Wie een vagina heeft (en er ook iets over te zeggen wil hebben), kan niet anders dan een feministe zijn

Een ontwapenend grappige en slimme feministe, dat is Caitlin Moran ten voeten uit. In haar boek ‘How to be a woman’ schetst ze haar kijk op vrouwelijkheid, aan de hand van haar eigen levensverhaal. Stout, goudeerlijk en met veel gevoel voor zelfrelativering. Eén ding staat vast: wie een vagina heeft en er ook iets over te zeggen wil hebben, kan niet anders dan een feministe zijn.

Het eerste wat ik er spontaan uitflap wanneer ik Caitlin Moran de hand schud, is dat ik me tijdens het lezen van haar boek zo bloody normal voelde. Niet meteen een standaard-openingsvraag van een interview met een schrijver, maar daar tilt ze niet aan. ‘Why thank you, darling! Dat hoor ik van zo veel vrouwen’, zegt ze met een ontwapenende glimlach. ‘Is het niet veelzeggend dat we ons opgelucht voelen omdat we normaal schijnen te zijn?’

Vrouw-zijn-hoe-doe-je-datEn dan volgt een niet te stuiten, enthousiaste vloed aan verhalen en ideeën. Eerst moet ze kwijt dat ze net op stap is geweest met twee reporters van het Nederlandse tv-programma De wereld draait door, die haar hun penis lieten zien, zomaar op een brug in Amsterdam. Eentje met en eentje zonder haar – geef haar maar de eerste. Ze is een schaamhaarfan, wat ze overigens ook in haar boek met veel brio duidelijk maakt. ‘Vaginaretro’ noemt ze zichzelf. En ze fulmineert tegen de kale-kutjesmode: ‘Krijg de PEST, pornografische-zeden-die-hun-weg-hebben-gevonden-in-mijn-onderbroek. KRIJG DE PEST.’ Tijdens het gesprek snoept ze kaas, trekt ze af en toe haar ene knie tot tegen haar kin, haalt ze haar vingers door het haar om er de knopen uit te trekken, vloekt en lacht ze. Daar gaan we: negen keer Caitlin Moran over vrouw-zijn.

1. OVER EERLIJKHEID

‘Vrouwen zijn niet eerlijk tegen elkaar. We liegen over veel dingen, of we zwijgen erover. Tenzij we heel veel gedronken hebben (lacht). Nee hoor, we masturberen niet of nauwelijks. We hebben geen abortussen. En de dag waarop ons kind geboren wordt, is de mooiste dag van ons leven. Dat ik in mijn boek onverbloemd vertel over mijn ervaringen met masturbatie, menstruatie, abortus, bevallen en zoveel meer, noemt men revolutionair en verbijsterend. Dat zegt veel over hoe vrouwen over zichzelf denken. Veel dingen die essentieel zijn voor ons vrouw-zijn houden we geheim. En de belangrijkste reden daarvoor is schaamte. We schamen ons omdat we normaal zijn. En vaak worden we ervoor gestraft. Het hoort niet.’

‘Ik heb al mijn schaamte opgebruikt voor mijn achttiende. Toen ik jong was, geneerde ik me voor alles. Tot ik begon te zien dat datgene waar ik me voor schaamde fascinerend was in al zijn normaalheid. Ik begon te schrijven over dingen waarover niemand ooit eerder had geschreven. Dat is een groot voorrecht voor een schrijver. Toen ik in mijn column in The Times voor het eerst vertelde over mijn abortus, kreeg ik een reactie van een beroemde feministe: zij had nooit de moed gevonden om zo eerlijk over haar abortus te schrijven. Ze was bang. Maar als iedereen veel opener en eerlijker zou vertellen, dan zou iets als abortus ruimer aanvaard worden en zou men ook stoppen met vrouwen schuldgevoelens aan te praten.’

2. OVER SEKSISME

‘Voor de tweede feministische golf was er sprake van expliciet seksisme. Het was duidelijk, het hoorde erbij, we hadden er vrede mee. Een rotsituatie, eigenlijk. Het seksisme van vandaag is veel subtieler, en daardoor ook veel moeilijker te counteren. Het heeft geen zin om er meteen in te vliegen, het houdt geen steek. Het is, zoals ik in mijn boek schrijf, als een vage schimmelgeur in de gang te lijf gaan met een broodmes. Soms zie ik op Twitter dingen die me vreselijk kwaad maken, waarop ik het liefst zou reageren met: “Fuck off, seksistische klootzak!!” Maar als je domheid bevecht met woede, dan hoort niemand wat je eigenlijk wilt zeggen. Ze zullen op hun beurt met een emotie reageren op jouw emotie, en dat maakt je alleen maar zwakker. Dus adem ik diep in en uit en reageer ik als een vriendelijke, geduldige, maar strenge moeder: “Hm, dat was niet zo netjes, hè? Als je zo doorgaat, zal ik je jammer genoeg moeten blokkeren.” Dat helpt dus wel. Ik kan het iedereen aanbevelen.’

3. OVER HUMOR

‘We horen voortdurend dat vrouwen niet grappig kunnen zijn. Dat ik op een grappige manier geschreven heb over vrouw-zijn is een politieke daad op zich. Veel dingen die mannen doorgaans kunnen, kan ik niet. Ik ben fysiek niet sterk. Ik kan niet vechten. Ik ben een waardeloze ruziemaker, want ik begin snel te huilen. Maar humor heb ik wel. Het is mijn enige wapen, en dat geldt voor wel meer vrouwen. De fout die we maken is dat we grappig proberen te zijn zoals mannen grappig zijn: kort op de bal, razendsnel, zoals je in bepaalde tv-programma’s ziet. Programma’s die door en voor mannen gemaakt zijn, en waarvan mannen de spelregels bepalen. Eigenlijk leggen ze gewoon hun penis op tafel om te kijken wie de grootste heeft. Vrouwen hebben geen penis. Ik bedoel: die manier van grappen maken werkt niet voor ons.’

‘Het heeft jaren geduurd voor ik erachter was dat je als meisje niet kunt meedoen aan een jongensspelletje en winnen. Nooit! Op dat vlak ben ik een separatist geworden: meisjes moeten hun eigen spel spelen en daarin proberen uit te blinken. Daarom ben ik zo gek op Twitter. Ik kan er mijn stand-upshow opvoeren en anderen kijken toe. Ik bepaal de regels en het tempo.’

4. OVER FEMINISME

‘Het feminisme is gestold tot een discussie tussen academici. Veel vrouwen van mijn leeftijd hebben er geen idee meer van waar het over gaat. Het oogt allemaal zo serieus, zo humorloos, zo intellectueel. Daarom gaan ze er verkeerdelijk van uit dat het niets voor hen is. Maar de oorsprong van het feminisme was veel meer dan een intellectuele discussie. Het was emotie, opwinding! Revolutie, rock-‘n-roll! Dat gevoel zijn we kwijtgeraakt. Ik wil het hedendaagse feminisme opnieuw opentrekken naar kleinere, voor de hand liggende problemen die vrouwen net zo goed dwarszitten.’

‘Ik ben geen academica, ik ken de juiste termen niet, maar ik ben een voorstander van een nultolerantiebeleid voor patriarchale lulkoek. Bij alles wat anderen ons opleggen of wat we onszelf opleggen, moeten we ons afvragen: doen mannen dat ook? Stellen we dezelfde eisen aan hen? Behandelen we hen op dezelfde manier? Als dat niet zo is, dan hoort het in de categorie patriarchale lulkoek thuis, en dan moeten we er vooral hard om lachen.’

‘Ik hoop van harte dat mijn boek niet het enige grappige boek over feminisme zal blijven. Ik wil dat vrouwen ervan genieten, maar ook dat ze me tegenspreken. Zoals in de politiek of in de filosofie: laat het feminisme weer iets worden waar iederéén zich mee bemoeit. Laten we samenwerken, dan wordt het feminisme weer écht interessant.’

5. OVER FLIRTEN

‘Er zijn zo’n aantal idee-fixen waar het traditionele, strenge feminisme ons mee opgezadeld heeft. We mogen geen feeks zijn, nooit gemeen doen tegen elkaar. En we mogen vooral onze charmes niet uitspelen. We mogen, met andere woorden, niet flirten. Maar mannen doen beide: ze zijn soms gemeen tegen elkaar en ze flirten zowat de hele tijd. Alleen noemen ze het “netwerken”. Waarom zijn we toch zo streng voor elkaar en voor onszelf? Als we de hele tijd braaf en perfect zijn, komen we echt nergens. Niet iedereen moet flirten van mij, maar sommige mensen – mannen en vrouwen – zijn er goed in en doen het ook erg graag. Het maakt het leven aangenaam. Voor mijn part flirten we ons een weg naar de top.’

