Palestijnse vader gelauwerd om uitzonderlijk vredesgebaar

Toen de twaalfjarige Palestijn Ahmed Khatib doodgeschoten werd door Israëlische soldaten, stelde zijn vader een wel erg opmerkelijk gebaar: de organen van zijn zoon mochten gebruikt worden om de levens van Israëlische kinderen te redden. ‘Want kinderen hebben niets met dit conflict van doen. Ze zijn onschuldig en hebben het recht om te leven.’

Copyright Geertje De Waegeneer
Copyright Geertje De Waegeneer

Het gebeurde op een novemberdag in 2005, in het vluchtelingenkamp bij de Palestijnse stad Jenin, op de Westelijke Jordaanoever. De ramadan was net gedaan, en de twaalfjarige Ahmed Khatib ging de deur uit om een stropdas te kopen. Maar onderweg naar de winkel liep het anders. Ahmed botste op twee vriendjes en bleef in de straten van Jenin hangen om te spelen. Oorlogje spelen, want dat is wat kinderen nu eenmaal doen: ze spelen het leven na. Het leven zoals het is. Midden in zijn spel schoot een Israëlische soldaat hem in zijn been en in zijn hoofd. Omdat hij een speelgoedwapen bij zich had, dat verdacht veel op een kalashnikov leek, zo luidde het officieel. Maar vader Ismaël Khatib schudt het hoofd: ‘Niemand heeft achteraf een speelgoedwapen dat op een kalashnikov leek gevonden, omdat hij er geen bijhad. Het is een van de vele verhalen die door het Israëlische leger verzonnen worden, om het doden van Palestijnse kinderen te rechtvaardigen.’

Het laatste kind dat sterft

Ahmed was klinisch dood. Een machine hield hem kunstmatig in leven. Toen de behandelende arts aan vader Khatib vroeg of hij de organen van zijn zoontje wilde doneren aan zieke kinderen, verspreid over Israël, begon hij te huilen. Dat hij tijd mocht nemen om te overleggen met zijn vrouw, zei de dokter. Want misschien was het te veel gevraagd: ook joodse kinderen stonden immers op de wachtlijst voor een donororgaan.

Weigeren had een vorm van vergelding kunnen zijn. Maar het echtpaar Khatib stemde, na de nadrukkelijke goedkeuring van een religieuze leider én het hoofd van de Al-Aqsa-brigades, in met de donatie. ‘Kinderen hebben niets te maken met dit conflict,’ luidde Khatibs oordeel. ‘We kunnen een joods kind niet verwijten wat zijn regering aanricht. Kinderen hebben het recht om te leven. Hun afkomst doet er niet toe.’

Ehud Olmert – toen nog medewerker van premier Sharon, later zelf premier – belde Khatib op om hem te bedanken. Zijn woorden klonken nobel: ‘Ik hoop zo dat Ahmed het laatste kind is dat sterft in dit conflict.’ En prompt nodigde hij Khatib uit om Sharon te ontmoeten. ‘Dat heb ik geweigerd,’ zegt Khatib. ‘Voor mij is het niet die ene soldaat die Ahmed gedood heeft. Het was de verantwoordelijkheid van de regering. Van Sharon dus.’

Olmerts hoop op beterschap, kreeg een nasmaak van ongeloofwaardigheid. Toen in 2008 de oorlog in Gaza losbarstte, kwamen nog eens 45 kinderen om. En de teller blijft sedertdien aantikken.

Papa van vijf nieuwe kinderen

Vier kinderen – waaronder Menuha Levinson, het dochtertje van orthodoxe joden – en een volwassen vrouw kregen een nieuw leven dankzij de beslissing van de Khatibs. Een vijfde kind, een baby van acht maanden oud, overleefde de transplantatie niet. Met Samah, een druzenmeisje dat het hart van Ahmed kreeg, en Mohamed, een bedoeïnenjongen die één van Ahmeds nieren kreeg, heeft Khatib inmiddels een warm contact. ‘Het is familie geworden,’ zegt hij onomwonden. ‘Ahmed leeft voort in zoveel andere kinderen. Ik heb er vijf kinderen bij gekregen, zo zie ik het.’ Elke dag telefoneert hij met Samah en Mohamed. Tijdens alle belangrijke feesten zoeken ze elkaar op. Ze noemen hem ‘papa’.

Met de familie Levinson heeft hij geen contact meer. In ‘Das Herz von Jenin’, de bijzonder aangrijpende documentaire die de Duitse filmmakers Leon Geller en Marcus Vetter over hem maakten, zien we hoe pijnlijk stroef de enige ontmoeting tussen Khatib en de Levinsons verloopt. Het is voorspelbaar, want van bij het begin laat het orthodox-joodse gezin horen dat ze liever een donornier van een joods kind zouden gehad hebben. De familie ontmoeten, willen ze liever niet. Maar wanneer het verzoek er toch komt, wordt het ingewilligd. Er wordt een cadeautje overhandigd en een onwennige bedanking uitgesproken. Een kort gesprek, waarbij het wederzijdse ongemak en de kilte bijna tastbaar zijn.

Vredesprijs

Ismaël Khatib is een grote man met een zachtmoedige uitstraling. Hij oogt vermoeid, maar beantwoordt met geduld en overtuiging alle vragen, die hem misschien al zo vaak eerder gesteld zijn. Hij is een beroemdheid geworden, een ambassadeur van de vrede, of hij dat nu wil of niet. Deze week krijgt hij een vredesprijs van de Limburgse gemeente Houthalen. De hele week door reist hij van gastgezin naar gastgezin, vergezeld van een Duits-Palestijnse tolk.

België is het voorlopig laatste in een lange rij landen die Ismaël Khatib willen huldigen. In de Arabische wereld wordt hij op handen gedragen, maar ook elders in de wereld vindt zijn verhaal weerklank: maar liefst 28 landen nodigden hem tot nu toe uit om hem te huldigen.

Dat de reacties op zijn geste nochtans niet eensluidend positief waren, vertelt hij. Ook niet bij de Palestijnen. ‘Sommigen vonden het een mooi gebaar, en juichten het toe. Anderen vonden het onbegrijpelijk dat ik joodse kinderen wilde redden. Bij de Israëli’s heerste evenzeer verwarring. Ik heb de indruk dat sommigen beschaamd waren. Ze vinden het raar dat een Palestijn bereid is het leven van een Israëli te redden.’

In de documentaire sluipt er zelfs enige bitterheid in zijn betoog: ‘Sommigen hadden me wellicht liever als zelfmoordterrorist gezien: een Palestijn die een kind doodt in plaats van het te redden.’ Een duidelijk vijandbeeld maakt het oorlogvoeren immers een stuk gemakkelijker.

En toch was ook hij ooit zo’n Palestijn die geweld gebruikte. Geboren en opgegroeid in een vluchtelingenkamp, woedend omwille van het onrecht dat hij om zich heen zag, sloot hij zich aan bij de eerste intifada en werd een van de vele molotovcocktails- en stenengooiende jongeren. Toen hij in de gevangenis terechtkwam, smeekte zijn vader hem af te zien van verder geweld. Khatib zwichtte. Hij trouwde, kreeg zes kinderen en werd achtereenvolgens winkelier en garagist.

Cultuur als wapen

Ahmed KhatibHet geweld heeft Ismaël Khatib radicaal afgezworen. Hij heeft een andere manier gekozen om zich te verzetten. Onderwijs en opvoeding. En cultuur. Met de financiële steun van de Italiaanse stad Cueno richtte hij in Jenin het ‘Cuneo Peace Center’ op. ‘De straten van Jenin zijn onveilig voor kinderen,’ licht hij toe, ‘dus wilde ik een ruimte creëren waar kinderen in alle veiligheid kunnen spelen en leren. Waar ze zingen, musiceren, dansen, toneelspelen en schilderen. Waar ze leren hoe rijk cultuur is, hoe rijk ook andere culturen kunnen zijn. Ik geloof er rotsvast in dat cultuur bruggen bouwt. Dat het de communicatie bevordert en mensen met elkaar verbindt.’

Dankzij Duitse steun is er inmiddels ook een filmzaal in het vluchtelingenkamp: Cinema Jenin.

Ahmed Khatib mag dan dood zijn, zijn naam reist de wereld rond. In Canada werd de wet die de relatie tussen donors en ontvangers van organen moet verbeteren, de Ahmed Khatibwet genoemd. En er worden scholen en culturele centra naar de jongen vernoemd.

Het verhaal spreekt zo sterk tot de verbeelding dat er nu ook een Duits-Amerikaanse film in de maak over het leven van Ismaël Khatib. En als een Duitse actiegroep haar zin krijgt, wordt de man in de toekomst misschien voorgedragen als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Vrede.

