Rousseau: een wandelende paradox

Jean-Jacques Rousseau liet zijn vijf kinderen in de steek. Kathleen Vereecken wekte in 2009 een van hen tot leven in haar bekroonde jeugdroman ‘Ik denk dat het liefde was’. Voor DSL doet ze het verhaal van haar fascinatie voor een kinderverlater met vedettenstatus.

Vraag me niet hoe fascinatie geboren wordt. Het is meer dan aantrekking. Er zit verwondering in, verbijstering soms. Maar vooral nieuwsgierigheid.

Jean-Jacques Rousseau
Jean-Jacques Rousseau

Wat een geluk dat mijn dochter haar tanden enkele jaren geleden stukbeet op de leerstof geschiedenis. Die vervloekte verlichtingsfilosofen! Samen doorploegden we de levens en werken van Voltaire,
Hume, Locke, Kant, Diderot en Jean-Jacques
Rousseau. Een romantische natuurliefhebber, die zinnige dingen vertelde over de opvoeding van kinderen, zo wandelde hij door mijn hoofd. Toen ik mijn vage herinnering aan de koele feiten wilde toetsen, botste ik op het onwaarschijnlijke verhaal dat de man die zo beroemd geworden was met Emile, ou de l’éducation zijn vijf eigen kinderen te vondeling had gelegd. De adrenalinestoot die ik toen voelde, was dermate heftig dat hij me eerst de verwensing ‘smeerlap’ ontlokte. En de vraag: ‘Waarom?’ En meteen daarna de kreet: ‘Een boek!’ Wat als ik een van die vijf kinderen tot leven zou wekken in een roman, om zo zijn beroemde vader van antwoord te dienen? Over de vijf kinderen was nauwelijks iets bekend. Niet eens of het jongens of meisjes waren. Alleen het eerstgeboren kind had een kenteken in de kleertjes meegekregen: een kaart met een symbool, waarvan Rousseau zelf een kopie had bijgehouden. Et voilà, Leon was geboren.

Voltaire
Voltaire

Een jaar lang zou ik vooral lezen: van
Rousseau, over Rousseau. Al snel ontdekte ik dat de man niemand onberoerd liet. Er zijn talloze hagiografieën verschenen, maar ook boeken waarin geen spaander van Rousseau heel gelaten wordt, zoals ‘St. Jean-Jacques
Rousseau’.

De mens, de schrijver en de mythe’ van Jacob H. Huizinga. Huizinga citeert gul de grote geesten met wie Rousseau in aanvaring kwam, en ik laafde me eraan met een bedenkelijk soort gretigheid, want heftige verontwaardiging zoekt – vooral wanneer ze pril is – naar bevestiging. Zo zou Voltaire Rousseau ooit beschreven hebben als een ‘boosaardige schurk, monster van ijdelheid en laaghartigheid’. Voor alle duidelijkheid: de twee hebben elkaar nooit ontmoet, en enige jaloezie omwille van
Rousseau’s vedettenstatus – hij was vooral bij vrouwen waanzinnig populair na de verschijning van zijn brievenroman ‘Julie ou la nouvelle Héloise’; een lachwekkend boek, volgens Voltaire – zal misschien meegespeeld hebben. Voltaire was immers, als we de petite histoire mogen geloven, een echt haantje.

Monster

Maar ook zijn eerdere vrienden trokken fel van leer tegen Jean-Jacques. Diderot – ooit een innige vriend – noemde hem ‘vals, zo ijdel als satan, ondankbaar, wreed, huichelachtig en boosaardig’. En Hume zag Rousseau na het beëindigen van de vriendschap als ‘een monster dat zichzelf als centrum van het heelal beschouwt’. Aan de hand van talloze voorbeelden illustreert Huizinga hoe wispelturig de schrijver-filosoof was. Hoezeer hij erin slaagde te charmeren met zijn intelligentie en verrassende inzichten, en te schofferen door zich voortdurend als onbegrepen slachtoffer te gedragen. Hoe hij sneller van mening veranderde dan van onderhemd en hoe hij gebukt ging onder allerlei al dan niet ingebeelde kwalen. Uiteraard komt ook de verlating van zijn vijf kinderen aan bod. De manoeuvres en manipulaties, waarmee hij de laaggeletterde Thérèse Levasseur, moeder van zijn kinderen, paaide. De brieven en fragmenten uit zijn ‘Bekentenissen’, waarin hij zijn daad toegeeft en meteen goedpraat. De kinderen wegdoen was de enige manier om de eer van een ongehuwde vrouw te redden, luidde het. Het zou zijn integriteit als mens en schrijver in het gedrang brengen, want hoe zou hij kunnen schrijven op een lawaaiige zolder? Hij zou een miserabel baantje moeten zoeken. Bovendien zouden zijn kinderen beter af zijn bij een pleeggezin op het platteland, waar ze een fors gestel zouden kweken en een gelukkig, vervuld leven leiden als boer of ambachtsman. ‘Ik wou dat ik op hun manier was grootgebracht,’ voegde hij er zonder ironie aan toe.