6. OVER PORNO

‘Iedereen verlangt, iedereen wil neuken, iedereen wil klaarkomen, daar draait het om in seks. Maar porno is niet hetzelfde als seks. Ik denk niet dat je feministe kunt zijn en tegelijk mainstreamporno verdedigen. We willen emotie zien. Oké, er zit soms emotie in porno, maar nooit de emotie die me interesseert. Ik wil verlangen zien, begeerte, lust, maar ik zie alleen maar pijn. Kijk naar de gezichten van die vrouwen die anaal gepenetreerd worden of zitten te wachten tot ze sperma in het gezicht krijgen: ik zie geen sprankel lust. Echt goede porno – geen soft, “vrouwvriendelijk” gedoe, bespaar me dat – zou zich op begeerte focussen.’

‘Ik weet niet hoe de cijfers bij jullie zijn, maar in Groot-Brittannië is porno voor 97 procent van de kinderen de voornaamste bron van seksuele voorlichting. Hun idee van goede seks is compleet vertekend: mechanisch geneuk, hogesnelheidspenetratie en demonstratief ejaculeren. Seks lijkt oorlog, gymnastiek in het beste geval. Terwijl het zo lekker ontspannend kan zijn.’

‘Als tienermeisje geraakte ik vreselijk opgewonden van de vele seksscènes in de – niet zo goed geschreven – boeken van Jilly Cooper en Jackie Collins. Een van mijn toekomstige projecten ligt in die lijn. Tegen dat ik veertig ben, wil ik sexy fictie schrijven. Grappige, mooie, goed geschreven boeken met veel expliciete seks. Ik verheug me nu al. En ik oefen volop: ik ben ontzettend goed in het sturen van vieze e-mails (lacht).’

7. OVER MUZEN

‘Overal horen, zien en lezen we wat mannen ooit gedacht en gedaan hebben. Ook over vrouwen. We zijn er zo aan gewend geraakt dat mannen over ons spreken, over ons schrijven, over ons zingen. We denken dat we anderen moeten inspireren. Soms hoor ik iets moois, en denk ik: o, iemand zou daar een liedje moeten over schrijven. Maar dan herneem ik me: verdorie, nee, ik moet daar zélf een liedje over schrijven! Dan houd ik de controle, en verdien ik er meteen ook geld aan. We denken nog te veel na over de indruk die we op anderen maken, maar we moeten gewoon dingen zelf in handen durven te nemen.’

8. OVER SCHOONHEID

caitlinmoran‘Ik ben blij dat ik niet mooi was in mijn schooltijd. Twee meisjes op school waren echte schoonheden, alle jongens waren gek op hen. Maar als je piekt op je zeventiende, achttiende, dan voel je de nood niet meer om hard je best te doen. Ik was me er voortdurend van bewust dat mijn tienerjaren niet de beste jaren van mijn leven waren. En wat een geluk. Hoe afschuwelijk moet het zijn om, net als kindsterretjes, op die leeftijd te beseffen: beter dan dit wordt het nooit. Ik heb oprecht medelijden met de mooiste meisjes van de school. Maar indertijd haatte ik ze natuurlijk (lacht).’

‘Die dwang om er fabuleus uit te zien als vrouw hangt me de keel uit. Wat heb je eraan? Laat een perfecte vrouw een kamer binnenkomen, en alle vrouwen die er minder perfect uitzien trekken de wenkbrauwen op. De mannen in die kamer zullen zich ofwel geïntimideerd voelen, ofwel denken: haar wil ik wel neuken. In beide gevallen ontmenselijkt het. Daarom kleed ik me graag slordig (lacht). Voor fotoshoots of televisieoptredens sta ik erop mijn eigen haar en make-up te doen. Dat kost me welgeteld drie minuten. Als ze me willen restylen: pech. Mij krijg je niet meer in kleren waarin ik me niet comfortabel voel.’

‘Al moet ik bekennen dat ik niet altijd ontsnap aan de druk. Niet lang geleden heb ik me een designerhandtas van 600 pond gekocht, omdat ik nerveus was voor een groot optreden en geloofde wat modemagazines me proberen wijs te maken: dat zo’n ding me zelfvertrouwen zou geven. Het enige wat me op dat moment daadwerkelijk tot rust bracht, was naar The Beatles luisteren. Muziek in je hoofd is magisch, het is een medicijn, en het kost weinig of niets. Maar dat vertellen ze je natuurlijk niet in die magazines.’

9. MANNEN

‘Feministen willen mannen helemaal niet weg. Wat een misverstand! We willen gewoon ons deel van de wereld, niet alles. Laat mannen toch gewoon hun zin blijven doen. Ik ben geen mannenhaatster, integendeel. Maar net zoals rijke mensen soms vergeten dat het een voorrecht is rijk te zijn, vergeet een blanke, heteroseksuele man weleens dat hij in deze wereld geprivilegieerd is. Hij vindt zijn positie normaal, hij is de norm. En toch is het niet normaal dat hij zo veel macht heeft. In Groot-Brittannië wordt 78 procent van de krantenartikels door mannen geschreven, 89 procent van de radio-optredens wordt door mannen ingevuld. Voor televisie loopt dat zelfs op tot 91 procent. Ik heb nog geen enkele man horen zeggen: “Kijk eens hoeveel mannen daar nu weer zitten.” Vrouwen zien dat wel, en vinden dat niet zo normaal. We leven in een soort parallelle werkelijkheid.’

(verschenen in De Standaard Magazine op 31 maart 2012)

Mijn rijtjeshuis voor jouw luxevilla?

Wildvreemden die je lingerielade overhoophalen en de aap uithangen met je beha over hun kleren en je slip op hun hoofd. Je familiefoto’s bekijken. Seks hebben in je bed en je puberdagboek doorbladeren. Zijn er ook voordelen aan huisruil als vakantieformule? Welzeker.

Louisiana_1    Het lijkt paradoxaal, maar net als bij naturisme hing naar mijn gevoel rond huisruil lang een waas van kneuterige openheid. Mijn ietwat cynische vooroordelen heb ik intussen aan de kant geschoven. Voor alle duidelijkheid: naturist ben ik nog steeds niet. Anders ligt het bij huisruil. De bijna als een bedreiging klinkende belofte die ik indertijd her en der hoorde – ‘Eens je huizen ruilde, wil je niks anders meer’ – bevat meer waarheid dan ik ooit durfde te denken.

Het idee groeide toen we een zevental jaar geleden het Canadese huisruilgezin van vrienden wegwijs maakten in Gent. Hun enthousiasme, en enkele weken later ook dat van onze vrienden, werkte aanstekelijk.

We hakken we de knoop door: onze zomervakantie van 2001 zal richting VS gaan. Een bestemming waar we al langer zin in hebben, maar die voor ons gezin – twee volwassenen, twee tieners – onbereikbaar is, wegens te duur. Onze plannen worden afwisselend op verwondering, voorzichtig enthousiasme en sceptisch geknor onthaald. Over ons aanbod klinkt het eensluidend: ‘Wie wil in ’s hemelsnaam naar Wondelgem komen?’

Ik ben steeds meer gaan voelen voor het goed gedoseerde optimisme en het op het eerste gezicht naïeve vertrouwen dat huisruilers zowat overal ter wereld met elkaar gemeen hebben. Na heel wat contacten met collega-huisruilers heb ik welgeteld één minder goede ervaring mogen noteren: een Amerikaans koppel was erg teleurgesteld, omdat de overeenkomst met een Parijs gezin op het laatste moment werd afgeblazen, zonder duidelijke reden. Vermoedelijk hadden de Parijzenaars, mensen die voor het eerst huizen zouden ruilen, een interessanter aanbod gekregen. Dat is meteen een eerste – ongeschreven – regel voor wie huisruil overweegt: zodra je concrete afspraken maakt met een ander gezin, wordt het een erezaak om je ook aan die afspraak te houden, ongeacht welke aanlokkelijke aanbiedingen nog uit de bus komen. Niemand kan je dwingen, maar iedereen weet hoe rot het is als je vakantie op het laatste moment in het water valt. Niemand kan je ook dwingen goed te zorgen voor het huis van een ander, niet rond te snuffelen of te stelen. En toch stellen zich ook op dat vlak nauwelijks problemen.

Huis met tuin en plezierboot
We zoeken via de stevig gedocumenteerde en gebruiksvriendelijke site van homeexchange.com. Zoeken op land, op accommodatie of ‘omgekeerd’ zoeken – wie wil naar België komen?, het kan allemaal. En ja, tot onze verbazing blijken vooral Amerikanen, Canadezen en Denen wel iets te zien in Belgium. Met aangescherpt zelfvertrouwen  besluiten we ook te mailen naar mensen die België niet expliciet vermelden als droombestemming, maar weleens iets van Europa willen zien. Ik begin aan een tekst, waarin ik onszelf, ons huis en onze omgeving voorstel, en waarin ik de troeven van België in de verf probeer te zetten. De clichés over bier, frieten en chocolade laat ik achterwege, maar ik citeer wel de Lonely Planet over ons land: ‘Als de spotlight België op het Europese toneel slechts een klein lichtje is, is dat alleen te wijten aan het feit dat de Belgen zelden opscheppen over hun land. Ten onrechte: België heeft meer geschiedenis, kunst, lekker eten en architectuur per vierkante meter dan vele van hun grotere en luidruchtigere buren.’ De opschepperij aan een ander overlaten – en wat voor een – ook dat is Belgisch.