Khatib zelf bekijkt het allemaal nogal rustig, zonder hooggespannen verwachtingen. Voor de eer en de roem doet hij het niet. Hij wil vooral dat zijn boodschap gehoord wordt: het geweld moet stoppen, en er moet een menswaardige en rechtvaardige oplossing gezocht worden. ‘Ik ben België alvast dankbaar, omdat het vorig jaar ingestemd heeft met het Palestijnse lidmaatschap van de Unesco, en dat het nu de Palestijnse statusverhoging bij de VN steunt. Dat betekent veel voor ons.’

(Verschenen in De Standaard op 14 december 2012)

Naakt en dampend in het gras

Een zweethutritueel.

Geen idee wat ik precies moet verwachten. Verder dan een sauna met een spiritueel sausje raakt mijn fantasie voorlopig niet. De sauna lijkt me wel wat, de spiritualiteit iets minder. Waarom zoveel mensen soelaas zoeken en schijnen te vinden in geadopteerde spiritualiteit van indianen (de Lakota in dit geval), sjamanen, of Tibetanen, is me al jaren een raadsel, maar ook hiervan wil ik graag een oefening in deemoed en verwondering maken. Wat de boer niet kent, dat vreet-ie niet, en laat ik nu net een alleseter – of op zijn minst een allesproever – zijn.

Gastvrouw Marleenzweethut en Marie-José, die straks vuurvrouw zal zijn, hoeden er zich voor zichzelf ‘sjamaan’ te noemen. Dat klinkt te hoogdravend. Maar ze vertellen wel graag en met enthousiasme wat ze zo bijzonder vinden aan het sjamanisme. ‘Het is een oeroude natuurreligie,’ legt Marie-José uit, ‘en je vindt er in zowat elke cultuur sporen van terug. Er zijn drie basisgedachten. Alles wat is, leeft. We zijn allemaal gelijk. En er is meer dan wat we zien. Als je dat laatste accepteert, kun je je openstellen voor gidsen of helpers.’

Ik mag helpen de zweethut ‘aan te kleden’: lakens en dekens worden over de naakte houten constructie gedrapeerd, net zoveel tot het binnen aardedonker is. ‘Dit is in zekere zin de baarmoeder van Moeder Aarde,’ verduidelijkt Marie-José, ‘waar je straks als klein, naakt kindje zult binnengaan.’ Krachten die we niet meer nodig hebben, zullen we loslaten, luidt het. En via de gebedsstenen die verhit worden in het vuur, krijgen we nieuwe energie van de zon binnen. ‘Je moet je wel kwetsbaar durven opstellen,’ waarschuwt ze. Ik knik. En vraag me meteen af hoe kwetsbaar, en of ik niet te zeer overspoeld zal raken door een golf van hinderlijke emoties. Maar het moet. Met een pantser van cynisme en onverschilligheid tussen mensen gaan zitten die zich helemaal geven in dit ritueel, zou getuigen van weinig respect.

Zeven vrouwen en twee mannen, tel ik. De opgelatenheid die me vaak overvalt in een groep onbekenden, houdt zich mooi gedeisd. Ik voel me merkwaardig snel op mijn gemak tussen het toch behoorlijk heterogene gezelschap. De sfeer is vriendelijk, zonder opdringerig te zijn. Ik krijg C., in het echte leven manager van een bedrijf met 130 werknemers, toegewezen als ‘beschermer’. Ik vraag me af waarom ik bescherming nodig heb, maar iedereen lijkt het een uitstekend idee te vinden: het kan heftig worden, zeker zo’n eerste keer.

We gaan rond de vuurplaats staan en mogen om beurten een steen  nemen en een gebed uitspreken, waarna de steen in het midden gelegd wordt. Dat ik niet bid, laat ik voorzichtig weten, met een half vingertje in de lucht. Maakt niets uit, zo blijkt. Bidden of wensen, noem het zoals je zelf wilt. Dus spreek ik mijn wens uit, breng de steen naar omhoog en naar mijn hart – zoals me gevraagd is – en leg hem daarna op de brandstapel. Iedere windrichting krijgt een vuurmaker. Ik mag het westen in brand steken, en dat blijkt minder evident dan ik dacht. Ik maak proppen papier, strijk lucifers aan, blaas me suf om de lachwekkend kleine vlammetjes aan te wakkeren, maar mijn talenten liggen duidelijk elders. Gelukkig profiteer ik al snel mee van het hevige vuur uit het noorden, vakkundig aangestoken door C.

Terwijl de stenen heet worden, maken we een streng met gebedszakjes, gevuld met tabak en bedoeld om mensen die we kennen kracht of andere goede dingen toe te wensen, en zoeken we in de natuur naar een krachtvoorwerp dat onze ‘aardse gidsen’ symboliseert. Dat wordt in mijn geval een gladde steen met een lichte en donkere kant, met mos omhuld. Alle voorwerpen worden op een altaar gelegd.

De kleren gaan uit, de handdoeken worden omgeslagen. Nog even de vier windrichtingen groeten, terwijl Hilde – trouwe helpster van de vuurvrouw – iedereen smudget: ze brandt salie en waaiert met een veer de rook uit over ons lichaam. Dat moet ons energetisch zuiveren. We mogen een voor een over het vuurpad lopen, knielen, en voor we de zweethut binnenkruipen – de ingang is nu eenmaal laag – zeggen we ‘voor al onze relaties’. ‘Ho, mitakuye oyasin,’ vertaalt Marleen.  Het is een zinnetje dat ik nog ontelbare keren zal horen vandaag. Ik ga zitten tussen Marleen en C. De gebedszakjes worden opgehangen in de hut, en dan is het tijd voor de eerste ronde. Hilde brengt de verhitte stenen één voor één binnen en legt ze in de vuurput in het midden. En dan wordt het, op de roodgloeiende stapel stenen na, pikdonker. Marleen giet af en toe water op de stenen, en strooit er kruiden of etherische oliën op: ceder, lavendel, salie.  Het is een ritueel dat zich tot vier keer toe zal herhalen in de loop van de komende uren. Ze slaat af en toe op een trom, spreekt tot de geesten van de verschillende windstreken en tot ons. Er wordt gezongen, en ook veel gezwegen. Het wordt bloedheet, en ik raak bedwelmd door de bijzondere sfeer en de ongewone intimiteit tussen volslagen onbekenden. Het donker maakt alles veilig.  Af en toe wordt een steen doorgegeven, en mag diegene die de steen vasthoudt om kracht en andere dingen vragen. Het gaat nogal veel over liefde, respect en verbondenheid, en het raakt me allemaal meer dan ik gedacht had. Het no nonsense-mens dat ik zo graag ben of wil zijn, raakt vreemd ontroerd. Ik denk dat ik muisstil ben, maar links en rechts wrijft iemand over mijn rug. Een paar keren gaat de flap open en mogen we afkoelen buiten. De eerste keer kruip ik behoedzaam naar buiten – zit mijn handdoek wel goed? De tweede keer kan het me geen lap meer schelen en ga ik – zonder handdoek – languit liggen in het natte gras. Mijn lijf dampt uitbundig in de herfstlucht, mijn hart gaat in galop, en ik voel mijn bloed sneller stromen. Nog even onderdompelen in een teil ijskoud water, en we gaan voor een laatste keer de hut in.

Na afloop zit ik in het gras bij het vuur. Ik voel me vol en leeg tegelijk.  Op en top sereen en verzoend met alles. Voor even tenminste. Voor de rest van de dag, en die erna ook. Het wordt donker en begint te regenen, maar ik heb geen zin om weg te gaan bij het vuur. Tot ik begin te klappertanden en bedenk dat het misschien toch wijzer zou zijn naar binnen te gaan en me aan te kleden.

De avond loopt lang uit. Iedereen heeft eten meegebracht, er wordt nagepraat en behoorlijk veel gelachen. Ik beken: ik ben enthousiast. Voor geadopteerde spiritualiteit voel ik nog steeds niet veel. Maar wat kan het me schelen: mijn hoofd is fris, mijn lijf zindert van de deugd.

(dit stuk hoort thuis in de reeks ‘De Geluksmarkt’ die ik ooit voor De Standaard Magazine  maakte, maar doordat ik uiteindelijk slechts zes in plaats van tien afleveringen mocht leveren, werd het nooit gepubliceerd)

Bloedrood, ondraaglijk en erotiserend

Het is een nijdig beest, die liefdesjaloezie. Ze maakt blind, misschien nog blinder dan de liefde zelf. En onbezonnen. Kijk maar naar de maîtresse van ex-CIA-baas David Petraeus. Maar we hebben ze nodig, luidt het alom. Geen liefde zonder jaloezie. Of toch wel?

