn. Maar rust is geen nieuws, geluk is het vermelden niet waard. Wat werd er opgetekend? Rechtszaken, verdragen, zedenpreken van moralisten, literaire satire, pauselijke bullen. Geen reflectie van de dagelijkse werkelijkheid, waarin mensen volharden in de normaliteit. Tuchman formuleert, niet zonder ironie, wat ze de wet van Tuchman noemt: ‘Het vastleggen van een gebeurtenis vermeerdert ogenschijnlijk de omvang van elke betreurenswaardige ontwikkeling vijf- tot tienvoudig (of met elk ander cijfer dat de lezer wenst in te vullen).’

De middeleeuwer liep niet permanent met zijn zwaard in het rond te zwaaien, klaar om iedereen die vuil naar hem keek een kopje kleiner te maken en en passant nog een paar gillende deernen te verkrachten. De  straten waren niet donker en grijs en deprimerend, want middeleeuwse stedelingen waren verzot op kleuren, hoe meer hoe liever. En wellicht was niet iedereen even tuk op de publieke terechtstellingen, waar men zogezegd massaal naartoe trok, spuwend en scheldend, met van haat vertrokken gezichten. Ik geloof er steeds minder in. Ja, publieke terechtstellingen bestonden. Ja, er waren mensen die reageerden zoals hierboven beschreven. Maar zij waren de ramptoeristen van hun tijd. En net zoals er vandaag mensen zijn die opleven van de miserie van een ander en anderen die huiveren bij de gedachte aan menselijke ellende, zo bestond dat onderscheid ook vroeger.

Christine de Pizan onderwijst haar zoon Jean

De vrouwen dan. Die waren in de late middeleeuwen een stuk slechter af dan in de hoge middeleeuwen, paradoxaal genoeg door de opkomst van de universiteiten die enkel toegankelijk waren voor de (mannelijke) geestelijkheid. De vrouw boerde achteruit inzake status en vrijheid. Het is dus niet zo dat we sedert het begin der tijden alleen maar een opwaartse lijn gekend hebben. Er waren terugvallen, zoals deze. Al moet gezegd dat Vlaamse vrouwen zich merkelijk vrijer konden bewegen – ook op zakelijk vlak – dan vrouwen elders in Europa. Reizigers uit andere landen keken er met verwondering tegenaan, zo blijkt uit een aantal verslagen.

Uit ‘Omne bonum’, James le Palmer

We hoeven ons niet mijlenver moreel verheven te voelen boven de middeleeuwer, wij zijn geen haar beter en geen haar slechter. We zijn wel kinderen van onze tijd. In één opzicht verschilde de middeleeuwer – aldus Tuchman – fundamenteel van de gemiddelde westerse mens van vandaag: de overtuiging dat het leven van de zielen in het hiernamaals superieur is aan het heden en aan het stoffelijke leven op aarde. ‘Het leven is nu, pluk de dag!’ Geen middeleeuwer zou het in zijn hoofd gehaald hebben zoiets te denken, laat staan uit te spreken. Het gebruik van de zinnen werd verworpen in het geloof, maar in de praktijk bleek dat een stuk moeilijker. De economische en de sensuele mens laten zich in geen enkel tijdperk en in geen enkel religieus of ideologisch systeem helemaal onderdrukken.

Daar denk ik aan, terwijl ik voorzichtig verder balanceer tussen non-fictie en fictie, vechtend tegen de onzekerheid, omdat ik weet dat ik op mijn beurt geheid vertekeningen van de historische werkelijkheid zal maken.
Ik neem me wel dit voor: gruwel en domheid niet langer van het etiket ‘middeleeuwse toestanden’ te voorzien. Eerherstel voor de middeleeuwer, jazeker.

Het echte verhaal achter Halloween

Nog maar twintig jaar geleden was Halloween iets wat we alleen uit Amerikaanse films kenden. Een soort griezelcarnaval voor kinderen, die op de avond van 31 oktober, verkleed als boze heks of geest, van deur tot deur gaan om snoep te eisen.
De wind waaide vanuit Amerika hierheen, denken we. Ja en nee. Want het begon wel allemaal in Europa.