Het huis in Breaux Bridge, Louisiana
Het huis in Breaux Bridge, Louisiana

We kiezen zes huizen: twee in Oregon, twee in Californië en twee in Louisiana. Ik heb het gevoel dat ik net iets te brutaal geweest ben, want een van de huizen in Louisiana is wel vier keer zo groot als het onze, compleet met bar, speel- en filmkamer, met een grote tuin gelegen aan een bayou, en o ja, er hoort ook een plezierboot bij. Wanneer we nog dezelfde dag een dolenthousiaste mail krijgen van Linda – van het grote huis, jawel – weten we niet waar we het hebben. Snel laat ik haar weten dat ons huis echt wel een stuk kleiner is dan dat van haar, en dat we zeker niet willen dat ze zich bekocht zou voelen, maar ze lacht onze bezwaren weg. Zij en haar man, Gregg, willen alleen een huiselijke plek om hun lichaam ’s nachts te parkeren, en ze zitten nu al te popelen bij het vooruitzicht aan de vakantie. De sympathieke kunstleraar uit de buurt van San Francisco die ons enkele dagen later laat weten dat hij graag wil ruilen, mailen we met spijt in het hart dat we al bezet zijn.

In de daaropvolgende maanden ontspint zich een drukke mailcorrespondentie. Net als voor ons zal dit hun eerste huisruilervaring zijn. Ik maak een soort handleiding met nuttige informatie — over onze katten, de buren, de planten, de werking van huishoudelijke apparaten, noodnummers… Linda zegt dat het allemaal wel zal loslopen, dat alles in hun huis zichzelf uitwijst. Wanneer blijkt dat zij later zullen vertrekken dan wij, en we dus elkaar zullen ontmoeten, voel ik me gerustgesteld. In afwachting raas ik als een wervelwind met smetvrees door mijn huis en maak ik schoon zoals ik – normaal gezien niet meteen een toonbeeld van huishoudelijk perfectionisme – dat

nooit eerder deed. Mijn partner schudt het hoofd. Pas wanneer een vriendin die een tijdje in Amerika woonde, me zegt dat ik nog raar zal opkijken ginder – ‘Amerikanen doen het nogal met de Franse slag’ – gooi ik mijn emmer en dweil terug in het berghok.

Allen naar Breaux Bridge
Het vertrek nadert. Mijn ouders zullen voor ontvangstcomité spelen: zij voorzien onze koelkast van het nodige lekkers, wij laten een aantal Belgische bieren en chocolaatjes achter als welkomstgeschenk — je kunt de clichés niet blijven ontwijken — en daar gaan we dan.

Laat op de avond landen we in New Orleans, waar Gregg ons opwacht. De verwelkoming is warm, de lucht loodzwaar en heet. Dit is de Deep South. Een autorit van meer dan twee uur brengt ons naar Breaux Bridge, in het hart van Cajun Country. De auto zullen we de komende drie weken als de onze mogen beschouwen, want ook die is in de ruil inbegrepen. Net zoals het appartement van dochter Christa in Houston, Texas, op vier uur rijden van Breaux Bridge. Al snel daagt het ons dat we met ons gat in de boter gevallen zijn, en dat we onze verwachtingen met het vooruitzicht op toekomstige huisruilvakanties het best een beetje temperen.

Bram in de game room
Bram in de game room

Louisiana en de cajuns bewieroken zou me te ver leiden – ik kan er nog even over doorgaan – maar vanaf dat moment hebben we de vakantieformule in ons hart gesloten. De buren zijn behulpzaam en gastvrij, zonder opdringerig te worden. Uit dankbaarheid nodigen we hen uit voor een etentje – Gentse waterzooi! – en later die vakantie bereiden zij voor ons jambalaya. Wanneer we een mail ontvangen van Linda, waarin ze ons bijna vermanend laat weten dat ons huis echt wel veel beter is dan we haar lieten verstaan, en wanneer haar dochter langskomt en vertelt dat ze zich op voorhand afvroeg: ‘Who the heck wants to come to Breaux Bridge?’, leggen we onze complexen voor eens en voor altijd af.

Van Spitsbergen tot Sicilië
Het daaropvolgende jaar willen we het dichter bij huis zoeken. De bestemming: Europa. De praktijk wijst uit dat wie zich vastpint op een bepaalde bestemming, vaak met lege handen achterblijft. De hele wereld wil naar Italië, Spanje, Zuid-Frankrijk of Schotland, dus de weinige huisruilkandidaten die je daar aantreft, kampen voortdurend met l’embarras du choix. En of ze nu echt Wondelgem, Reet of Erps-Kwerps zullen verkiezen boven die honderden andere aanbiedingen, valt te betwijfelen. Proberen mag natuurlijk. Ditmaal versturen we tien mails: van Sicilië tot Spitsbergen, en zowat alles er tussenin. Al snel krijgen we reactie van een jong gezin dat aan de westkust van Denemarken woont. Het klikt meteen. De mailcorrespondentie en de telefoontjes met Mogens en Kirsten geven ons snel het gevoel dat we oude vrienden zijn. Ook hen ontmoeten we heel even, bij onze aankomst. In hun huis voelen we ons merkwaardig snel thuis, vooral wanneer we zowat alle boeken uit onze bibliotheek aantreffen op hun boekenplanken, maar dan in het Deens.

Annelien in de tuin, Port Jefferson, New York. En Manhattan natuurlijk.
Annelien in de tuin, Port Jefferson, New York. En Manhattan natuurlijk.

In de zomer 2003 trekken we weer naar Amerika, naar Long Island, New York ditmaal. Het cultuurverschil met het zuiden is voelbaar. De kritische, ruimdenkende, ietwat cynische New Yorkers contrasteren fel met de hartelijke, maar conservatieve zuiderlingen. We betrekken het huis van een professor Engelse literatuur en zijn kunstminnende vrouw, en hebben ook ditmaal het geluk er een buitenhuis bovenop te krijgen: een blokhut in de Catskill Mountains, waar ook het legendarische Woodstock ligt. Amper een minuut na onze aankomst valt de elektriciteit uit. Eerst denken we dat we iets verkeerds gedaan hebben, tot onze enige buurman, die enkele honderden meters verderop woont, ons komt vertellen wat er aan de hand is. We beleven er de onwaarschijnlijke elektriciteitspanne die half Noord-Amerika zonder stroom zet.
We bouwen een vuur onder de sterren, ontkurken een fles wijn en prijzen ons gelukkig dat we de nacht niet hoeven door te brengen in een of ander station in Manhattan, waar nu duizenden gestrande mensen een slaapplek op de grond proberen te bemachtigen.

Catskill Mountains, New York
Catskill Mountains, New York

(in 2005 verschenen in De Standaard Magazine)

Alleen kalmte kan ons redden

Zelden waren gerechtspsychiaters het zo eens over de geestestoestand van een beklaagde. Zelden ook was de verbijstering over ongenaakbare slechtheid zo groot. Schuldig over de hele lijn. Ronald Janssen is een narcist, een wolf in schaapsvacht, een psychopaat pur sang. Had hij er ook voor kunnen kiezen níét te moorden? De wetenschap verlost – of berooft, u kiest – ons van een illusie: neen. De vrije wil bestaat niet. Maar verlost dat ons ook van verantwoordelijkheid?

‘Ik heb dat nooit gewild. Het spijt me,’ waren de laatste woorden van een snikkende Ronald Janssen, donderdagochtend in de rechtszaal. In de verontwaardigde, boze en gekwetste reacties van de nabestaanden, condenseerde zich de publieke opinie. Uit de mond van een kernpsychopaat, een gewetenloze meester-manipulator, klinken die woorden weinig geloofwaardig. Niet is wat het lijkt bij Janssen, en ook deze ogenschijnlijk berouwvolle knieval maakt vermoedelijk deel uit van een strategie.

Gehuicheld of niet, toch raakte de seriemoordenaar met een simpele zin het hart van een wetenschappelijke en filosofische discussie: die over de vrije wil, maar ook over verantwoordelijkheid en schuld.

Schroom

We denken wat we denken en we doen wat we doen, omdat we nu eenmaal niet anders kunnen. We kunnen daarin berusten. Of er opstandig van worden. Ook daarvoor kiezen we niet zelf. We doen dat in the end omdat we nooit greep hebben op de oorzaken van onze beslissingen. We kunnen ons brein niet tegenspreken.
woodsHet lijkt een duizelingwekkende spiraal van redeneringen die telkens weer uitkomen in hetzelfde doodlopende steegje: de vrije wil bestaat niet. De afgelopen jaren verschenen wereldwijd talloze artikels en boeken, waarin wetenschappelijk bewijs aangevoerd wordt om deze stelling te staven. De consensus is, met andere woorden, groot. Jan Verplaetse, professor moraalfilosofie aan de  faculteit rechtsgeleerdheid van de Universiteit Gent, gaat in zijn recente boek ‘Zonder vrije wil. Een filosofisch essay over verantwoordelijkheid’ nog een stap verder. Als we geen vrije wil hebben, dan kunnen we ook niet verantwoordelijk of schuldig zijn voor onze daden. Een provocatieve stellingname, die hij – zij het met enige schroom – wil toelichten. Schroom, omdat hij respect heeft voor het verdriet van de nabestaanden van Janssens slachtoffers. En omdat hij met zijn ideeën niets wil afdoen aan de gruwel die Janssen begaan heeft. Bij deze dus.