‘Ik probeerde mijn jaloezie te visualiseren als een geelbruine wolk die in mijn binnenste woedde, om daarna als rook langs mijn neus te ontsnappen en te veranderen in een steen die op de grond neerviel. Dat hielp een beetje. Maar in mijn visioen groeide een plant met giftige bessen uit de steen, of ik dat nu wilde of niet.’
(Het jaar van de vloed, Margaret Atwood)

Iconische grootheden die van hun sokkel vallen, spreken tot de verbeelding, en al helemaal als er passie en seks mee gemoeid zijn. Maar dat jaloezie van de ene minnares op een (misschien) tweede minnares de bom onder de carrière van CIA-baas David Petraeus deed ontploffen, gaf aanleiding tot flink wat besmuikt gegniffel en maakte de petite histoire nog een stukje interessanter. De giftige bessen uit het citaat van Margaret Atwood waren in dit geval mails van Paula Broadwell – minnares 1 en biografe van Petraeus – aan Jill Kelley – vermoedelijke minnares 2. Of die het flirten wilde laten, en meer van dat. Waarna Kelley prompt klacht indiende bij de FBI wegens stalking.

Een mens die door hevige sentimenten – en liefdesjaloezie is niet de minste van die sentimenten – gedreven wordt, zet soms waanzinnig veel op het spel. Reputaties, carrières, huwelijken, gezinnen, misschien levens.

’Ook jaloezie werd niet begrepen: de hel van de gekwetste minnaar.’
(Het paradijs verloren, John Milton)

Een bitterbijtende golf die vanuit de maag opstijgt en in een fractie van een seconde de hartslag in galop jaagt. Gonzende oren en gloeiende wangen. Treiterende warmte, ergens laag in het achterhoofd. Een vertroebelde blik en gedachten als ongeleide projectielen, radeloos en redeloos. Wie het ooit voelde, weet dat liefdesjaloezie schrijnt. Harder en venijniger dan alle andere vormen van jaloezie, misschien wel omdat de sprong in de diepte van zoveel hoger genomen wordt. En omdat het gevoel zoveel moeilijker te vatten is dan andere emoties. Een verwarrende cocktail van woede, verdriet en angst. Frustrerend omwille van de machteloosheid – we hebben geen vat op wat de ander voelt. Vernederend ook. Een vernedering die nog sterker dreigt te worden, omdat we zoals Paula Broadwell, soms geneigd zijn ons belachelijk te maken. Misschien niet voor de ogen van de hele wereld, maar dan toch voor de ogen van de geliefde die ons tot wanhoop drijft. Het geeft een pijnlijke knauw aan ons zelfbeeld. En soms verandert het ons in iemand die we niet willen zijn. Iemand die we niet willen kennen, en die we niet herkennen. Kwaad, nijdig, wantrouwig, koortsachtig op zoek naar iets – mails, Facebookberichten, sms’en, wat dan ook – dat de knagende vermoedens kan bevestigen. Hopend op een ontdekking, en tegelijk doodsbang voor die ontdekking.

‘O, hoed u voor jaloersheid, heer; zij is ’t groenogig monster, dat de spijs bespot die ’t vreet, gelukkig hij die horens draagt, maar ’t weet en van zijn krenkster niet meer houdt. Maar wat voor kwellingen doorstaat de man die mint maar twijfelt, argwaant maar aanbidt!’
(Othello, William Shakespeare)

Door Shakespeare vinden we dat jaloezie groen kleurt. Wie op zoek gaat naar teksten over jaloezie, vindt het woord er geheid een keer of vier, vijf in terug. Een dankbaar cliché, omdat groen ook aan gal doet denken. Of aan vergif: arsenicum met name. En voelt liefdesjaloezie niet een beetje als een gif dat onze ingewanden aanvreet? Toch kleurt jaloezie niet zozeer groen, luidde de conclusie van een onderzoek naar synesthesie – het vermengen van de zintuigen – tussen negatieve gevoelens en kleuren. Aan 661 deelnemers uit vijf geïndustrialiseerde landen, verspreid over de hele wereld, werd gevraagd welke kleur zij zouden toekennen aan die gevoelens. Voor één gevoel was de uitkomst duidelijker dan voor alle andere: jaloezie is rood.

’In die tijd bevredigde hij een zinnelijke nieuwsgierigheid door de genoegens te ervaren van mensen die voor de liefde leven. Hij had geloofd dat hij daar kon stoppen, dat hij niet gedwongen zou zijn ook hun zorgen te leren kennen; hoe futiel leek haar charme nu naast de verbijsterende kwelling niet op elk moment te weten wat ze gedaan had, of haar niet altijd en overal te bezitten!’
(De kant van Swann, Marcel Proust)

Ja, jaloezie is bezitterig. Het zijn enkelingen die eraan lijken te ontsnappen. Onthechte zielen, die er op een jaloersmakende – ha! – manier in slagen zelden of nooit de slaaf van hun emoties te worden. Maar het gros van de mensheid wordt vroeg of laat met de neus op een dubbele en zeer tegenstrijdige waarheid gedrukt. We zijn niet gemaakt voor levenslange monogamie; vrijwel iedereen heeft weleens zin in een ander of wordt simpelweg verliefd. Maar velen vinden de gedachte, alleen nog maar de gedáchte, dat dit ook voor hun partner geldt moeilijk te verteren.

Dat jaloezie niet per se verkeerd is, vertellen relatietherapeuten eensgezind. Wel integendeel: de liefde kan niet zonder jaloezie. Dat het een alarmbel is voor de relatie, een waarschuwing voor mogelijk gevaar. Dat het de liefde zelfs ten goede kan komen, zolang het maar gezond blijft. Binnen de perken. Want er is natuurlijk jaloezie en jaloezie. Psychologen Robert Rydell en Robert Bringle van de universiteit van Indiana (VS) maken onderscheid tussen reactieve en achterdochtige jaloezie. Uit hun onderzoek bleek dat reactieve jaloezie – jaloezie waarvoor een concrete aanleiding bestaat, zoals verliefdheid of seksueel avontuur – het heftigst is bij koppels die een diepgaande vertrouwensband en een sterke wederzijdse afhankelijkheid kennen. De tweede soort jaloezie – de achterdochtige, die puur op al of niet gegronde vermoedens gebaseerd is – zou niet zozeer verband houden met de kwaliteit van de relatie, maar wel met persoonlijkheidskenmerken als onzekerheid en een zwak gevoel van eigenwaarde. De Nederlandse psychologe Pieternel Dijkstra voegt er in haar boek ‘Jaloezie. Omgaan met jaloerse gevoelens’ nog een derde type aan toe: de preventieve jaloezie. Jezelf op je voordeligst presenteren, je partner in de watten leggen op elk vlak – en zeker ook seksueel, moet helpen om elke verleiding van buitenaf te counteren. Een boost voor de relatie, als het even meezit. Maar controlerend en verstikkend als het te ver dreigt te gaan.

’Hij was jaloers op haar toekomst, en zij op zijn verleden.’
(Venusdelta, Anaïs Nin)

Jaloers op wat zij nog aan opwindends op haar pad zal krijgen, jaloers op wat in zijn herinneringen leeft: hoe zinloos kan jaloezie zijn? En waarom we dan met dat ellendige gevoel opgescheept moeten zitten, vraagt een mens zich af. Puur evolutionair bekeken klinkt het verhaal simpel: een kwestie van de genen succesvol door te geven. De oerman was beducht voor seksuele concurrentie van andere mannen, waardoor hij riskeerde een ander kroost dan het zijne te zien geboren worden. Voor de oervrouw was het dan weer zaak ervoor te zorgen dat de kinderen hun fragiele eerste levensjaren doorkwamen. Een vader die in het levensonderhoud van het gezin kon voorzien, verhoogde de overlevingskans van de kinderen aanzienlijk. Om die reden zouden mannen ook nu nog sneller last hebben van jaloezie wanneer hun partner met een ander vrijt, terwijl vrouwen het vooral moeilijk zouden hebben wanneer hun partner een intieme, emotionele band krijgt met een andere vrouw. Maar recente studies zetten de evolutionaire waarheid op de helling. Onderzoekers van de Humboldt-universiteit in Berlijn stelden bijvoorbeeld vast dat er nauwelijks nog verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen inzake seksuele jaloezie. Sterker: bij de vrouwelijke deelnemers aan het onderzoek was de seksuele jaloezie zelfs iets groter dan bij de mannen. Het tweede luik van het evolutionaire verhaal, werd wel bevestigd: vrouwen bleven onverminderd sterker reageren op emotionele ontrouw dan mannen.
Nog meer man-vrouwweetjes? Socioloog Richard Felson van de Universteit van Pennsylvania (VS) bestudeerde moorden, aangevuurd door jaloezie. Hij stelde vast dat mannen hun jaloerse agressie vooral op hun rivaal richten, terwijl jaloerse vrouwen het veeleer op hun eigen partner gemunt hebben.