Onuitstaanbaar en intrigerend

Verbijstering, nog steeds. Want hoezeer de gidsen in Montmorency de daad van Rousseau ook vergoelijken, het feit dat de onthulling door Voltaire zoveel stof deed opwaaien, suggereert dat kinderverlating voor een man van stand helemaal niet zo gebruikelijk was. emile_cover
Rousseau was niet arm en niet dom. Hij wist dat 65 vondelingen op 100 stierven in hun eerste levensjaar. En dat slechts een op twintig de volwassenheid haalde. Hoezeer hij ook een hoge borst opzette en beweerde dat zijn geweten zuiver was, toch sijpelde het schuldbesef af en toe door. Zoals toen hij in Emile schreef: ‘Armoede, werkdruk, foute maatschappelijke vooroordelen, geen van allen kunnen ze een man ontslaan van zijn plicht, die eruit bestaat zijn eigen kinderen te ondersteunen en op te voeden. Als een man met normale gevoelens deze heilige plichten verwaarloost, dan zal hij ervoor betalen met bittere tranen en nooit getroost zijn.’ Een citaat dat Huizinga verzwijgt, maar dat wel vermeld wordt in de veel evenwichtigere biografie van Leo Damrosch, Rousseau. Restless genius, die recent ook in Nederlandse vertaling verscheen.

Zonder de moeilijke kanten van Rousseau te minimaliseren, schetst Damrosch het portret van een geniale denker, die met werken als Emile en Het maatschappelijk verdrag ons denken blijvend veranderd heeft. Onuitstaanbaar en intrigerend. Een wandelende paradox, in elk aspect van zijn werk en leven. Een droom van een romanpersonage, al is het vanaf de zijlijn. Niet dat hij daar blij mee zou geweest zijn. Want – paradox! – ook al schreef hij ze zelf, hij haatte boeken. Al zou hij vooral over die zijlijn struikelen, vermoed ik zo.

(verschenen in De Standaard der Letteren op 29 juni 2012)

Mijn vijf tips om writer’s block te overwinnen

rodin writer's blockOf misschien moet ik preciezer zijn: dit zijn vijf gedachten die mij ooit geholpen hebben toen ik vast kwam te zitten tijdens het schrijven. Ik verkondig geen absolute waarheden, ben de grootst mogelijke voorstander van schrijfvrijheid en besef goed dat eigenzinnigheid even hard aan schrijvers kleeft als creativiteit. Dus, fijn als u er iets aan hebt. En mocht dat niet zo zijn, weg ermee.
Maar vooral: voel u vrij om dit verhaal aan te vullen!

Originaliteit is niet het hoogste goed.

Over een onderwerp schrijven waarover nooit eerder geschreven werd: als het zich vanzelf aandient, kan het geweldig goed uitpakken. Maar als het een doel op zich wordt, is het resultaat meestal teleurstellend en geforceerd. Er is vast nog nooit iets geschreven over een promiscue cavia met schaamluis, die een trip naar de maan plant, maar de vraag is of dat ook een interessant boek oplevert.
Ik weet intussen dat ik moet luisteren naar – ik weet het, het klinkt een beetje hoogdravend – het heilige vuur. De gedachte die erin slaagt dat aan te steken, is de gedachte die misschien wel in een boek uitmondt. Ook al is het thema al eerder behandeld. Stel je voor dat we nooit meer over oorlog of de liefde mochten schrijven.

Elke reisdag invullen hoeft niet, maar de eindbestemming kennen helpt.