Mentale dwangbuis

‘Niemand is in staat een andere keuze te maken dan hij maakt. Je hebt alleen het geluk dat je brein de juiste keuze maakt,’ zegt Jan Verplaetse. En meteen voegt hij eraan toe: ‘Dat betekent niet dat ik een reductionist ben. Ik herleid niet alles wat een mens doet tot wat er in aanleg in het brein aanwezig is. Ik verdedig wel de opvatting dat elke beslissing die we nemen, vasthangt aan oorzaken. Die oorzaken kunnen zich op verschillende niveaus situeren. Genetica, neurologie maar ook vroegere ervaringen.’

free choiceDat onze beslissingen gevangen zitten in een mentale dwangbuis, roept vragen op. Aan weloverwogen keuzes gaat immers vaak een langdurig proces van wikken en wegen vooraf. Of het klassieke slopende gevecht tussen gevoel en rede, waarbij we niet alleen onszelf bevragen, maar onze mogelijke keuzes toetsen aan de mening van anderen. Dat doet vermoeden dat er op zijn minst enige rek op onze keuzemogelijkheid moet zitten. Dat er marges bestaan, tussen dewelke we een tijdlang zoekend en twijfelend heen en weer pendelen tot we dat punt vinden waaraan we onze keuze willen vasthaken. ‘Klopt niet,’ zegt Verplaetse. ‘Je hebt alleen maar het gevoel dat je vrij kiest. Maar hoe vrij je beslissing ook aanvoelt, ze is nooit zonder oorzaken die ze mogelijk maken. Hoeveel je ook delibereert, informeert en nadenkt, hoe bewust en weloverwogen je beslissing ook is, je blijft altijd een beslissing nemen die onbewust al genomen werd in je hersenen. Onderzoek bevestigt dit:  vraag je mensen links of rechts te drukken, dan verklapt een hersenscan ons acht seconden voor hun beslissing welke richting het zal worden. We zijn en blijven nu eenmaal wezens van vlees en bloed. Of het nu een genadeloze misdadiger betreft, of een door en door goed mens : geen van beiden zijn ze dat uit vrije wil. Dat is een moeilijk besef. De wetenschap druist in deze radicaal in tegen onze intuïtie.’

Ongeleide projectielen

En dan is er de discussie over verantwoordelijkheid en schuld. Een filosofische discussie ditmaal, waarbij de neuzen lang niet allemaal in dezelfde richting wijzen. Sommigen menen dat een mens, al heeft hij geen vrije wil, verantwoordelijk blijft voor wat hij doet. En dus ook voor wat hij misdoet. Jan Verplaetse ziet het anders. Maar eerst dit: verantwoordelijkheid en verantwoordelijkheid zijn twee. ‘Verantwoordelijkheid in de betekenis van een geheel aan plichten die iemand heeft, blijft bestaan in een wereld zonder vrije wil. Maar verantwoordelijkheid in de betekenis van schuld wanneer iemand aan zijn plicht verzaakt, die wijs ik af. Je kunt dus niemand iets verwijten.’

Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wie is de schuldige? Wie kunnen we  opknopen? Bij elk drama, groot of klein, duikt de vraag vroeg of laat op. Want slechte dingen gebeuren niet zomaar. Iemand moet iets fout gedaan hebben. Opzettelijk of door grove nalatigheid. Beide vinden we bijna onvergeeflijk. Want met een béétje goede wil, een béétje denkwerk, had het heel anders kunnen lopen, toch? De emoties nemen het over, en daar loopt het mis. De verwijten vliegen in het rond als ongeleide projectielen. Ze zijn menselijk, maar potentieel uiterst schadelijk. Iedereen voelt de nood om te kunnen verwijten – het is eruit, wát een opluchting! – maar kent tegelijk de positie aan de overkant. Die is ondankbaar, pijnlijk, maakt verdrietig of kwaad. En het ergste van allemaal: het leidt nergens toe.

Geen schuld en boete

adam en eva‘Ik maak me sterk dat we kunnen leven in een cultuur zonder verwijten,’ zegt Jan Verplaetse. ‘Op papier is een samenleving zonder schuld een ramp, maar toch gaan we al een stuk die richting uit. Neem nu de manier waarop we met echtscheiding omgaan. Steeds meer koppels kiezen voor scheidingsbemiddeling. In een eerste gesprek zal de wederzijdse frustratie wel even geventileerd worden, en zullen er harde woorden vallen. Maar vanaf het tweede gesprek stapt men over de verwijten heen en krijgen we een verwijtloze vorm van conflictbemiddeling, een schuldloze manier om met elkaar om te gaan. Ook burenruzies worden steeds vaker beslecht met de hulp van een bemiddelaar. We moeten afstand durven nemen van onze boosheid. Rustpunten zoeken. En proberen te begrijpen waar het misliep en hoe we kunnen corrigeren. Alleen kalmte kan ons redden.’

Geen verwijten meer. Geen schuld en boete. Geen vergelding. Het ademt idealisme en goedheid uit – daar kan Jan Verplaetse wellicht niets aan doen. Van naïviteit is echter geen sprake. Een psychopaat blijft  een psychopaat. Ronald Janssen blijft een gevaar voor de samenleving, en die moet zonder enige twijfel tegen hem beschermd worden, vindt hij. Alleen moeten we ons huidige strafsysteem in vraag durven te stellen: ‘Welke straf of maatregel een misdadiger moet krijgen, is geen juridische een gedragswetenschappelijke vraag. Laat dit dus over aan mensen die over deze kennis beschikken. En laten we eindelijk proberen te begrijpen dat internering géén zwaktebod is. Als het nodig blijkt, kunnen mensen levenslang geïnterneerd blijven. Dat geldt voor geen enkele gevangenisstraf in de praktijk. Zelfs niet voor wie levenslang krijgt.’

Preventie is geen illusie

Farah Focqaert is moraalfilosofe en onderzoekster aan de Universiteit Gent. Ze verdiept zich in de neurobiologische basis van psychopathie en de ethische vragen eromheen, maar ook in de zin en onzin van gevangenisstraffen. Daarvoor werkt ze nu al geruime tijd samen met Adrian Raine, professor psychologie aan de University of Pennsylvania.

In het ietwat ontmoedigende verhaal over onze geketende gedachten, gloort een lichtpunt: preventie is geen illusie. Een psychopaat genezen kunnen we voorlopig niet, maar we kunnen misschien wel verhinderen dat kinderen die de kiem voor psychopathie in zich dragen, zich ook tot gevaarlijke psychopaten zullen ontwikkelen. ‘Het onderzoek staat nog in zijn kinderschoenen,’ klinkt het voorzichtig bij Farah Focquaert, ‘maar de eerste en voorlopige resultaten zijn hoopgevend.’

Een paar dingen staan vast. Eerste feit: niemand is puur genetisch geprogrammeerd om een psychopaat te worden, bijvoorbeeld. Farah Focquaert: ‘De recentste onderzoeken wijzen op een min of meer gelijke inbreng van erfelijke en omgevingsfactoren. Psychopathie is een ontwikkelingsstoornis. Ook dat weten we uit recent onderzoek. Eens die stoornis er is, kan ze niet meer behandeld worden. Het enige wat we weten is dat de ernst ervan afneemt naarmate een mens beduidend ouder wordt.’

Voor eens en voor altijd

Tweede feit: eens psychopaat, altijd psychopaat. Tenminste: zo ziet het er voorlopig naar uit. Dat is duidelijk te zien op hersenscans. ‘We weten dat verschillende hersengebieden – de amygdala en de orbitofrontale cortex zijn er maar enkele van – bij psychopaten anders werken dan bij een gemiddelde mens. Met name hun moreel redeneervermogen is structureel anders. Onder andere dat maakt van psychopathie een psychiatrische stoornis. We kunnen, op basis van alles wat we nu weten, alleen maar zeggen: zware psychopaten zijn niet moreel verantwoordelijk voor wat ze doen. Het is een zware claim, en het klinkt wellicht hard. Maar zelfs Stephen Morse (nvdr: Amerikaanse expert in crimineel en geestelijke gezondheidsrecht, die systematisch het belang van de individuele verantwoordelijkheid benadrukt), een grote pleitbezorger van strenge straffen, benadrukt dat we psychopaten niet tot onze morele gemeenschap kunnen rekenen.’

Voor Farah Focqaert is de vraag naar verantwoordelijkheid echter niet de belangrijkste vraag. De maatschappij beschermen tegen de criminele daden van sommige psychopaten: daar gaat het om. Over dus naar feit drie, dat ongetwijfeld botst op het rechtvaardigheidsgevoel van velen: gevangenisstraffen werken averechts.