’Ik weigerde te geloven dat liefde een andere vorm kon aannemen dan die van mij: ik mat liefde af aan de omvang van mijn jaloezie, en dat betekende natuurlijk dat ze helemaal niet van mij kon houden.’
(Het einde van het spel, Graham Greene)

Een mens die gevangen zit in zijn gevoelens, heeft de neiging om zichzelf tot norm te verheffen. Vooral als dat gevoel zo knellend en onontkoombaar is als jaloezie. ‘Ik kan niet anders, dus zo werkt het nu eenmaal.’ Als we aannemen dat die veralgemening klopt, lijken we minder schamel en zwak, hoeven we ons misschien niet schuldig te voelen of te schamen voor dat bloedrode beest. Maar klopt het? Zou jaloezie ook niet, al was het maar gedeeltelijk, cultureel bepaald kunnen zijn? Sociologe Margaret Mead deed indertijd hard haar best om te bewijzen dat het ook anders kon. Ze schreef over gemeenschappen, waarin het normaal was dat een man zijn vrouw of dochter aanbood aan een andere man. Over polygame samenlevingen, waarin nieuwe vrouwen ‘verwelkomd’ werden door de anciens. Lichtend voorbeeld was de bevolking van Samoa, bij wie jaloezie zelden of nooit voorkwam, volgens Mead. Vele jaren later bleek dat ze de waarheid meer dan eens geweld had aangedaan, en dat haar beweringen over Samoa niet helemaal klopten.
Vandaag nemen onderzoekers doorgaans aan dat jaloezie van alle tijden en van overal is, maar dat de manier waarop we die invullen en de manier waarop we ermee omgaan, cultureel bepaald is. Neem nu dat oude Hebreeuwse gebruik, waarbij een weduwe kon hertrouwen met de jongere broer van haar overleden man. En zelfs bij leven van haar echtgenoot een affaire met die jongere broer mocht hebben, zonder dat dit aanleiding gaf tot jaloezie. Anders was het wanneer de vrouw een liaison zou aangaan met de oudere broer van haar man: dan stak de jaloezie onvermijdelijk de kop op.

‘Rendall’s eerst wet van de jaloezie: jaloezie maakt de pik harder en de kut natter.’
(Hoe red ik mijn eigen leven, Erica Jong)

Lang geleden schreef de Nederlandse filosoof Ger Groot een essay over hoe overspel niet alleen machteloze woede oproept, maar tegelijk een erotiserend effect kan hebben op de verbeelding van de bedrogene. Omdat we het niet kunnen laten ons keer op keer voor te stellen hoe die minnaars er samen uitzien, wat ze doen en hoe ze het doen. Een zelfkwelling, waarmee we de wonde openhouden en tegelijk onze eigen begeerte aanwakkeren. Want ‘gekwetst toezien is wat de bedrogene aan de geliefde bindt, en daarom mag die kwetsuur niet verdwijnen’.

Los van het erotiserende effect dat Groot suggereert, is die zelfkwelling – het moeten weten, tot in de kleinste details, hoeveel pijn het ook doet – voor velen herkenbaar. In ‘Scènes uit een huwelijk’ van Ingmar Bergman wil Marianne, de bedrogen echtgenote, dat haar man haar vertelt over zijn liefje. ‘Ik wil weten hoe ze is. Het is veel erger om je iemand voor de geest te halen die geen contouren heeft.’ Ze krijgt een foto te zien – ‘Ontzettend mooie borsten, lijkt me. … Verft ze haar haar? Ze heeft een aardige glimlach. Hebben jullie het goed in bed?’ En zo krijgt ze het noodzakelijke en tegelijk ondraaglijke verhaal te horen over de verliefdheid van haar man en zijn seksuele relatie met zijn minnares. Het niet willen weten, en het tegelijk moeten weten. Omdat de jaloezie, om welke duistere reden ook, daardoor net iets hanteerbaarder wordt.

‘U hebt nooit jaloezie gevoeld, is het niet, Miss Eyre? Natuurlijk niet: ik hoef de vraag niet te stellen, omdat u nooit liefde hebt gevoeld. U moet beide gevoelens nog ervaren. De schok die ze zal wakker maken, moet nog komen.’
(Jane Eyre, Charlotte Brontë)

(Dit is de integrale versie van de tekst die ik voor De Standaard Weekblad van 24 november 2012 scheef – themanummer Jaloezie in de reeks Grote Gevoelens. Titel in het weekblad luidde ‘Jaloezie maakt de pik harder’)

De dood, de job van je leven

De dood? Een donkerzwart beest, waar we liefst niet te veel bij stilstaan. Maar voor sommige mensen is het hun dagelijks brood. Een palliatief verpleegkundige, een forensisch patholoog en een directeur van een crematorium gunnen een blik in hun leefwereld.
‘Zonder humor red je het niet.’

Kathleen Vereecken, foto’s Michiel Hendryckx

Nancy Criel, palliatief verpleegkundige

Een prachtige witte labrador is het eerste wat ik zie wanneer de deur van de palliatieve eenheid in het Gentse AZ Sint-Lucas opengaat. Hij krijgt een vrolijke knuffel van een jonge vrouw, die net haar shift heeft afgerond. Uit enkele kamers klinkt rustig gepraat. Een oude man leest zijn krant op het terras. De papegaai in de zitruimte kijkt verontwaardigd om zich heen, zoals alleen een papegaai dat kan. En er is kleur. Meer dan in andere afdelingen van het ziekenhuis, zo lijkt het. Lichtheid is het woord dat meteen door mijn hoofd flitst. Vreemde, enigszins verwarrende lichtheid.

Enkele maanden geleden ontroerde Bronnie Ware, een Australische palliatief verpleegkundige, de halve wereld met haar ‘Top five regrets of the dying’.  The Guardian zette het artikel vol wijze inzichten online en in de weken die volgden werd het stuk massaal gedeeld via Facebook en Twitter. Een pakkende toverformule voor meer levensgeluk, zo leek het. Maar Nancy Criel, verantwoordelijke van de palliatieve eenheid, relativeert:  ‘Mijn ervaring leert me dat mensen zelden spontaan over spijt spreken. Ik vrees dat er veel clichés de ronde doen over het levenseinde. Alsof alles ineens goedkomt wanneer mensen gaan sterven. Alsof ze zich bijvoorbeeld willen verzoenen met diegenen met wie ze altijd in onmin geleefd hebben. Zoiets gebeurt soms, maar eerder weinig. De grote inzichten die in het licht van de dood zouden opduiken: het is een romantische gedachte, maar ze klopt niet. Meestal niet, tenminste. En toch gebeurt er iets moois. Alle maskers vallen af. Bij patiënten en familie. Ze zijn niet meer nodig. Konden mensen maar altijd en overal zo authentiek zijn als hier, denk ik soms.’

Van bij het begin stond vast dat verpleegkunde meer moest zijn dan alleen maar lichamen wassen, bedden verschonen en medicijnen toedienen. ‘Ik heb altijd dieper dan het puur fysieke gekeken. Het warm-menselijke is zo belangrijk voor mij. Jarenlang heb ik als thuisverpleegster gewerkt. Het viel me op dat mensen niet alleen de deur van hun huis voor me openzetten, maar in zekere zin ook de deur van hun leven. Ik luisterde graag naar hun verhalen en ik merkte dat zij ook blij waren wanneer ik er was. Dat ik zelfs voor mensen die stervende waren iets kon betekenen, vond ik bijzonder.’

Maar sterven kan koud zijn, ondervond Nancy Criel toen ze later op de afdeling hartchirurgie werkte. ‘Ik deed dat werk nochtans graag. Ook daar kon ik een verschil maken, voelde ik. Zo’n hartoperatie is ingrijpend, en een luisterend oor is dan meer dan welkom. Maar het af en toe getuige zijn bij een reanimatie ging na verloop van tijd zwaar wegen. Vooral de manier waarop het ging. Soms lukte de reanimatie. Heel vaak lukte ze niet. Hoe dat reanimatieteam telkens weer snel het materiaal bijeenraapte en vertrok, terwijl ik achterbleef met een pas overleden mens, daar had ik het moeilijk mee. De laatste keer staat me nog helder voor ogen. Hoe die gestorven man daar lag, abrupt achtergelaten door het team. Niet meer dan een lichaam, leek het. Terwijl ik alleen maar kon denken: een halfuur geleden leefde hij nog. En zijn familie staat nu te wachten op nieuws. Dat was voor mij een keerpunt. Ik besloot een opleiding palliatieve zorg te volgen.’

Zoals iedereen die dagelijks werkt met Grote Emoties – en bestaat er iets dat groter, intenser en emotioneler is dan doodgaan? – waakt Nancy over de balans tussen oprechte betrokkenheid en professionele afstandelijkheid. Dat lukt, zegt ze. Maar routine wordt het nooit. ‘Sommige mensen blijven langer aan me kleven dan andere. Omdat ze compleet vereenzaamd zijn. Of psychisch ziek. Omdat ze jong zijn. Of omdat ze kinderen hebben die even oud zijn als die van mij. Heel soms krijg ik het emotioneel moeilijk. Niet zozeer om het sterven zelf, maar om het overweldigende verdriet van de familie. Die machteloosheid tegenover hun lijden, vind ik een van de moeilijkste aspecten van mijn werk.’