Ooit ging mijn enthousiasme met mij op de loop, bij het begin van elk boek. Ik had het al in mijn kindertijd. Als kind schreef ik voortdurend boeken, maar raakte nooit verder dan de eerste twee hoofdstukken. Ik schoot met een rotvaart uit de startblokken, om al snel weer stil te vallen. Want hoe zou mijn verhaal nu verder moeten? Daar lag trouwens alweer een nieuw idee glanzend te lonken. En nieuw is altijd leuker.
De eerste keer dat het stilvallen me overkwam in mijn ‘echte’ schrijversbestaan, raakte ik in paniek. Ik kreeg maandenlang geen letter meer op papier. Dus, geheel tegen mijn natuur in, besloot ik vanaf dan de dingen planmatig aan te pakken. Ik maakte een ruwe schets van mijn boek. Ik kende het begin en ik wist hoe het einde eruit zou zien. Er waren ook een paar interessante haltes onderweg, die ik niet wilde missen. Het schrijven werd meteen een stuk veiliger en rustiger.
Een ruwe schets biedt houvast, maar ik weet dat ik onderweg kan meanderen, onverwachte zijpaden mag inslaan, naar hartenlust personages en scènes toevoegen of schrappen. Zolang ik mijn eindbestemming maar bereik.

Verandering van omgeving doet schrijven.

Soms werkt het bureau een tijdlang goed, soms de tafel in de woonkamer of keuken, soms de zetel, soms de tuin. Soms is de laptop een goede vriend, maar soms is hij ook een stoorzender en bieden pen en papier meer ruimte en rust om ideeën op te schrijven.
Ik ben een ontrouwe schrijver, wat schrijfplekken betreft. ‘Lara en Rebecca’ schreef ik aan de keukentafel, ‘Ik denk dat het liefde was’ aan de tafel in de woonkamer, ‘Kunnen heksen heksen’ tijdens een warme zomer in de tuin. En ‘Zijdeman’ schreef ik grotendeels in een koffiehuis, met een behaaglijke muur van beweging en geroezemoes om me heen.

Het internet is een genadeloze tijdvreter.

Even kijken naar de mail, naar Facebook, naar Twitter. Even chatten. Even een spelletje spelen. En zou er intussen geen mail binnengekomen zijn? En – hola – er hebben mensen gereageerd op mijn statusupdate. Wacht, eerst antwoorden. Heel even maar. Tot het ineens twee uur later blijkt te zijn, en er intussen niets constructiefs gebeurd is.
Wip het internet af en toe buiten. Installeer desnoods Freedom en – note to self – vraag vooral niet naar het Wifi-wachtwoord in cafés.

Schrijven om recensenten en jury’s te behagen, leidt tot frustratie.

Vooral omdat die het niet altijd onderling eens zijn. Voor de een had het iets meer mogen zijn. Voor de ander iets minder. Waar de een laaiend enthousiast over is, daar haalt een ander de schouders bij op. Ik ben er ooit heel ongelukkig over geworden, en de faalangst heeft me een tijdlang schrijflam gemaakt. Ik durfde niet meer voluit te schrijven wat ik zo graag wilde schrijven en hoe ik het wilde schrijven, dus leverde ik een boek af dat volgens mijn toenmalige uitgever helemaal goed zat. Maar wat ze gehoopt hadden (lof! prijzen! verkoop!), kwam er niet. Dus zat ik met een dubbele kater: ik was mijn eigen stem en stijl niet trouw gebleven, en het was nergens goed voor gebleken. Het besluit om vanaf dat moment de boeken te schrijven die ik wilde schrijven, zelf te kiezen welke stijl en stem me daarbij het beste zouden dienen – en dat uiteraard zo goed mogelijk te doen, voelde als een bevrijding. Laat behagen dus geen doel zijn, maar een eventueel nevenverschijnsel. Een aangenaam nevenverschijnsel.

Dat alles goed komt. Altijd.

(fragment uit ‘Het verhaal van Jeanne’, een boek in wording)

Het was kermis.
De appelbollen waren even zoet als andere jaren, het draaiorgel van de carrousel klonk even luid en vals. Ik haakte mijn arm zoals altijd in die van Johanna, mijn beste vriendin. Samen huppelden we zingend en lachend tussen de draaimolens en kraampjes door. We gingen op de zwiermolen tot we duizelig waren, we snoepten tot we buikpijn hadden. En we wisten dat het onze eigen dikke schuld was, en dat vonden we helemaal niet erg. We liepen samen naar het veld met het kapelletje, plukten bloemen en lieten ze slap worden in onze zweterige handen. Toen ook Yvonne, Jules en Clara erbij kwamen, renden we gillend en giechelend achter elkaar aan. Ik draafde weg van de anderen, zo ver ik kon. En dat was ver, want het veld was groot en groen en eindeloos. Maar Johanna kwam me achterna en struikelde. In haar val greep ze zich vast aan mijn benen. Ik viel op mijn buik in het gras en het deed best wel even pijn, maar ik kon alleen maar lachen. Ik lachte tot ik ook daar weer buikpijn van kreeg.
We bleven hijgend naast elkaar liggen in het gras, en keken hoe het blauw in de lucht stilaan oranje kleurde. De wolken waren doorzichtig en fijn, als engelenhaar.