Halloween heeft dezelfde oorsprong als een van de grote sabatten van de moderne heksen: Samhain, op de avond van 31 oktober. Het is het einde van de oogst en het begin van het nieuwe heksenjaar. Ooit was het een oud Keltisch vuurfeest, het ‘eind van de zomer’. Vooral in Engeland, Ierland, Schotland en Wales werd het twee- tot drieduizend jaar geleden volop gevierd.

Samhain was een magische dag. Volgens de legende hing de zon dan op zijn laagst en kon ze zelfs binnendringen in de onderwereld. De sluier tussen de wereld van de levenden en die van doden was dan op zijn dunst. Hij was zelfs zo dun dat de geesten konden ontsnappen uit de onderwereld en zich onder de levenden mengden. Iedereen herdacht de mensen die het voorbije jaar gestorven waren. Als het een beetje meezat, konden hun geesten je het komende jaar geluk brengen. Maar voor hetzelfde geld brachten ze niets dan ellende. Rustig afwachten wat het zou worden, was geen goed idee. Je moest de geesten vooral niet storen, en ze in zekere zin een beetje verwennen.
Om te beginnen doofde iedereen zijn kaarsen en haardvuur thuis, want te veel gezelligheid zou boze geesten kunnen lokken. Geesten die er alleen maar op uit waren het lichaam van een levende in bezit te nemen. Want dat was hun enige hoop op eeuwig leven.

De vuren bij de mensen thuis werden vervangen door één groot vuur buiten, dat door druïden werd aangestoken. Over die vuren doen wilde verhalen de ronde. De Kelten zouden vee dat niet gezond genoeg was om jongen te krijgen in het vuur geofferd hebben. Hier en daar wordt gefluisterd dat ze ook mensen offerden. Maar zeker weten we dat niet. Net zomin als we weten of het klopt dat de druïden nadat het vuur gedoofd was de beenderen van de dieren ‘lazen’ om de toekomst te kunnen voorspellen. De beenderen lagen namelijk altijd in een bepaalde vorm, en elke vorm had een andere betekenis, geloofde men.
Voor het vuur gedoofd werd, stak iedereen zijn toorts aan. Met die toorts mocht het vuur weer naar de eigen haard thuis gebracht worden. Omdat het grote vuur als heilig beschouwd werd, zouden de boze geesten op een veilige afstand blijven. En dankzij dat heilige vuur, zouden de geesten van overleden familieleden gemakkelijker de weg naar huis terugvinden. Voor hén was een warme ontvangst natuurlijk wel belangrijk. Hoe meer je ze in de watten legde, hoe groter de kans dat ze je geluk zouden brengen. Daarom liet iedereen iets lekker achter bij de voordeur. Want als je dat niet deed, zouden de teleurgestelde geesten vast en zeker een gemene streek met je uithalen.

Soms verkleedden mensen zich op Samhain. Eerst deden ze dat vooral om boze geesten om de tuin te leiden. Als ze er met hun maskers eng genoeg uitzagen, dan zouden die geesten denken: ‘Dat is er eentje van ons.’ En dan werden ze met rust gelaten. Later ging het verder dan dat. Nog voordat anderen de kans hadden gekregen om lekkers bij de voordeur achter te laten, gingen de verklede mensen aankloppen om te bedelen. Als ze iets kregen, was het goed. Dan werd de bewoners van het huis een mooi jaar voorspeld. Maar als de geesten niets kregen, werden ze boos en vervloekten ze de bewoners. Soms werden er ook eieren en stenen gegooid.
‘Trick or treat!’ is nog steeds de kreet waarmee Amerikaanse kinderen op Halloween snoep proberen los te krijgen.

Een van de christelijke feesten was/is Allerheiligen. Vroeger viel dat in de maand mei. Tegen de negende eeuw verplaatste men Allerheiligen naar 1 november en werd er op 2 november Allerzielen aan toegevoegd, het feest waarop men de doden herdacht. Dat was slim bekeken van de kerk. Men hoopte dat de heidenen het christelijke feest zouden vieren, en hun eigen feest zouden vergeten. Het werkte.
Vanaf dat moment heette Samhain All Hallow’s Eve, de avond voor Allerheiligen. De meeste mensen waren analfabeet, dus de verbastering tot Halloween lag voor de hand.