‘Psychopaten die voor lange tijd in de gevangenis terechtkomen, komen niet tot inkeer. Het tegendeel is waar: ze bouwen aan recidivisme. Wat ze eerder in zich hadden, wordt tijdens een klassieke gevangenisstraf alleen maar sterker. Wat wel zin heeft? Internering in een gesloten psychiatrische instelling. Zolang het nodig is. En in veel gevallen is dat levenslang.’

Vette vis

En dan is er feit vier. Lucht en zuurstof. Hoop vooral. Misschien kan zware psychopathie in sommige gevallen voorkomen worden. Als we het vroeg opsporen en aanpakken.
Uit een langlopend onderzoek van Adrian Raine blijkt dat bij driejarigen de grootte van de amygdala – beduidend kleiner bij kinderen die later gewelddadig gedrag vertonen – iets vertelt over de kans op psychopathie. Bij driejarigen is de ontwikkeling nog in volle gang, en kunnen omgevingsfactoren misschien de doorslag geven. Een van die factoren is bedrieglijk eenvoudig: een juiste voeding.

Farah Focquaert: ‘Kinderen die voldoende omega 3-vetzuren –  visolie dus – binnenkrijgen, vertonen op latere leeftijd minder crimineel gedrag dan kinderen die geen voedingssupplement krijgen. Maar ook op een volwassen populatie is het effect van visolie merkbaar. In gevangenissen waar gedetineerden omega 3 kregen, daalde het aantal gewelddadige incidenten met vijfentwintig procent. Toegegeven: het onderzoek staat nog in zijn kinderschoenen. Maar evengoed vind ik het vreemd dat er zo weinig media-aandacht aan besteed wordt. Is het te simpel? Te goedkoop misschien? Veel goedkoper dan psychofarmaca. Misschien is het dat wel.’

(verschenen in De Standaard Weekblad van 22 oktober 2011)

Iedereen krijgt van mij een nieuwe kans, telkens weer

Dijken en kreken, lange rijen canadapopulieren, uitgestrekte polders van hier tot aan de einder, vrij spel voor de wind. Het is het decor van de Kruiskenshoeve in het landelijke Sint-Laureins, de natuurlijke habitat van Robert Accoe, politieman op rust en onvermoeibare idealist. Geen dromer, maar een vent met poten aan zijn lijf. Naïef ook. Gezond naïef. En bewust naïef. ‘Anders zou ik dit nooit volhouden,’ zegt hij.

In de oude woonkeuken brandt de houtkachel uitbundig, op de plaats waar vroeger een reusachtige open haard was. ‘Uren heb ik hier gezeten, op de schoot van mijn grootmoeder,’ herinnert Accoe zich. ‘Ik zie haar nog haarscherp voor me: ze droeg zwarte kleren, en kookte karnemelk.’

Bij de familie Accoe – vader, moeder, vijf kinderen en grootmoeder – was iedereen welkom. Gulheid was vanzelfsprekend. Dat wisten ook de leurders, die rondtrokken met breiwol of schoensmeer, en toevallig altijd rond het middaguur de Kruiskenshoeve aandeden. Er stond steevast een bord soep, pap of aardappelen voor ze klaar.

robert accoeDe geest van de vorige generaties wordt hier met liefde in ere gehouden. De gulheid die er met de karnemelk werd ingelepeld, is aan de ribben blijven plakken. Want vandaag is de hoeve een plek waar jongeren in crisis terechtkunnen. Instellingsjongeren vaak, of tieners die heftig botsen met het schoolsysteem, en met zichzelf. ‘Je kunt je niet voorstellen hoeveel agressie er soms in die gasten zit,’ vertelt Robert Accoe. ‘Bij mij kunnen ze die agressie kwijt, op een gekanaliseerde manier. Ik begrijp hen. Ik was ook soms een koleriek manneke, kon moeilijk stilzitten. Ik geef hen de kans om zich fysiek te ontladen. Geen gebabbel. Ik ben een flik, een boer. Ik zal nooit de pretentie hebben om te denken dat ik therapie geef. Dat kan ik niet. Maar ik laat ze wel werken, doen. Ik hoef zelfs niet te weten wat ze op hun kerfstok hebben. Ik vraag daar nooit naar. En toch komen de verhalen vroeg of laat vanzelf los. Als zij daar behoefte aan hebben, anders niet. En wat ik dan soms hoor…’

De handen uit de mouwen

Vandaag zijn er twee jongens te gast. Ze hebben een klus gekregen, in de schuur: hout zagen. Wanneer we een kijkje gaan nemen, staan ze een beetje rond te drentelen, de handen in hun zakken. Stoer en ongenaakbaar, maar net iets minder dan ze zouden willen. Er breekt een glimlachje door en er volgt een voorzichtig vriendelijke begroeting. Wanneer we weer in de keuken zitten, licht Robert Accoe toe: ‘Dat zijn twee habitués. Allebei buitengegooid op school, wegens agressie. Angelo (de naam is fictief – red.) komt nochtans uit een gezin met ouders die hun kinderen heel graag zien. Maar ze bieden geen structuur. Ze waren zelf instellingskinderen, en de geschiedenis herhaalt zich. Hij stelt de wetten thuis. Als je twee woorden zegt die hem niet bevallen, beginnen zijn neusvleugels al te trillen. Zoveel agressie zit er in die jongen. Ik weet wel hoe het gaat, als ik mijn rug draai. In de plaats van het hout te zagen zoals het hoort, geven ze er keiharde trappen op, in kungfustijl. Af en toe ga ik ze tonen hoe het moet. Ik ga met hen aan het werk. Van op afstand commanderen, pakt niet. Die gasten moeten zien dat je zelf de handen uit de mouwen steekt, dat je niet te beroerd bent om in de kou te werken en je vuil te maken. Dat helpt, al is het maar voor even.’

Het verheerlijkte gezin

Robert Accoe heeft een lange carrière bij de unit Jeugd van de Gentse politie achter de rug. Tijdens zijn ingangsexamen moest hij een verhandeling schrijven met als onderwerp ‘Waarom ik bij de politie zou willen komen’. Hij staat nog steeds pal achter wat hij toen schreef: dat hij de politie een menselijker gelaat wilde geven. Het werd zijn handelsmerk: de flik met een hart van koekebrood, maar met de verbetenheid van een pitbull als het over ‘zijn’ jongeren gaat. Spijbelaars grabbelde hij zonder pardon bij de lurven, maar wanneer hij zag hoe ellendig hun gezinssituatie soms was, bewonderde hij in stilte het feit dat ze ‘alleen maar’ spijbelden.

Hij heeft het bewust niet over ‘marginale’ gezinnen. Dat klinkt te stigmatiserend. Zijn jongeren zijn randgroepjongeren, en – toegegeven – de gezinnen bevinden zich vaak aan de marge van de samenleving. ‘Soms denk ik dat die mensen zich te zwaar bestookt voelen door de eisen die de maatschappij hen oplegt. Zo hoor je met kinderen om te gaan, en niet anders. Doordat ze het gevoel krijgen nooit te kunnen voldoen, haken ze af. Het gezin, dat ideale plaatje, wordt toch zo verheerlijkt. Ook hulpverleners trappen wel eens in die valkuil: hun referentiekader is het enige juiste. Er wordt in technische termen over mensen en opvoeding gedacht, met als gevolg dat ze soms meer kwaad dan goed doen. Ik herinner me het verhaal van een meisje in een kraakpand. Ze was negentien en had twee kleine kinderen. Ik volgde haar al vanaf haar vijftiende. Ze had dat kraakpand – een oude brandweerkazerne – zo behoorlijk mogelijk ingericht. Er lag een propere matras met beddengoed, en de muren hingen vol met kindertekeningen. Maar de buurtbewoners hadden bij de politie geklaagd, omdat ze haar kinderen met te dunne jasjes en snottebellen over de straat hadden zien lopen. Ze reageerde fel: “Kom jij me hier de les spellen, terwijl ik vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week met mijn kinderen in de weer ben? Wat zeg je tegen ouders die voor zeven uur ‘smorgens al in de file staan, en pas meer dan twaalf uur later hun kinderen ophalen? Zijn zij betere ouders dan ik?, Heel eerlijk gezegd: ik stond met mijn mond vol tanden. We oordelen soms veel te snel over anderen. Ik probeer dat niet te doen. Ik probeer elke keer opnieuw te begrijpen waarom mensen leven zoals ze leven. En zijn zoals ze zijn.’