Dat humor helpt, zegt ze. Tijdens een lastige vergadering er onopzettelijk uitflappen dat de lijken écht wel uit de kast blijven vallen. Waarna een algemeen lachsalvo volgt. Maar ook in het contact met de patiënten primeert lichtheid op zwaarte. ‘Er wordt meer over het leven dan over de dood gepraat. Het gaat over kinderen en kleinkinderen. Over het weer. Over winkelen. Over alles wat alledaags is. En er wordt gelachen, natuurlijk.’

Bij het woord stervensbegeleiding huivert ze. ‘Nooit zou ik dat woord gebruiken. Wij zijn vooral intens met het leven bezig. We zoeken naar manieren om de levenskwaliteit van mensen te verbeteren, hun leven zo zinvol mogelijk te maken. Daaraan mogen meewerken geeft mijn leven op zijn beurt veel zin. Ik heb geleerd op een andere manier naar het leven te kijken. Ik heb leren loslaten. Wat geweest is, is geweest. Alles wat ik heb meegemaakt – of het nu goed of slecht was – heeft me gemaakt tot wie ik vandaag ben. Het heeft geen zin om stil te staan bij het verleden, om terug te blikken en je af te vragen wat je anders had kunnen doen. De verhalen die mensen me vertellen, sterken me in die houding. Ze laten me voelen hoe gelijk we in wezen zijn. Hoe verbonden. Op een dag is het mijn beurt. Het onbekende houdt me bezig.  En het beklemmende besef, waar ik liever niet te lang over nadenk: er helemaal niet meer zijn. Niet meer bestaan, behalve nog een tijdlang in de herinnering van mensen die je gekend hebben.  Tot ook zij dood zijn. Ook dat is weer een oefening in loslaten. En in nederigheid.’

Michel Piette, patholoog

Dat hij aan de kost komt als forensisch patholoog, is toevallig, zegt Michel Piette, hoofddocent in de Gerechtelijke Geneeskunde aan de UGent. Als pas afgestudeerde arts droomde hij van leven en werken in de tropen. Maar bij gebrek aan een geschikte job in den vreemde, volgde hij een opleiding specialist in inwendige ziekten. Hij werkte nog enkele jaren in een polikliniek, tot zijn oom, een Brugse onderzoeksrechter, hem polste.Of hij geen autopsies wilde doen, want er was een gebrek aan forensisch pathologen. Niet lang daarna bood de gerenommeerde gerechtsarts Jacques Timperman hem een job als assistent aan.  ‘Ik heb een paar maanden getwijfeld. Een dokter is in de eerste plaats bezig met het geven van leven. De stap naar werken met de dood was niet evident. Maar als arts inwendige ziekten vond ik het vaak frustrerend dat ik het bestuderen van het ziektebeeld zelf – het wetenschappelijke en labowerk – aan anderen moest overlaten. Het interessantste ging aan mijn neus voorbij, terwijl ik niets liever deed dan onderzoeken en leren. Als patholoog zou ik de kans hebben voortdurend nieuwe dingen bij te leren. Dus besloot ik op het voorstel van professor Timperman in te gaan.’

‘De eerste tijd had ik het niet gemakkelijk. Het onderzoekswerk op zich vond ik geweldig interessant. Maar aan het werken tussen dode lichamen kon ik maar moeilijk wennen. Wanneer ik hier ’s avonds laat in mijn eentje aan mijn doctoraat werkte en toevallig langs de koelkasten met lijken liep, bekroop me altijd een gevoel van onbehagen. Een irrationele angst, ja. En dan was er die steeds weerkerende nachtmerrie. Ik droomde dat ik een autopsie had uitgevoerd bij een man. Ik moest alleen nog zijn lichaam opnieuw dichtmaken. Ineens ging hij rechtop zitten en liep naar me toe. Rénnen dat ik kon in die droom (lacht). Het heeft lang geduurd voor de nachtmerries ophielden. Jaren. Maar ik heb nooit overwogen te stoppen met dit werk. Ik was rationeel genoeg om te beseffen dat zo’n droom niet meer dan een constructie is. De uiting van mijn angstige fantasie.’

Zijn angst is Michel Piette inmiddels kwijt, gelukkig maar. De gezicht van de dood is niet langer akelig. Het is rustgevend. ‘Het lijden is voorbij. Hoe hevig of gruwelijk de doodsstrijd ook was, een dode straalt gelatenheid uit. Tijdens de fase van de lijkstijfheid verkrampen de lachspieren soms, waardoor je de illusie van een glimlach krijgt. Het is artificieel, maar het versterkt wel de indruk van vredigheid.’

‘Een autopsie is eindeloos boeiend. Het is puzzelen. Soms letterlijk, wanneer iemand voor de trein gesprongen is bijvoorbeeld. Maar vaak houdt het speurwerk niet op bij de autopsie. Veel ziekten worden pas zichtbaar na bacteriologisch of toxicologisch onderzoek. Ik hou van dat multidisciplinaire werk. Iedereen leert voortdurend bij. En ik ben nu eenmaal een eeuwige student.
In ongeveer vijf procent van de gevallen moeten we het antwoord schuldig blijven. Meestal is dat bij lijken in verregaande staat van ontbinding . We nemen ons telkens weer voor daar het beste van te maken, in het besef dat de kans op succes zeer klein is. Een gevorderde dood heeft geen menselijk gelaat meer. Geen naam, geen gezicht, vaak zelfs geen herkenbaar geslacht. Je kunt niet anders dan je daarvan distantiëren. Ik ben ertegen gehard. Maar alleen daartegen. Want voor de rest ben ik juist gevoeliger geworden.’

‘Toen ik jonger was, draaide alles om weten en leren. Onderzoek, wetenschap, techniek: ik vond het mateloos fascinerend. Maar naarmate ik ouder word, komt de emotionele, menselijke kant meer bovendrijven. Misschien omdat het werk routine geworden is en ik meer tijd heb om na te denken. Misschien ook omdat een mens zich naarmate hij meer gezien heeft meer vragen gaat stellen. Over de wreedheid en de kwaadaardigheid van de sommige mensen. Jonge mensen die gefolterd en vermoord zijn, dat vind ik het moeilijkste. Ik kan me goed inbeelden hoe vreselijk hun doodsstrijd moet geweest zijn. Waarom, vraag ik me nu af. Waarom moest dit gebeuren? Waar ben ik in hemelsnaam mee bezig? Waar moet het naartoe met deze wereld? Maar het meest aangrijpende wat ik ooit heb meegemaakt, is het blootleggen van de massagraven in Kosovo tien jaar geleden. Dat waren kinderen, oude mensen, onschuldige burgers. We waren er met een internationaal gezelschap, en moesten elkaar overeind houden.’

Ondanks alles noemt Piette zichzelf een optimist. ‘Anders deed ik dit werk allang niet meer. Ik besef dat ik in mijn werk voortdurend met het slechtste van de mens geconfronteerd word. Maar ik zie om me heen nog zoveel mensen die een kern van goedheid in zich hebben. Dat stemt me hoopvol. Stoïcijns denken helpt me om afstand te nemen van het slechte. Ik blijf me afvragen waarom mensen slecht zijn. De lijn tussen goed en slecht is dun. Betere omstandigheden hadden er misschien voor gezorgd dat wie slecht is goed zou geweest zijn. Een naïeve gedachte allicht, maar ze biedt me houvast.’

Kris Coenegrachts, directeur crematorium

Het crematorium Westlede in Lochristi ligt op een uitgestrekt, royaal groen domein. Rouwende gezelschappen stromen toe in de grote ontvangsthal en schuiven aan. Boven de ingang van elke zaal staat op een digitaal scherm de naam van een overledene. De dag is nog maar net begonnen. Wanneer hij voorbij is zal het crematorium tussen de 3000 en 4000 bezoekers over de vloer hebben gehad.
‘De tijd dat cremeren uitsluitend iets voor een kleine, vrijzinnige elite was, is definitief voorbij,’ zegt directeur Kris Coenegrachts. Vandaag kiest meer dan de helft van de Belgen voor crematie. In steden als Antwerpen, Gent en Brugge ligt dat aantal zelfs beduidend hoger.

Toen Coenegrachts 25 jaar geleden de overstap vanuit de welzijnssector maakte, deed hij dat om twee redenen: ‘Het is mooi om zo’n belangrijke verandering in een mensenleven gade te slaan. Hoe mensen omgaan met afscheid, is me onverminderd blijven boeien. Maar ook mijn belangstelling voor technieken en milieu speelt een rol. Onder de invloed van drukkingsgroepen – het nimby-syndroom, weet u wel – is het gerucht gelanceerd dat crematoria milieuonvriendelijk zouden zijn. Klinkklare nonsens. Het menselijk lichaam bestaat grotendeels uit water. En we hebben gesofisticeerde filterinstallaties, waardoor onze uitstoot veel schoner is dan die van uw open haard. De grote verkeersstromen naar de crematoria, die kunnen wel voor vervuiling zorgen. Ons streefdoel is: meer crematoria, zodat niemand meer dan vijftien kilometer moet afleggen om er te geraken.’