Halloween was en bleef een magisch feest. Er waren geesten in de buurt, dus moest het wel het ideale moment zijn om voorspellingen te doen over leven en liefde. En daarin speelden appels een belangrijke rol.
Appelhappen was een populair spel op Halloween. Onder trouwlustigen in ieder geval. Die moesten met de handen op de rug rond een ruime teil water gaan staan, waarin appels dreven. En dan was het happen geblazen. Wie er het eerst in slaagde in een appel te bijten, zou het eerst trouwen.
Een levensvoorspelling kon je doen door een appel te schillen. Zo lang mogelijk schillen zonder dat de schil afbrak, was de opdracht. Hoe langer de schil, hoe langer je zou leven. Meisjes gooiden een appelschil over hun linkerschouder om te weten met welke man ze zouden trouwen. In de vorm van de gevallen schil konden ze met wat geluk de eerste letter van zijn naam zien. Als ze konden lezen, tenminste.

Appels mochten het dan goed doen, toch is niets typischer voor Halloween dan een uitgeholde pompoen. Een grote oranje bal met een akelige grijns en een lichtje erin. Dat begon allemaal heel lang geleden in Ierland met de legende van Jack de Vrek.

Jack was een akelige man. Gierig en onbetrouwbaar. Toen hij op de avond van 31 oktober iets dronk in de plaatselijke herberg, verscheen de duivel. Hij vertelde Jack dat zijn tijd gekomen was, dat hij zijn leven achter zich moest laten. Jack wilde hier niets over horen. Sterven? Geen denken aan. Hij smeekte de duivel om genade. Zou hij nog één drankje mogen bestellen? De duivel, blijkbaar de kwaadste niet, stemde daarmee in. En toen bleek dat Jack geen geld meer had om te betalen. Hij stelde de duivel voor dat die zich zou veranderen in een geldstuk, waarmee Jack de herbergier zou betalen. Meteen daarna kon de betovering ongedaan gemaakt worden. De duivel, die blijkbaar ook de slimste niet was, stemde weer in. Hij veranderde zichzelf in een geldstuk, maar Jack was op geen enkel moment van plan geweest daarmee te betalen. Hij stopte het geldstuk in zijn geldbeugel, en omdat in die geldbeugel een kruis – een magische grens voor de duivel – gekerfd was, zat de duivel gevangen. Razend was hij. Hij eiste dat Jack hem zou vrijlaten, en wel meteen. Dat wilde Jack wel, op voorwaarde dat de duivel hem tien jaar lang niet meer zou lastigvallen. Jack kreeg zijn zin, de duivel liet hem de volgende tien jaar met rust.
Precies tien jaar later, weer op 31 oktober, liep Jack alleen over een donkere weg. En daar was hij weer: de duivel. Jack vond de gedachte aan doodgaan nog steeds even akelig als tien jaar eerder. Hij smeekte de duivel om een laatste maaltijd. Als hij Jack een appel uit de boom aan de kant van de weg kon bezorgen, zou die hem heel dankbaar zijn. De duivel, met de jaren niet slechter en vooral ook niet slimmer geworden, klom in de boom om een appel te plukken. Nog voor hij weer naar beneden kon klimmen, kerfde Jack een kruisteken in de stam van de boom. Alweer zat de duivel gevangen. Hij huilde van machteloze woede, en weer moest hij Jack een belofte doen. Met tegenzin beloofde hij Jack dat hij nooit meer jacht zou maken op zijn ziel.

Wat ooit moest gebeuren, gebeurde. Een paar maanden later ging Jack dood. Het liefst wilde hij naar de hemel, maar toen hij voor de poort stond, werd hij meteen teruggestuurd. Met het leven dat hij geleid had, maakte hij geen schijn van kans. Naar de hel dan maar. De duivel opende de hellepoort, maar toen hij zag wie voor hem stond, sloeg hij die meteen weer dicht. De hemel wilde Jack niet, en de hel wilde Jack niet. Hij was gedoemd om eeuwig te blijven ronddwalen op de donkere, winderige weg tussen twee werelden: die van de levenden en die van de doden. Jack smeekte de duivel om een lichtje, zodat hij toch iets zou kunnen zien in die eindeloze nacht. De duivel gooide hem een gloeiend stuk kool toe. In zijn hand hield Jack nog een half opgegeten raap. De gloeiende kool paste perfect in de uitgebeten holte. Zijn rusteloze zwerftocht kon beginnen. De mensen die hem soms zagen ronddwalen in het duister noemden hem ‘Jack of the Lantern’. En op Halloween had je het meeste kans om een glimp van hem op te vangen.