‘Hoe kan dat nu?’ vroeg ik me hardop af.
‘Wat dan?’
‘Hoe kan het toch dat we niet meer dan een geel stipje op de wereld zijn? Alles is zo groot.’
Johanna antwoordde niet. Ik sloot mijn ogen en hoorde het gedreun van de kermis in de verte.
‘Ben jij niet bang?’ vroeg Johanna toen. ‘Voor de oorlog?’
En op mijn beurt antwoordde ik niet. Het oranje ging over in roze.
Toen het in de verte eindelijk stiller werd, hoorde ik in mijn hoofd alleen maar mijn moeder die zei dat alles goed komt. Altijd.

avondlucht

Over Jan, Eva en Kathleen – deel 1

Met Eva Mouton aan een boek werken, dat knettert en bruist danig.
We drinken samen thee en eten havermoutkoekjes.
We overlopen het manuscript, zij spuit ideeën voor tekeningen, ik vul aan, en we gieren het af en toe uit.
O ja, en dan dit, en dat, en daar ook wat!
We kneden de tekst, gooien er stukken uit, daar waar de tekeningen het verhaal mogen
overnemen.

IMG_0829

We gloeien en het boek groeit.

De thee mag aan de kant, we schakelen over op wijn (dat mag, de zon hangt al laag).
De kat krabt als vanouds mijn raamkozijn verder kapot. Ik laat haar snel binnen.
Die kat heeft jou afgericht, zegt Eva.
Dat is waar, zeg ik. Honden hebben een baas, katten hebben personeel.
Eva probeert mij op haar beurt af te richten. Bij de volgende krabbeurt bezweert ze mij om de kat te negeren.
Het helpt een heel klein beetje, maar niet genoeg. Wel genoeg om weer in de lach te schieten.
Dan werken we verder.
Tussendoor roddelen we, doen we confidenties over leven en liefde.
Maar het is vooral werken dat we doen, echt.
Het boek groeit en wij gloeien.

IMG_0835

Een jeugdauteur die het goed bedoelde

Stel je voor.

Stel je voor dat je een boek schrijft. Een jeugdboek, waarin je bepaalde sociale en morele codes op de helling zet. Niet omdat je daar zelf achter staat, maar om zoveel andere redenen.

Omdat het helemaal klopt in de context van het verhaal.

Omdat het echte leven gelardeerd is met dit soort situaties.

Omdat een verregaande vorm van empathie een absolute noodzaak is voor een schrijver die waarachtig wil schrijven.

Omdat het je personages doet nadenken, reflecteren, twijfelen. En omdat een mens die twijfelt meestal interessanter is dan hij die de zekerheden aan elkaar rijgt. Bewaar mij voor zij die alles menen te weten.

Zo’n boek groeit nu in mijn hoofd.

Wim DaemsEn toen dacht ik ineens aan Wim Daems, een jeugdauteur en wetenschapsjournalist die  in 1994 ‘Beeld van een meisje’ schreef. Het was zijn zevende boek, en meteen ook zijn laatste.
Ik moet bekennen dat ik niet vertrouwd was met zijn werk. Maar ik herinner me het nieuwsbericht en de hele heisa,, laat ik het maar onomwonden een heksenjacht noemen, die volgde op de publicatie van dat boek. Daarin figureerde namelijk een vrachtwagenchauffeur, die het bestaan van de gaskamers ontkende. Zijn betoog bracht het hoofdpersonage, een tienermeisje, aan het twijfelen. Dat het een kwalijk boek was, klonk het, want er werd geen weerwerk geboden voor zijn argumenten. Uitgeverij Davidsfonds besloot het boek meteen uit de rekken te halen.

Ik kromp een beetje ineen bij dat verhaal. Voor de haastige luisteraar zou Wim Daems de geschiedenis ingaan als die aangebrande jeugdauteur, die de zuivere tienerziel besmette met negationisme.