Leren doorzetten

robert_accoeTientallen jaren lang zag hij ze de revue passeren: mishandelde of misbruikte kinderen, kleuters van drie die gedropt werden door een moeder die nooit meer naar hen omkeek, drugsverslaafde jongeren in kraakpanden om wie geen hond nog leek te geven. Vaak was hij al opgelucht als hij zag dat de jongeren die hij kende, gewoon in leven bleven, al was dat leven die naam soms nauwelijks waard. Af en toe nam hij er eentje mee naar huis, voor een behoorlijke maaltijd en een warm bed. En beetje bij beetje dijde zijn engagement nog uit: begeleide fietstochten, naar Trier of naar Santiago de Compostela. En ten slotte ook het time-outproject op de Kruiskenshoeve, waar jongeren terechtkunnen voor een alternatieve dagbesteding, of voor een langer residentieel verblijf. ‘Jongeren leren doorzetten, ervoor zorgen dat ze hun plan kunnen trekken, dat is zo belangrijk. Ook hier probeer ik vooral aan hun zelfredzaamheid te werken. De Kruiskenshoeve is geen modelproject. Ik stel me niet voor dat ik die jongeren kan veranderen. Ik hoop alleen maar dat ze straks, over enkele weken of maanden of misschien langer, hier weggaan in de overtuiging dat ze iets kunnen.’

Respect en gelijkheid

Een-op-eencontact, dat missen we in onze omgang met probleemjongeren, vindt Accoe. Gerichte, exclusieve aandacht en tijd. Dat jongeren met een persoonlijkheidsstoornis of ernstige gedragsproblemen in leefgroepen met gelijkaardige jongeren worden gestopt, vindt hij doorgaans geen goed idee. Precies om die reden mag er ook nooit meer dan één jongere in de hoeve overnachten. ‘Vanaf het moment dat ze met zijn tweeën zijn, dreigt het negatieve weer te overheersen. Ze jutten mekaar op. Jongeren die met zichzelf in de knoop liggen, hebben eigenlijk buddy’s nodig, sterke volwassenen die er voor hen zijn. Die luisteren, hen helpen en begeleiden, maar die ook een duidelijke structuur bieden. En dat allemaal op basis van wederzijds respect en gelijkheid. In de moderne hulpverlening zijn er goede bedoelingen te over, maar ik vind het allemaal zo versnipperd. De basis zou moeten worden gelegd door Kind en Gezin en door de OCMW’s: zij zienvan in het begin waar er problemen zijn. Ideaal zou zijn dat zij ambulante thuisbegeleidingsdiensten briefen, en er tegelijk permanent zicht op houden. Problemen moet je zo vroeg mogelijk aanpakken, om erger te voorkomen. Meteen langsgaan bij de mensen thuis, en ze niet eerst twee maanden lang op een wachtlijst zetten.’

Toch een nieuwe kans

Zeven jaar bestaat het time-outproject van de Kruiskenshoeve nu al. En Robert Accoe gaat er prat op dat hij de pijnlijke incidenten op één hand kan tellen: ‘Maar die hand is wel vol’. Het voorbije jaar was wat dat betreft een triest dieptepunt geweest. ‘Er zijn twee zware conflicten geweest met jongeren, die me diep hebben gekwetst. Ik heb een blind vertrouwen in andere mensen, stop nooit iets achter slot en grendel. Maar die gasten hebben mijn vertrouwen beschaamd. Daar ga ik van kapot. Ziek ben ik daarvan. Kijk, ik zou er zo weer emotioneel van worden. Ze hebben me bestolen, en een van hen heeft de schuld in de schoenen van een ander proberen te schuiven. Dat was een jongen die ik vijf jaar lang begeleid heb, en dan gebeurt zoiets. Nachtenlang heeft het me uit mijn slaap gehouden. Wanneer zoiets gebeurt, ben ik geneigd om te zeggen: jou wil ik nooit meer zien. Maar dat lukt me niet. Als die jongen hier morgen met zijn ziel onder zijn arm voor de deur staat, laat ik hem weer binnen.’

‘Iedereen krijgt van mij een nieuwe kans, telkens opnieuw. Al zal ik ditmaal toch wat meer op mijn hoede zijn.’

Een huisje met een tuintje

Vaak blijken jongeren die op de Kruiskenshoeve verbleven hebben, toch nog op hun pootjes terecht te komen. Op het rechte pad, al is het vaak met de nodige kronkelingen, aldus Robert Accoe. Een van hen is Shorty (bijnaam, red.), vandaag twintig jaar oud. Zijn kindertijd was weinig benijdenswaardig. Mishandeling en verwaarlozing vormden een rode draad. Een vader die na de scheiding nooit meer naar hem omkeek, een moeder die al snel te kennen gaf dat ze hem niet meer hoefde. Op zijn negende stond Shorty er moederziel alleen voor. Dus kwam hij in een instelling terecht. En via die instelling leerde hij ook Robert Accoe en de Kruiskenshoeve kennen.

‘Ik ben vaak bij Robert geweest, samen met een maat van mij. We mochten er werken, voor de dieren zorgen, en voor de moestuin. Hij heeft me enorm geholpen indertijd, stond altijd klaar als ik problemen had. Hij luisterde, gaf goede raad, maar heeft me nooit gedwongen om iets tegen mijn zin te doen. En precies omdat hij alles met manieren vroeg, omdat hij respect toonde, deed ik de dingen met plezier voor hem. Hij geeft nooit iets op. En hij geeft nooit iemand op. Toen ik de instelling verliet, ben ik hem blijven opzoeken. Ik beschouw hem nu als een hele goede vriend. Zijn leeftijd speelt geen enkele rol. Hij kan serieus zijn, en het volgende moment staat hij te lachen en te zeveren als iemand van zestien jaar. Toen een maat van mij trouwde, mocht hij zijn feest in de hoeve van Robert geven. Ik heb meegeholpen om alles op te ruimen achteraf. De laatste bak bier, heb ik cadeau gekregen (lacht). Ik ben blij dat ik nu iets terug kan doen. Ik heb geholpen toen er een nieuw dak moest worden gelegd, ik help mee bij de fietstochten en op de jaarlijkse barbecue. Ik zal Robert nooit laten schieten.’

‘Met mijn ouders heb ik geen enkel contact meer. Mijn vader heeft zich nog één keer laten horen, maar iemand die nooit naar mij heeft omgekeken toen ik in de instelling zat, hoeft bij mij niet meer aan te kloppen. Mijn moeder heb ik drie jaar geleden voor het laatst gezien. Zij wil geen contact met mij. Maar het kan me niet meer schelen. Ik trek al vanaf mijn negende mijn plan. Het lukt me prima nu. Ik heb vrienden, ik heb Robert en nog enkele andere mensen op wie ik kan rekenen. Voorlopig woon ik in bij een vriend, maar ik hoop snel werk te vinden. Liefst van al zou ik in een metaalbedrijf terechtkomen. Tot voor kort volgde ik een opleiding tot lasser, maar die heb ik stopgezet. Het duurde me te lang, ik ben ongeduldig. Schoollopen valt me ook moeilijk, ik kan absoluut niet stilzitten.’

‘Misschien moet ik het later nog eens opnieuw proberen, als ik wat ouder ben. Eerst werk vinden, daarna op eigen benen gaan staan. Eindelijk. Ik droom van een huis met een tuintje, van ruimte. Ik probeer. We zien wel.’

www.kruiskenshoeve.be

(verschenen in De Standaard van 9 april 2011)

Wees maar bang, alles komt goed

Bangerik, broekschijter, lafbek. De koosnaampjes voor wie bang is, liegen er niet om: angst is slecht, en moet koste wat het kost overwonnen worden. Maar is dat wel zo’n goed idee? Is angst behalve een lastige vijand vaak ook geen betrouwbare vriend?

child_fearAls kind was ik bang voor het donker. Want niets of nauwelijks iets zien, betekende dat alles mogelijk was. Mijn stoel met de kleren erop, waarvan alleen de contouren zichtbaar waren, werd een heks die geduldig wachtte tot ik sliep, om me dan te kunnen meenemen en doden. De vage bewegende schaduwen achter het gordijn waren geen zwiepende takken, maar geesten die rondfladderden en hun kans afwachtten om te komen spoken in mijn kamer. En dat gekraak onder mijn bed: een inbreker, een krokodil, een monster! Met daverend hart trok ik mijn lakens tot over mijn hoofd, hield mijn adem in en voelde hoe alle enge verhalen in mijn hoofd de slaap wegjoegen tot er alleen maar doorwaakte nachtmerries overbleven.

Angst voor het donker is misschien wel de meest verspreide kinderlijke angst. Het is angst voor wat we niet zien, niet weten, niet kennen. Maar de remedie is simpel: het licht aankippen , zien dat de heks een stoel is, de geesten takken zijn, en er onder je bed alleen maar wat beduimelde stripverhalen liggen. De fantasie wordt getoetst aan de koele, klaarheldere werkelijkheid. Dat en de geruststellende stem van mama of papa – ‘Wees maar niet bang, alles is goed’ – brengt een angstig kinderhart weer tot rust.