Als manager van een middelgroot bedrijf komt Coenegrachts niet meer dagelijks in aanraking met rouwende familieleden. Maar de mensen die dat wél doen, zij die plechtigheden verzorgen bijvoorbeeld, hebben één ding gemeen: ‘Het zijn allemaal mensen met een optimistische levensvisie en het nodige relativeringsvermogen. Levenslustige mensen met gevoel voor humor. Wie dat niet heeft, kan niet met de dood werken. Wie een fascinatie voor de dood heeft en zichzelf als ervaringsdeskundige beschouwt omdat hij bijvoorbeeld een kind verloren heeft, is niet geschikt voor dit werk. Die gaat er binnen de kortste keren onderdoor. Maar wie daar goed mee omgaat, doet dit werk doorgaans bijzonder graag. Dat zie je wel vaker bij mensen die met de dood werken. Ook bij grafmakers. Die merkwaardige liefde voor hun werk, omdat ze het gevoel hebben dat ze iets kunnen betekenen voor mensen in een moeilijke levensfase.’

Trends komen en gaan in de uitvaartwereld. Elk jaar weer duiken spectaculaire nieuwigheden op tijdens vakbeurzen, maar volgens Coenegrachts zijn er maar twee echte trends: ‘De verschuiving van verstrooiing naar begraving van de urne, zodat er iets blijft om naar terug te keren. Maar vooral: plechtigheden worden steeds persoonlijker. Daar waar rituelen vroeger verbondenheid symboliseerden, draaien ze nu vooral om individualiteit. Wij zijn daar zeer ruimdenkend in. Alle muziekgenres kunnen, al frons ik ook wel eens de wenkbrauwen. ‘Tiritomba’ bij het binnendragen van de kist bijvoorbeeld, klinkt nogal potsierlijk. Je ziet ook hoe de aanwezigen zich daar onwennig bij voelen. Het vertalen van oude symboliek naar iets hedendaags werkt ook niet altijd: een erehaag van kinderen met tennisrackets mag dan goedbedoeld zijn, ze werkt op de lachspieren. We proberen daarin bij te sturen, maar uiteindelijk kiezen de mensen zelf. Ook multimedia worden steeds vaker gebruikt. Twee dingen kunnen voor ons absoluut niet: toespraken waarin men afrekent met anderen of politieke boodschappen verkondigt, lezen wij niet zelf voor. Ook verboden symbolen weigeren we.’

‘Bijzonder intens is wanneer de overledene zelf het laatste woord neemt in een filmpje of een stemopname die kort voor de dood gemaakt werd. Ik weet niet of dat altijd zo’n goed idee is. Het kan voor familieleden té emotioneel worden.’

‘Kinderen. Dat is een verhaal apart. Het blijft moeilijk. We hebben altijd aangedrongen op meer aandacht voor doodgeboren kinderen, voor foetussen zelfs. Vroeger werden die gewoon meegegeven met het ziekenhuisafval. Maar nu staan ze hier regelmatig: jonge koppeltjes met een kistje, een schoendoos of een sigarenkistje en een overweldigend verdriet – woede ook, waar ze in hun omgeving soms niet de volle erkenning voor krijgen. Ook mijn medewerkers weten zich daar soms geen raad mee. De heftigheid van de emoties bij kindercrematies raakt iedereen.’

‘De laatste jaren moet ik steeds vaker naar plechtigheden van kennissen en vrienden. Los daarvan ga ik wel eens kijken naar andere plechtigheden, om te zien hoe mijn mensen het doen. Maar ze helemaal uitzitten doe ik nooit meer. Het raakt me te diep. Dat is de keerzijde van die persoonlijke plechtigheden: je krijgt een zodanig duidelijk beeld van de overledene dat je onvermijdelijk wordt aangestoken door het grote verdriet. Ik ken vooraanstaand politici met een enorme kennissenkring, die hier twee tot drie keer per week een crematie kwamen bijwonen. Ik zag hoe het emotioneel aan hen vrat. Niemand houdt dat vol.’

‘Door alles wat ik hier zie, heb ik een nog grotere gevoeligheid voor mijn familie gekregen. Maar mijn angst is navenant. Ik zie hier zoveel verkeersslachtoffers, dat ik de neiging heb mijn kinderen en kleinkinderen te overbeschermen. Ik maak me verschrikkelijk kwaad in die banalisering van het gevaar op de weg, in de discussies over het opheffen van de maximumsnelheid.’

Vooruitdenken naar zijn eigen dood doet Kris Coenegrachts niet. ‘Ik ben een hevige atheïst. Ik geloof dat het leven dan gewoon gedaan is. En verder leef ik in het nu en probeer ik op mijn gezondheid te letten. Hoe mijn afscheid eruit moet zien? Couldn’t care less. Ze doen maar. Mijn ijdelheid reikt niet ver genoeg om me daarmee bezig te houden. Mensen willen soms te zeer te regisseur van hun eigen afscheid zijn. Ik vind dat een foute inschatting. Het enige wat écht telt is de behoefte van degenen die achterblijven.’

(verschenen in De Standaard Weekblad van 27 oktober 2012)

Lachyoga: één-twee-drie, hahaha!

Foto: Katrijn Van Giel

Ooit leverde het me, samen met mijn beste vriendin, een strafstudie op wegens ‘verstoring van de les, zelfs na herhaaldelijke waarschuwingen.’ De slappe lach. Zo’n heerlijke, irritante, uitputtende, maar absoluut onbedwingbare, dwaze lach, begonnen om niks. Of toch: om een paar oorclips die we op minder evidente plekken op ons gezicht en ons lichaam vastgezet hadden. En toen was er geen houden meer aan. Dertien waren we. Terwijl de rest van de klas ons met een weifelend glimlachje om één mondhoek aankeek en de lerares van geïrriteerd over boos naar woest evolueerde, kregen we het alleen maar kwader. Hikken, gieren, naar adem happen, naar elkaar wijzen, tranen wegvegen, onze buik vastgrijpen, kreunen, even inademen, naar elkaar kijken en weer van voren af aan beginnen. We wilden heus ophouden, maar het wilde echt niet lukken.

LACHEN ZONDER GRAP

Om maar te zeggen: ik lach graag. Nog steeds. Logisch geredeneerd zou een sessie lachyoga een kolfje naar mijn hand moeten zijn, al lijkt de gedachte op commando te moeten lachen een beetje vreemd. Ik voel enige gêne en een lichte opstandigheid, ben die dag niet meteen in de juiste stemming, maar wil niet onsportief zijn. Lachleraar Luc Van Imschoot is immers een joviale en sympathieke man – hoe kan het ook anders? – en de grote groep deelnemers lijkt mee te vallen. Het zijn voornamelijk vrouwen van alle leeftijden, naast enkele mannen en twee kinderen.

Het was de Indiase dokter Madan Kataria die in 1995 op het idee kwam mensen samen te brengen om niets meer te doen dan te lachen, gewoon omdat het fijn is. Gevoel voor humor is niet nodig, schijnt het, je hoeft zelfs niet gelukkig te zijn. Wie wil lachen, zal lachen, omdat het nu eenmaal aanstekelijk werkt. Over de hele wereld bestaan inmiddels ruim vijfduizend lachclubs, waarvan dertig in België. Luc Van Imschoot, in het gewone leven manager, volgde zijn opleiding tot lachleraar bij Kataria zelf.

Lachen is gezond, zegt de volksmond. Nu durft de volksmond wel eens prietpraat te verkopen, maar in deze geeft wetenschappelijk onderzoek hem gelijk. Een flinke lachbui helpt tegen stress, versterkt het immuunsysteem, ontspant en slankt af, stilt pijn en zou zelfs beschermen tegen een hartaanval. En het bevordert het groepsgevoel. Dat blijkt: de meeste deelnemers schijnen elkaar al goed te kennen en begroeten elkaar uitbundig. De sfeer zit er meteen in.

HO HO, HAHAHA

We gaan in een grote kring staan voor een paar ontspanningsoefeningen. Armen en schouders moeten losgeschud worden en we mogen stevig in- en uitademen. Bij twee of drie mensen heeft dat al een effect – links een langgerekte hoge giechel, rechts een diepe, ritmische bulderlach.

De volgende stap is ‘gemaakt’ lachen. Lachen is aanstekelijk, vertelt Luc, en door te doen alsof zullen we vroeg of laat écht gaan lachen. We moeten een mantra aan elkaar doorgeven, ho ho hahaha. We lopen kriskras door elkaar, klappen op de maat van het mantra in de handen en kijken iedereen diep in de ogen terwijl we lachen. Of doen alsof, want ik raak voorlopig niet verder dan dat stadium. Daarna moeten we bij ‘hahaha’ met onze handen tegen die van een ander klappen.