Eeuwenlang was er geen sprake van pompoenen met lichtjes tijdens Halloween. Het waren altijd rapen geweest. Tot in 1840. Toen brak in Ierland vreselijke hongersnood uit. Tienduizenden Ieren kwamen om, en nog eens een veelvoud daarvan verhuisde naar Amerika, in de hoop op een beter leven. Hun gebruiken, dus ook Halloween, namen ze mee. Rapen waren er nauwelijks te vinden in Amerika, pompoenen daarentegen waren er in overvloed. Bovendien bleken die door hun ronde vorm en afgeplatte onderkant veel beter geschikt om een lichtje in te zetten. Nu nog noemt men in Amerika een uitgeholde pompoen met een lichtje een Jack-o-Lantern.

(Uit: Kunnen heksen heksen, Kathleen Vereecken, Querido 2002)

We zijn altijd blijven dansen

Bijna acht maanden geleden was het, op Valentijnsdag, dat hij zijn nieuwe woonst betrad. Verward en onzeker. Maar tegelijk vriendelijk en hoffelijk tegen iedereen, zoals we hem altijd gekend hebben. Vanaf dat moment was het hard wennen. Voor hem, voor haar, voor ons.

Waarom ben ik hier?
Waarom mag ik niet mee naar huis?
Wat heb ik gedaan, waarom zit ik in den bak?
Waar is mama? Wil ze mij niet meer? Is er een ander? Ik denk dat er een ander is. Mama is een mooie vrouw.

We blijven antwoord geven, tien keer, honderd keer. Alsof het de eerste keer is dat hij de vraag stelt. We blijven hem geruststellen.  Dat mama hem graag ziet, en hem alleen. Hij verwart elk klein vrouwtje met witte haren met zijn vrouw. Loopt er achteraan. Wil met haar praten. Soms krijgt hij een boze reactie, en verbaast hij zich over mama die ineens met een andere stem praat. Soms valt zijn toenadering wel in goede aarde.
Wanneer zij op een dag op bezoek komt, zit hij hand in hand met een wit vrouwtje dat hij kunnen troosten heeft. Zij schrikt, maar zegt dan moedig dat ze het mooi vindt.

Troosten en steunen. Hij was kampioen troosten en steunen. De rots in de branding, altijd sterk en rustig en gelijkmoedig. Haar held, mijn held. En zij was zijn prinses. Voor haar ging hij door het vuur. Altijd en overal nam hij het voor haar op, ook tegenover ons. Zozeer dat we het soms onredelijk en  onrechtvaardig vonden. Maar hij deed het omdat hij haar graag zag.

Dat hij het erg vindt dat hij dat niet meer kan, zorgen voor haar. Dat zegt hij op zijn heldere dagen. Hij zegt wel meer dingen op zijn heldere dagen. Dingen waar we zo triest van worden dat ik er niet in slaag ze hier te herhalen.
Maar nu is er een lichtpuntje. Zij verhuist over enkele weken naar een appartement in het gebouw waar hij woont. Ze komt weer dichterbij.

En nu ruimen we hun leven dus op. Om beurten. Kleine beetjes, want elk voorwerp roept herinneringen op, en dan lukt het niet meer.
Ik haal een boekenrek leeg.

De verovering van het luchtruim, Artis Historia.
Dat was van hem, als kind.
Een boek over architectuur.
Dat was van hem, toen hij ingenieur was.
Een boek over de Himalaya.
Wat hebben we toch mooie dingen gezien samen.

Ze verdwijnt naar de woonkamer. Even later klinkt Frank Sinatra door het hele appartement. Zo luid, alsof hij daar live voor haar staat te zingen. Ik ploeter verder door de boeken.
Na een halfuur crooners loop ik naar de woonkamer. Ze ligt in de comfortabele stoel achterover, met haar ogen gesloten. Ze hoort me binnenkomen, opent haar ogen en glimlacht. Dat ze geweend heeft, en dat het haar deugd gedaan heeft. Dat ze altijd graag dansten samen. Echt, zegt ze, we deden dat tot op het laatst, samen dansen.
Het is waar wat ze zegt. Ik zag hen dansen op ons trouwfeest, twee jaar geleden nog maar.

Straks woont ze weer dichtbij hem. Misschien zet ze op een dag Frank Sinatra op, en dan hoop ik dat ze weer samen dansen.