Dansen op de kliffen

We leren al heel vroeg dat bang zijn flauw en zielig is.  Angst moet je bestrijden. Angst moet overwonnen worden. Véchten tegen die demon, want hij maakt ons alleen maar onzeker en zwak. En als we één ding maar beter niet kunnen zijn in deze competitieve wereld vol durvers, dan is het dat.
Mensen die zelden of nooit bang zijn worden op een voetstuk gezet, als strekkend voorbeeld, als rolmodel voor al wie minder moedig is.
Toegegeven: het leven zou wellicht gemakkelijker zijn zonder plankenvrees, zonder vliegangst, zonder faalangst en zonder een overslaand hart bij het zien van een spinnetje. Maar stel je voor dat we nooit meer bang zouden zijn? Niet wegspringen voor een aanstormende auto, een gewapende inbreker zelf te lijf gaan en dansen op de rand van de white cliffs of Dover? We zouden het geen dag overleven. Angst beschermt ons, maakt ons tijdelijk sneller en sterker – onze versnelde hartslag jaagt meer bloed naar de spieren in onze armen en benen – en maakt ons ongevoeliger voor pijn – dank u, adrenaline – zodat die ons niet hindert wanneer we op de vlucht moeten slaan. Zelfs verstijven van angst is zinvol: we houden ons doodstil, opdat we niet opgemerkt zouden worden.

Filosofe Alicja Gescinska, auteur van ‘De verovering van de vrijheid’, erkent dat er in de geschiedenis talloze voorbeelden te vinden zijn over hoe angsten kunnen ontsporen. Angst voor de onbekende ander, die zich vertaalt in haat, is inderdaad de bron van veel ellende. Het is de brandstof voor talloze bloedige oorlogen, voor racisme en vreemdelingenhaat. Voor gaybashing. Voor woede tegen al wie anders is. Maar toch waarschuwt Gescinska voor een te kortzichtig oordeel over angst: het is meer dan een emotionele zwakte of morele tekortkoming. Angst heeft ook een goede kant, en er mag soms naar geluisterd worden: ‘De angst om een dierbare te verliezen, kan de aanzet vormen tot een intenser samenzijn. De angst voor een economische of sociale terugval, kan een motivatie zijn om creatief en innovatief te werk te gaan.’ Gebrek aan angst is soms een dodelijk gebrek aan inzicht, besluit ze.

Angst en vrijheid

Herman De Coninck noemde angst en geluk ooit tweelingzusjes. Dat houdt steek. Angst kan wellicht maar bestaan bij gratie van haar tegendeel: het besef van de broosheid van het geluk. Hoe een ongeluk in een klein hoekje kan liggen en ons leven in één klap kan omgooien. Hoe het paradijs door een kleine onachtzaamheid kan veranderen in de hel. Schrijver en filosoof Jean-Paul Sartre benadrukte dan weer het verband tussen angst en vrijheid: vrijheid is een hoog goed, maar heeft een keerzijde. Het betekent ook verantwoordelijkheid, en kan ons daardoor angst aanjagen.
Misschien is het mede daarom dat zoveel jonge mensen gebukt gaan onder faalangst: de theoretische vrijheid is nooit eerder zo groot geweest. We maken jongeren wijs dat ze alles kunnen worden wat ze maar willen, dat the sky the limit is. Het is een flagrante leugen, want we zijn altijd beperkt: door wie we zijn, door onze omgeving, door het toeval – geluk of geen geluk op het cruciale moment. Maar de boodschap is duidelijk: mislukken in een wereld waarin alles mogelijk is, is geen optie. En dat is zonder meer beangstigend.

angst_donkerMisschien zouden we een stukje gelukkiger worden als we onszelf van de illusie afhielpen dat alles bereikbaar en maakbaar is. Want als er één angst is die ons bij na collectief in de tang houdt dan is het deze: angst voor controleverlies. We zijn het niet meer gewend om tegenvallers te aanvaarden, om ons neer te leggen bij de feiten, om los te laten. We klampen ons vast aan onze wensen en illusies en worden bang bij de gedachte dat we niet alles weten, kennen en zien.
Blijkbaar zijn we nog steeds dat kind dat bang is voor het donker.

Als de angst te erg wordt

Angst mag dan een normale, gezonde en niet eens onwenselijke emotie zijn, soms treedt ze buiten haar oevers. Als de beklemming en de paniek telkens weer opduiken zonder duidelijke aanleiding, als de razende hartslag en de gierende adrenalinestroom iemands leven gaan beheersen, als de angstige het gevoel krijgt de pedalen te verliezen, dan is de angst problematisch en wellicht irrationeel. Maar waar ligt de grens tussen gezond en ongezond?

Professor Kurt Audenaert van de afdeling psychiatrie aan het Universitair Ziekenhuis Gent maakt meteen de vergelijking met een alarmsysteem: ‘Als die haar werk naar behoren doet, met andere woorden: waarschuwt bij reële dreiging, dan biedt ze veiligheid en bescherming. Maar soms sluipt er een defect in het systeem. Misschien slaat ze wel te snel aan, zonder dat het nodig is. Zo werkt het bijvoorbeeld bij mensen die aan een paniekstoornis lijden: er is geen relevante aanleiding, en toch slaat de angst met volle kracht toe. Een alarmsysteem kan op een tweede manier de mist ingaan. Door in werking te treden, maar niet meer stil te vallen. Dat kun je vergelijken met mensen  die aan een posttraumatische stressstoornis lijden: na bijvoorbeeld een aanranding langdurig geplaagd worden door nachtmerries, niet meer alleen de straat opdurven, zonder dat er nog sprake is van enige dreiging.’

‘We zien vaak mensen met angst voor de angst. Ze zijn bang nog voor ze de straat op gaan. Ze zijn bang in het vooruitzicht van een bezoek, want misschiefear_phobian zullen ze wel morsen, en meteen de afkeuring van hun schoonouders over zich heen krijgen. Angst voor wat zou kunnen gebeuren, noemen we ook anticipatieangst. Er is geen bron, ze is puur ingebeeld. Om mogelijks beangstigende situaties te ontlopen, gaan mensen vermijdingsgedrag vertonen, waardoor ze hun eigen vrijheid beperken. Vermijding is bijzonder kwalijk. Het is de grootste bondgenoot van angst en de grootste vijand van wie ervan wil genezen.’

De oplossing ligt voor de hand: vermijding vermijden, de confrontatie aangaan. Niet drastisch, want dat werkt contraproductief. Wie een spinnenfobie heeft, hoeft niet meteen aan de wandel met een koppel vogelspinnen en wie vliegangst heeft, hoeft niet op slag de lucht in met een eenmotorig vliegtuigje. ‘Flooding is geen goed idee,’ meent professor Audenaert, ‘maar zacht beginnen met imaginaire blootstelling aan datgene wat angst oproept, bijvoorbeeld door afbeeldingen te laten zien, blijkt wel te werken.’

(eerder verschenen in Feeling, juni 2013)

 

Creativiteit als medicijn

Ze worden graag met elkaar in verband gebracht: creativiteit en waanzin. Maar de woeste, noeste kunstenaar, die in een manische stroomversnelling het beste van zichzelf geeft om daarna weg te zinken, is meer dan een mythe. En medicatie is behalve hulp soms ook hinderpaal.

stephen fry

‘Ik ben het slachtoffer van mijn eigen stemmingen, wellicht meer dan andere mensen’, vertelde de Britse acteur en schrijver Stephen Fry vorige week tijdens een tv-interview. ‘Ik heb die aandoening en moet medicijnen nemen opdat ik niet te hyper zou worden of zo neerslachtig dat ik zelfmoord wil plegen. Ik wil u zelfs vertellen dat ik het vorig jaar nog geprobeerd heb.’

De bewusteloze Fry werd net op tijd in zijn hotelkamer gevonden door zijn producer. Waarom, wilde iedereen weten. ‘Er is geen waarom, het is niet de juiste vraag. Er is geen reden. Als er een reden was, zou je iemand ervan kunnen overtuigen om niet uit het leven te stappen.’

Dat Fry aan een bipolaire stoornis lijdt – vroeger heette dat manisch-depressief – is al langer bekend. In 2006 maakte hij de tweedelige documentaire Stephen Fry – The secret life of a manic depressive, waarin hij zijn twijfels over medicatie ventileerde: hij hield van de manische periodes, die hem telkens weer een fenomenale boost gaven. ‘Ik heb ze nodig om mijn leven een avontuurlijke toets te geven, en ik denk dat ik de meeste dingen die goed zijn aan mij te danken heb aan mijn stemmingswisselingen. Mijn hele leven word ik al gekweld door de diepste depressiviteit, maar aan de andere kant heb ik er ook mijn energie en mijn creativiteit aan te danken, die wellicht aan de basis liggen van mijn carrière.’

Postume diagnose

Vincent van GoghFry is lang niet de enige creatieveling met een bipolaire stoornis. Drie jaar geleden kwam ook lachebekje Ruby Wax uit de kast. Catherine Zeta-Jones en Carrie Fisher (Prinses Leia uit Star wars) lieten zich onlangs behandelen voor de aandoening. Frank Sinatra en Mel Gibson zijn bipolair. En dan zijn er nog eens de tientallen beroemdheden die het etiket postuum opgeplakt kregen: van Charles Dickens tot Ernest Hemingway, van Virginia Woolf tot Marilyn Monroe, van Isaac Newton tot Friedrich Nietzsche. En natuurlijk mag Vincent van Gogh niet in het rijtje ontbreken, de man die het voorwerp is van wel meer postume psychiatrische diagnoses – waaronder ook schizofrenie.