Tussen onze mantra’s door vraagt Luc ons in te leven in allerlei rollen. ‘We zijn een kikker’, zegt hij, ‘en we springen vooruit, twee keer. En bij de tweede sprong láchen we!’ Een kikker? Welja, gewoon doen. Ik adem diep in en zet mijn gêne opzij. Buig door mijn benen, spring en spring nog een keer. En lach. Of doe alsof, alweer, want mijn ‘hahaha’ klinkt mat en steriel. Even later zitten we op de rug van een kameel en moeten we alweer lachen. Ik lach. Of doe alsof. Ik voel een pijnlijke frons in mijn voorhoofd trekken, mijn wangen voelen onnatuurlijk stram, mijn ene mondhoek wil zelfs niet meer mee. Een vrouw kijkt me vragend aan en ik schud vertwijfeld het hoofd. ‘Het gaat niet.’ ‘Niets van aantrekken’, zegt ze, ‘bij mij lukte het ook niet de eerste keer.’ In de lach schieten mogen we ook doen, letterlijk dan. We maken een sprong, zoeken oogcontact met een ander en beschieten elkaar met een denkbeeldig pistool, waarna meteen weer een lachsalvo volgt.

STEEK MIJ DAN AAN!

Ik doe mijn best, eerlijk waar, maar begin me af te vragen wanneer ‘het’ nu eindelijk zal komen. Misschien lukt het wel met de lachmilkshake die we even later mogen maken. Met wijde armbewegingen gooien we er allerlei denkbeeldige ingrediënten in, door de groep aangebracht. Chocolade! Aardbei! Banaan! We schudden hevig in de lucht en gieten de brij in één slok naar binnen. Waarna we weer lachen. Of – ik val in herhaling – doen alsof.

Tijd voor de vrije lach. We mogen een matje nemen, gaan in een wijde kring zitten en mogen alle remmen losgooien. Lachen, gieren, brullen. Ik probeer. En probeer. En probeer. Zoek vertwijfeld oogcontact met een verwante ziel die dit ook moeilijk vindt. Maar ik zie alleen mensen die almaar harder op hun dijen slaan, omver rollen van het lachen, rood aanlopen, naar adem happen, tranen wegvegen, naar hun buik grijpen. Dit moest toch aanstekelijk zijn? Steek mij dan aan!

Maar hoe harder ik probeer, en hoe luider de lachsalvo’s door de ruimte galmen, hoe gefrustreerder ik me voel. Het is bevreemdend. Helemaal eerlijk? Het huilen staat me op de duur nader dan het lachen. Alleen de twee kinderen kijken af en toe zoals ik wellicht kijk: met een weifelend glimlachje om één mondhoek. Het duurt lang. Vijf minuten, tien minuten, een kwartier. Of lijkt het alleen maar zo?

Eindelijk is het gedaan en mogen we gaan liggen. Ik geniet van de stilte. Luc zet een cd op met ontspannende muziek. Daarna gaan we rechtop zitten en mogen we vertellen wat we ervan vonden. Ik antwoord naar waarheid. Maar op het dertienjarige meisje dat naast me zit na, ben ik de enige die het moeilijk gehad heeft. ‘Heerlijk’, ‘fantastisch’, ‘ik voelde me vanmorgen slecht, maar nu is dat helemaal over’, ‘ongelooflijk deugddoend’ – dat is de algemene teneur.

Conclusie? Lachyoga schijnt bijzonder prettig te zijn en helpt echt, zeggen velen. Ik geloof hen, heb het met mijn eigen ogen gezien. Maar misschien moet je toch een klein beetje in de stemming zijn. Of misschien ligt het me gewoon minder. Laat me doldwaas lachen, al wat ik geven kan. Maar zeg me niet dat het moet.

(ik maakte voor De Standaard Magazine de reeks ‘De Geluksmarkt’: een scepticus op reis in een landschap van alternatieve therapieën)

Creativiteit: voor losers of genieën?

Als we de Amerikaanse econoom Richard Florida mogen geloven, behoort België tot de creatiefste landen ter wereld. Daarvoor baseert hij zich op het hoge percentage creatieve professionals: bijna dertig procent van onze werkende bevolking is artiest, muzikant, wetenschapper, ingenieur, architect, manager of vervult een conceptuele of creatieve functie. Op wereldvlak staan alleen de VS op een hoger schavotje. Maar wat is creatief?

Een cynicus kan stellen dat bovengenoemde feiten niet pleiten voor onze intrinsieke kwaliteiten. Dat het betekent dat we zwak en wanhopig zijn, en dat onze creativiteit een noodzaak is om het hoofd boven water te houden tussen andere landen die veel sterker zijn dan wij, op welk vlak ook. Of zoals de bioloog Simon Reader het stelt: ,,Creativiteit is de laatste toevlucht van de losers in de natuur.”

Puur biologisch bekeken heeft Reader gelijk. De homo sapiens haalde het als mensensoort wellicht op de Neanderthaler, precies omdat hij fysiek zoveel zwakker was. Om te overleven moest hij zijn hersenen op een ongebruikelijke manier laten werken, anders denken, de gebruikelijke denkpatronen verlaten. Anders gezegd: creatief zijn. En dat is, volgens de psycholoog Edward de Bono, tegennatuurlijk: ,,De bedoeling van onze hersenen is routinepatronen uitzetten en gebruiken, en niets anders.” Zeven creatieve gedachten over creativiteit.

1. Creativiteit is geen kinderspel

Creativiteit is een ernstige zaak, meent De Bono, hoe paradoxaal het ook klinkt. Creativiteit is al helemaal geen kinderspel. Zeggen dat kinderen ons op dat vlak tot voorbeeld zouden moeten strekken, gaat maar ten dele op. Knotsgekke ideeën, onmogelijke situaties, pure fantasieverhalen die leuk gevonden zijn, maar verder nergens op slaan, hebben weinig met creativiteit te maken. Echte creativiteit moet zin hebben. Het enige voordeel van kinderen is dat ze doorgaans onschuldig en onwetend zijn, waardoor ze een probleem soms op een verfrissende manier benaderen. We kunnen proberen onze kinderlijke onschuld en verwondering opnieuw aan te spreken, en dat zal ons ongetwijfeld een beetje creatiever maken, maar een dergelijke ,,natuurlijke” creativiteit is uiterst beperkt als het om complexere problemen gaat. Dan gaat het om zwoegen, uittesten, het idee toetsen aan onze ervaring en desnoods verwerpen en herbeginnen. Eén procent inspiratie en 99 procent transpiratie: clichés kunnen o zo waar zijn.

2. Saaie Da Vinci, kleurloze Edison

Creativiteit mag dan in het comfortabele alledaagse leven niet altijd nodig of zelfs wenselijk zijn — stel je voor dat we voor dagelijkse handelingen als koffiezetten of naar het toilet gaan een originele, creatieve invalshoek zouden willen vinden, we zouden bezig blijven en ons bovendien grenzeloos belachelijk maken, toch wil iedereen graag creatief gevonden worden. Creatief zijn is in. Het wordt niet langer als middel gezien, maar is een doel op zich. Creatieve mensen worden immers geacht boeiende persoonlijkheden te zijn, smaakvol en eigenzinnig aangeklede enthousiastelingen die altijd wel een originele oneliner hebben en over elke maatschappelijke en culturele kwestie hun interessante meningen ventileren. Een beetje creatieveling straalt dat ook uit, zo hoort het. Of tenminste, zo wil de mythe het.

Grappig is dat we hier voorbijgaan aan het feit dat biografen van grote creatieve genieën zich tijdens het schrijven van hun boek soms de haren uit het hoofd rukken, omdat ze er maar al te vaak niet in slagen een boeiend portret van hun genie in het dagelijkse leven te schetsen. Leonardo da Vinci, misschien wel het archetype van het creatieve genie, leidde een nogal teruggetrokken leven, was op zijn kleurrijkst een beetje een dwingeland, maar zou voor het overige een vrij saaie man geweest zijn in de omgang. Isaac Newton en Thomas Edison waren nogal kleurloze werkmieren. Michelangelo, Beethoven, Picasso en Einstein leverden elk op hun terrein verbijsterende prestaties, maar waren bijzonder doorsnee mensen in hun dagelijkse handelingen en ideeën. Johann Sebastian Bach was een brave, rustige huisvader, die zijn meesterwerken niet spontaan liet opborrelen vanuit een soort goddelijke inspiratie, maar die netjes op een bijna ambtelijke — maar daarom niet minder magistrale — wijze muziek schreef op vraag van zijn opdrachtgevers. En een journalist die vol verwachting John Bardeen, de tweevoudige Nobelprijswinnaar Natuurkunde, interviewde, keerde ietwat teleurgesteld terug. Van zo’n creatief meesterbrein verwachtte hij toch iets meer inzicht in of belangstelling voor ,,de dingen des levens”.