In 1996 kwam er nog een staartje aan het verhaal. SKEPP besloot namelijk de allereerste ‘Skeptische Put’ (een prijs voor ‘diegene die zich uitzonderlijk onkritisch heeft opgesteld en de popularisering van kennis en wetenschap totaal verkeerd heeft begrepen’) aan Daems uit te reiken. Op de website van Skepp staat hierover onder andere dit te lezen:

Wim Daems, aanwezig wat door alle aanwezigen zeer gewaardeerd werd, opende dapper het gesprek met toe te geven dat hij zich vergist had. Hij schreef het boek omdat hij in de jaren ’80 aan de lijve ondervond hoe jongeren door negationistische propaganda werden beïnvloed en geen ondersteuning vonden. “Ik wilde het failliet van de historici aangeven. Ik wist dat ik een risico liep, maar hoopte zo de discussie op gang te trekken. Maar daarin ben ik misbruikt geworden.” De gevolgen waren ingrijpend. Daems leed heel wat schade, het boek werd afgevoerd en hij werd persoonlijk geterroriseerd.

De tragiek zit hem in de overduidelijke goede bedoelingen van Daems.
In 1988 had hij de Prijs Beste Jeugdboek Knokke-Heist (tegenwoordig ‘De zoute zoen’) gewonnen met ‘Het koopkind’. Wikipedia leert ons dat de jury zijn werk eensgezind prees, onder meer omwille van ‘de originele benadering van een hedendaagse thematiek, de boeiende en aangrijpende plot, de prachtige beschrijving van de Afrikaanse leefgewoonten, de treffende typering van de personages en de genuanceerde visie op het conflict tussen regering en guerrilla’.
In 1999 won hij ironisch genoeg ‘De zesde vijs’ van SKEPP, ditmaal voor zijn kritisch-wetenschappelijke artikels.

Ineens kreeg ik zin om de man aan te schrijven. Om hem een veel te laat hart onder de riem te steken. Niet dat hij daar een boodschap zou aan gehad hebben. Vijgen na Pasen en zo van die dingen. Maar toen vernam ik dat hij vier jaar geleden overleden is.
Het doet raar om een steek van spijt en verdriet te voelen over iemand die je nooit ontmoet hebt.

We horen voortdurend dat wat we schrijven niet te expliciet mag zijn. Niet te uitleggerig, niet blabla.
Maar blijkbaar is dat niet altijd even evident. Wim Daems is op de vingers getikt, gekraakt zelfs, omdat hij niet expliciet zei: ‘Deze meneer is fout. Fout en stout.’
Ik weet het wel, ik maak er een karikatuur van.
Maar evengoed, het maakt de schrijver in mij onzeker.
Ik begin alvast te oefenen.
Want op eieren lopen is een kunst.

Over een magische zomer en de ballast van herinneringen

(Fragment  uit ‘Zijdeman’ dat eind januari verschijnt. Dit is de stem van de 16-jarige Camille)

rhoneVijftien was een magische leeftijd. Ik was geen kind meer, vond mijn vader. Geen écht kind. Ik bloedde elke maand, maar dat mocht hij natuurlijk niet weten. Dat waren vrouwenzaken. Maar hij leek het te voelen, dus vroeg hij me mee, en vanaf dat moment behandelde hij me als een volwassen vrouw. Het was een magische leeftijd, ik zei het al. En het werd een magische zomer. Ik had Parijs nooit eerder verlaten, en ik ontdekte een wereld die zo wonderlijk en vreemd was dat zelfs de lange stukken die we per boot aflegden – opgesloten op het water en bijna niets omhanden! – me niet verveelden. Het grijs van de stad verdampte tot het niet eens meer de kracht van een herinnering had. Ik hoefde geen herinneringen toen. Ze waren ballast, en er was zoveel nieuws dat een plek moest krijgen in mijn hoofd. Zoveel kleuren groen, van teer en licht en fris tot diep en donker, bijna dreigend groen. Een zee van geuren, die veranderden naarmate het landschap wisselde of naarmate het dag of nacht werd. Soms ademde ik zo diep in en uit om niets te missen dat ik duizelig werd en even moest gaan zitten, omdat ik anders beslist in het water zou zijn gevallen. En dan de mensen, de uitbundige mensen die vanaf de oevers naar ons wuifden en een eindje met de boot mee renden, huppelend, struikelend soms, gillend en lachend. Ze wuifden naar ons zonder ons te kennen. In Parijs keken zelfs mensen die je kenden je nauwelijks aan.