3. De mythe van de geniale ingeving

Maar hoe zit het dan met de creatieve persoonlijkheden? Zijn het allemaal grijze muizen in hun dagelijkse bestaan? Bestaat er überhaupt zoiets als het prototype van een creatieve persoonlijkheid?

De Amerikaanse psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi probeert in zijn boek Creativiteit. Over flow, schepping en ontdekking een antwoord te geven. Als eerste in de geschiedenis deed hij onderzoek naar nog levende creatievelingen: schrijvers, wetenschappers, filosofen en dergelijke die in hun vakgebied elk tot de top behoren, lieten zich gewillig doorlichten.

Een van zijn bedoelingen was creativiteit van haar franjes te ontdoen, van het aura van goddelijkheid, van de mythe van de geniale ingeving. Het klinkt allemaal te simpel, zo stelt hij. Edison vond de elektriciteit uit. Einstein vond de relativiteit uit. We houden van de heroïek in die verhalen over geniale wetenschappers die in hun achterafkamertje ineens het licht zien. Maar, zo benadrukt hij, al die creatieve verwezenlijkingen waren onmogelijk zonder de op dat moment al bestaande kennis, zonder een sociaal en intellectueel stimulerend netwerk, zonder de mechanismen nodig voor erkenning en verspreiding.

Bovendien moet je behoorlijk wat geluk hebben met het tijdstip waarop en de plek waar je geboren wordt. Het Griekenland van de vijfde eeuw voor Christus, het vijftiende-eeuwse Firenze en het negentiende-eeuwse Parijs waren een droom voor creatieve geesten: de welvaart en de overvloed aan vrijetijd — althans, voor het welvarendste deel van de bevolking — schiepen een klimaat waarin ruimte was voor leren en experimenteren, voor creatieve uitingen van welke aard ook.

4. Geniaal of gestoord?

Csikszentmihalyi noemt zichzelf een naïeve optimist. Hij verwondert zich oprecht over het feit dat er zo weinig onderzoek verricht wordt naar het abnormaal-zijn in positieve zin. Al decennia onderzoeken psychiaters en psychologen bijvoorbeeld het verband tussen creativiteit en psychose, en hun conclusies zijn duidelijk: creatieve geesten zijn vatbaarder voor een psychose. Een voor de hand liggend voorbeeld is Vincent van Gogh. Had hij na zijn dood niet die overweldigende erkenning gekregen vanuit de kunstwereld en later ook van het brede publiek, dan was hij hoogstens bij de mensen die hem persoonlijk gekend hebben, nog even in de herinnering blijven hangen als die psychisch gestoorde man die vreemde, drukke schilderijen maakte. Om daarna voorgoed in de vergetelheid te geraken. Iets wat ongetwijfeld vele anderen die misschien evenveel talent hadden, maar niet op het juiste moment op de juiste plaats waren, overkwam.

Alleen al in de Verenigde Staten verschijnen elk jaar honderdduizend boeken en staan er vijfhonderdduizend mensen geregistreerd als kunstenaar. Het gros van hen zal hiervoor nooit de erkenning krijgen. De reputatie van een creatieve geest is altijd onderhevig aan de grillen van de sociale erkenning, en die zijn totaal onvoorspelbaar. Zo is iedereen het er vandaag over eens dat Bach een creatief genie was op muzikaal vlak, terwijl hij tegen het einde van zijn leven en nog lang na zijn dood bestempeld werd als ,,ouderwets”.

5. Opportunisme of hoog EQ?

Csikszentmihalyi houdt zich niet bezig met de duistere kanten van creativiteit. Bij hem geen verhalen over psychose, maar vooral bruisend enthousiasme over de vaststelling dat de meeste creatievelingen ronduit optimistisch zijn. Daarmee geeft hij meteen tegengas voor de wijdverbreide opvatting dat creativiteit — vooral artistieke creativiteit — moet ingebed zijn in pijn en lijden. Het gekwelde genie is een mythe die we te danken hebben aan de romantische school. Gekwelde zielen als Tolstoj en Dostojevski bestonden/bestaan natuurlijk, maar de reden voor die gekweldheid heeft niets met hun creativiteit te maken. Wat Tolstoj en Dostojevski betreft: zij leefden en werkten op het moment dat de Russische samenleving op instorten stond, en die onzekerheid en somberheid reflecteert zich daardoor onvermijdelijk in hun werk. De vele verhalen over kunstenaars die, gekweld door de pijnlijke kronkels die hun creatieve geest maakt, naar drank, drugs of pillen grijpen, hebben dan ook minder te maken met nevenverschijnselen van hun creativiteit, dan wel met een schrijnend gebrek aan waardering en erkenning.

Interactie met de omgeving blijkt een cruciale rol te spelen in creatieve verwezenlijkingen, daar zijn de meeste onderzoekers het stilaan over eens. Creativiteit moet, wil ze ten volle tot ontplooiing komen, gepamperd en goedgekeurd worden door de sociale en professionele omgeving. Talent is maar een kleine eerste stap. Wie geen toegang krijgt tot het gebied waarin dat talent zich verder kan ontwikkelen, zal met zijn creativiteit op dat vlak nooit iets kunnen betekenen. Elk getalenteerd kind — of het nu op wiskundig, wetenschappelijk of artistiek vlak is — moet de regels leren kennen, om ze toe te passen en om ze misschien uiteindelijk te kunnen overtreden. En iedereen die talent heeft en de regels kent, moet aan de slag kunnen gaan ,,in het veld”. Het is uiteindelijk dat veld dat erover beslist of er sprake is van echte creativiteit, van verwezenlijkingen die steek houden, nut hebben, de mensheid iets bijbrengen. Maar ook daarin kan de creatieveling een rol spelen. Wie, behalve talent én kennis én schitterende ideeën, ook over het vermogen beschikt zich vlot aan te passen aan de verwachtingen van zijn omgeving en alles wat op zijn weg komt, weet te gebruiken om zijn doelen te bereiken, zal ongetwijfeld veel sneller erkenning krijgen dan zijn iets minder sociaal begaafde collega. Opportunisme, roept de ene. Emotionele intelligentie, oordeelt de andere. En het liefst meer dan dat.

6. Hoogbegaafdheid, een vloek?

Het lijkt voor de hand liggend dat zinvolle creativiteit niet mogelijk is zonder intelligentie. Mensen die iets betekenen in hun vakgebied, of het nu over architectuur, scheikunde of literatuur gaat, zijn zonder uitzondering intelligent. Minstens gemiddeld intelligent, vaak heel intelligent. Vreemd genoeg blijken mensen die superintelligent zijn, het doorgaans minder ver te schoppen op creatief gebied dan de subtoppers. De vloek die op hoogbegaafde kinderen lijkt te rusten tijdens hun schoolcarrière, zou zich weleens kunnen doortrekken naar hun latere leven. Omdat alles te gemakkelijk en te vanzelfsprekend is, dreigt het heilige vuur uit te doven. Elk sprankje creativiteit wordt al snel gedoofd door verveling en een zekere zelfgenoegzaamheid. Het is geen toeval dat bijvoorbeeld rekenwonders zelden uitblinkers worden op professioneel vlak.

7. Schoonheid doodt creativiteit

Meer dan één creatieveling ontdekte in de loop van zijn leven de weldadige invloed van de natuur. In een mooie, rustgevende omgeving — de bossen, de bergen, de zee: u kiest — lijken ideeën sneller tot ontwikkeling te komen, lijken stukjes van een schijnbaar onoplosbare puzzel ineens verbazend vlot ineen te passen. Kortom: de inspiratie ligt er voor het rapen. Nogal wat schrijvers en kunstenaars meenden dan ook hun grijze geboortestreek te moeten verlaten, om in hun Tuin van Eden hun creativiteit de vrije loop te kunnen laten. Soms werkte de verhuizing, vaak bleek het een tragische vergissing. De Britse dichteres Elisabeth Barrett-Browning was maar een van de velen die zozeer overspoeld werden door de poëtische kracht van het landschap, dat haar werk teleurstellend prozaïsch werd. Je kunt niet eeuwig jubelen over het Toscaanse licht dat een sluier van goud over de heuvels drapeert.

De remedie blijkt simpel: inspiratie opdoen in het paradijs, maar werken in een vertrouwde, misschien wel saaie omgeving. Beethoven componeerde prachtige muziek in een vrij duistere kamer in een bescheiden huis. En Einstein zette zijn relativiteitstheorie op papier gezeten aan de keukentafel. Precies om die reden zouden monniken hun kloosters met Spartaans ingerichte cellen gebouwd hebben op de schitterendste plekken van de wereld: hun één procent inspiratie kregen ze cadeau zodra ze hun neus buitenstaken. En werken deden ze in soberheid, zonder franje.

(verschenen in De Standaard Magazine in 2005)