Dag na dag werd het warmer. Toen we over de Rhône gleden, zagen we groepjes vrouwen aan de oevers van de rivier, die met een bezem van fijne takjes in grote ketels sloegen. In die ketels werden de cocons van de zijdevlinder ondergedompeld en gekookt. Het zachte zijdeweefsel dat aan de bezem bleef plakken, was goud waard. Met razendsnelle handbewegingen wikkelden de vrouwen de ragfijne draad af. Anderen namen de draden samen en twijnden ze tot ze sterk genoeg waren om later de meest delicate stoffen van te weven. Ik wilde van de boot af, van dichtbij kijken hoe ze dat deden, praten met hen en me verbazen over hun wonderlijke tongval. Ik wilde kijken en leren en helpen en vooral doen. Maar mijn vader zei me dat ik geduld moest hebben. Er was nog tijd genoeg. Er was tijd in overvloed. Het leven was lang.

Wanneer hij in mijn ogen keek, bestond alleen ik

(Fragment uit ‘Zijdeman’, dat eind januari verschijnt. Dit is de stem van de 11-jarige Louis)

In de Rue des Boulets staat een boom. Een witte moerbei.
Het is de volmaakte boom. De enige die ik nodig heb. Hij staat bij een landhuis, achter in de tuin, maar ik kan erbij. Er zit een gat in de haag, helemaal onderaan. Net groot genoeg om mij erdoor te laten. Wie het niet weet, ziet het niet.
Het is bijna te mooi om waar te zijn.

De moerbei, Vincent Van Gogh (1889)
De moerbei, Vincent Van Gogh (1889)

Eerst herken ik hem niet. Hij lijkt me een boom als alle andere bomen. Maar wanneer ik op een oktoberochtend langs de enorme tuin loop, laat de boom zijn bladeren los. Ik loop eronder en het begint te regenen. Geen water, maar bladeren. Een regen van gele bladeren. Ik kijk omhoog tot ik duizelig word van het geel dat op me af dwarrelt. Wel een uur blijf ik staan. Tot de boom kaal is. Ik sta in een enkelhoog geel tapijt. Er is geen zuchtje wind.
Nu weet ik het zeker.
Mijn vader heeft het me verteld. Weet je, Louis, zei hij. Weet je dat er maar één boom op de hele wereld is die wacht tot de vrieskou geweken is? Hij wacht tot het laat in de lente is. Pas dan gaan zijn bladknoppen open. Zo weet hij zeker dat de vrieskou ze niet kapot laat gaan. En in de herfst houdt hij zijn bladeren lang vast. Hij wacht op de eerste vriesnacht. Als die nacht voorbij is, laat hij al zijn bladeren in één keer los. Kijk, Louis, zo ziet de witte moerbei eruit. En hij liet me plaatjes zien en wees op de knoestige stam en op de takken. Kijk eens, Louis, hoe dicht ze bij elkaar staan. Hoe ze door elkaar lopen.
En terwijl hij vertelde over het blad dat de vorm van een hart had en me wees op de gekartelde randen, prentte ik de tekening in mijn hoofd om nooit meer te vergeten. Maar misschien keek ik nog meer naar mijn vader. En wilde ik hem zijn. Wanneer hij vertelde over een boom, dan was er alleen maar een boom. Wanneer hij in een boek las, dan was er alleen maar dat boek. En wanneer hij in mijn ogen keek, dan bestond alleen ik.
Zo was mijn vader. Wat zeg ik? Zo ís mijn vader. Zo helemaal anders dan mijn moeder of Camille. Hun ogen zijn vlinders. Ze praten met mij en hun blik glijdt weg. Ze kijken naar mij, maar nooit langer dan zes seconden. Ik tel het soms en weet precies wanneer ze zullen wegkijken. En drie of vier seconden later kijken ze weer naar mij. Voor even. Ik weet dan nooit of ze me echt hebben gezien. Ik weet zeker dat ze veel dingen zien, allebei. Maar veel is te veel.
Ik zie minder, maar hoe ik zie. Niemand weet hoe ik de dingen zie. Hoe scherp ze soms zijn. Hoe diep ze lijken. Hoe hard ze aan me trekken, alsof ze licht geven en handen hebben.
Ik zou het niet anders willen.
Ik zou het niet anders kunnen.

Ik heb het onthouden. Ik heb alles onthouden wat mijn vader me heeft verteld.
De witte moerbei is een boom, slimmer dan alle andere.
Ik houd mijn armen open en vang de laatste vallende bladeren op. Ze hebben een gekartelde rand. En de vorm van een hart. Dit moet een witte moerbei zijn.
Het is echt bijna te mooi om waar te zijn.