Dichter bij huis getuigde acteur Ben Segers vorig jaar in De Morgen over zijn leven – mét medicatie – met bipolariteit. En maakte Sjoerd Tanghe een mooie, aangrijpende documentaire over zijn vader, theaterregisseur Dirk Tanghe.

Creativiteit en waanzin worden wel vaker aan elkaar gelinkt. In zijn boek The storytelling animal: How stories make us human schrijft de Amerikaanse literatuurwetenschapper Jonathan Gottschall onomwonden dat een grotere creativiteit ook een grotere vatbaarheid voor mentale stoornissen betekent. Kay Redfield Jamison, een Amerikaanse psychologe en zelf bipolair, komt in haar boek Touched with fire: manic-depressive illness and the artistic temperament tot een gelijkaardige conclusie: een buiten verhouding groot deel van de acteurs, kunstenaars, musici, schrijvers en performers lijdt aan de ziekte.

Volgens de medische website Health.com klopt dat, maar worden de symptomen van de aandoening bij creatievelingen vaak gecamoufleerd door de aard van het werk. Ups en downs horen nu eenmaal bij het creatieve proces.

Geen label

Een paar jaar geleden ging theatermaakster An Vanderghote door een diep dal in haar leven. Privéproblemen, een overvloed aan prikkels, slaapgebrek: ze culmineerden en mondden uit in een totaalgevoel van verdriet en ontreddering. In haar zoektocht naar een luisterend oor belandde Vanderghote bij een neuropsychiater, die vrij snel concludeerde dat ze aan een bipolaire stoornis leed.

Tot op vandaag verzet Vanderghote zich tegen de diagnose. ‘Eigenlijk heeft die psychiater me nooit concreet kunnen aantonen waarom ik bipolair zou zijn. Toen ik bij haar terechtkwam, heette ik depressief te zijn. Ik had het erg moeilijk, dat klopt. Ik huilde veel. Een paar jaar eerder had ik als alleenstaande, werkende moeder ook nog eens theaterstudies op mij genomen. Dat kon volgens haar alleen maar als ik aangedreven werd door een manische energie. Ze suggereerde dat creatieve mensen vrijwel altijd bipolair zijn.’

Vanderghote raakte gebeten door de thematiek. Ze deed opzoekwerk, bekeek de documentaire van Stephen Fry, kreeg inzage in het onderzoekswerk van haar psychiater – ontluisterend, vooral door de duidelijke link met de farmaceutische nijverheid, vond ze – en schreef een kritisch theaterstuk over bipolariteit.

‘Bij het begin van mijn behandeling was ik nog niet mondig genoeg om me te verzetten, om te stoppen met de therapie. Dus nam ik braaf mijn medicatie. Pas toen ik er met andere mensen durfde over te praten en merkte dat zij mijn ups en downs relativeerden, durfde ik de diagnose in vraag te stellen.’

‘Oké, ik heb ups en downs. Maar ik wil niet dat er een label aan me gehangen wordt. Ik ben een emotioneel mens. Ik kan blij en verdrietig zijn, en daar kan ik naarmate de jaren verstrijken steeds beter mee omgaan. Mij creatief mogen uitleven, en bij uitbreiding: dingen doen die ik graag doe, helpt me daarbij enorm. Het geeft rust.’

Cultuurdragers

Erik Thys is psychiater en een autoriteit op het vlak van bipolaire stoornissen. ‘Naar het verband tussen bipolaire stoornis en creativiteit wordt al sinds de 19de eeuw onderzoek gedaan. Men vermoedde dat ook al in de Oudheid dichters, kunstenaars, redenaars en politici vaker dan gemiddeld aan “melancholie” leden. We weten dat creativiteit vaak samengaat met een zekere gevoeligheid voor – onder andere – bipolaire stoornis en psychose. Zolang beide in lichte mate aanwezig zijn, hoeft dat geen probleem te zijn. In hun extremere vorm worden ze schadelijk.’

bipolar-disorderMedicatie is nooit vanzelfsprekend, merkt Erik Thys. Het is telkens weer een hoge drempel, telkens weer weerstand overwinnen. Maar, zo vindt hij, elke mens is uniek en verdient daarom een unieke aanpak. ‘Het is een moeilijke afweging. In de depressieve fase lijdt de patiënt zelf, maar in de manische fase lijdt de omgeving. De wens van elke patiënt moet in ieder geval zoveel mogelijk gerespecteerd worden. Sommigen weigeren medicatie, omdat ze zeer gehecht zijn aan dat bijzondere gevoel wanneer ze hypomaan zijn. Onlangs vertelde een vrouw me dat creativiteit zelf haar medicijn is: ze tekent van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, en dat helpt.’

Het boeit hem mateloos, dat verband tussen creativiteit en psychopathologie, vertelt Erik Thys. ‘Ik vind het mooi om te zien dat er ook iets nobels en belangrijks gekoppeld kan worden aan iets dat zo stigmatiserend is. Dat wie bipolair of psychotisch is tegelijk drager is van datgene wat onze cultuur gevormd heeft, mag ook eens gezegd worden. Noem het gerust een vorm van eerherstel.’

(verschenen in De Standaard op 12 juni 2013)

Papa Superman: held op glad voetstuk

Vaders staan onder druk. Ze werken hard, maar willen tijd voor hun kroost. Ze willen betrokken zijn. Ze zijn ook vaak betrokken. Toch blijft hun rol minder vanzelfsprekend dan die van moeders. En dat fascineert. Misschien juist daarom krijgen vaderonderzoek en vaderboeken steeds meer aandacht.

Mijn vader en ik
Mijn vader en ik

Dat ze het niet onder de markt hebben, die vaders van vandaag. Dat bleek onlangs nog maar uit een enquête van de Gezinsbond. Vaders gaan vaak evenzeer gebukt onder het jongleren tussen carrière en gezin als moeders. Maar er zitten wel meer scherpe randjes aan het hedendaagse vaderschap. Mannen moeten zich betrokken vaders tonen en dat liefst ook oprecht en doorleefd zijn, maar aan de andere kant wordt hun belang nog steeds gemakkelijker in twijfel getrokken dan dat van moeders. Moeders gaan voor alles. Ze zijn heilig en onaantastbaar. Vaders zijn leuk. Als ze ook écht leuk zijn, tenminste. Dat is maar al te vaak de teneur.

Vroeger was het simpeler, wil de populaire opvatting. In zijn toneelstuk An ideal husband legt Oscar Wilde een van zijn personages een veelzeggende repliek in de mond: ‘Vaders zouden gezien noch gehoord moeten worden.’ Vaders waren hooguit een transportmiddel voor genetisch materiaal, zo leek het. Voor het overige waren ze niet of nauwelijks betrokken bij de opvoeding van hun kinderen. Ze waren veel ‘afweziger’ dan vandaag en hun rol beperkte zich tot het disciplineren van een onwillige kroost. Lijfstraffen maakten daar vanzelfsprekend deel van uit. Maar als we Jacob Cats mogen geloven, een 17de-eeuwse dichter, jurist en politicus met een boon voor opvoeding en didactiek, klopt dat vanzelfsprekende beeld niet helemaal. ‘Een eerbaar kind is aan te jagen door eerzucht, niet door harde slagen’, meende hij. En of vaders wel zo afwezig waren als algemeen wordt aangenomen, valt ook te betwijfelen. Thuisarbeid was zeer gebruikelijk, dus vervloeiden werk en gezinsleven en verliep de opvoeding van de kinderen op een spontane, natuurlijke manier.

Vadertje spelen?

Er is alvast één ding waarover welmenende, spartelende vaders zich mogen verheugen: vaderschap is hot. Er wordt meer over gepraat, geschreven en gediscussieerd dan ooit. Niet bepaald lacherig, maar gedreven door fascinatie en empathie. ‘Vaders zijn de nieuwe moeders’, stelde Katja de Bruin, VPRO-boekenredactrice onomwonden. Ze heeft een punt. Het zoveelste getuigenisboek van een vrouw die jubelend haar moederschap bezingt, pendelend tussen trots en tranen, zal de harten links en rechts nog wel beroeren, maar echt verrassend is het allemaal niet. Het gevoel is al zo vaak benoemd en beschreven. De vaders die zich de laatste jaren uitgeleefd hebben in schrijfsels over hun vaderschap, kunnen daarentegen op meer belangstelling rekenen. De Bruin noemt onder meer Kleine dagen van Bernard Dewulf en Het zit de mannen niet mee tegenwoordig van Philippe Remarque, hoofdredacteur van de Volkskrant en echtgenoot van journaliste Sylvia Witteman.

Afgelopen jaar verscheen Sterke vaders. Hoe overleef ik het vaderschap? van journalist-docent Lars Anderson. Een boek dat de auteur schreef uit noodzaak, om de leemte te vullen. Degelijke, bruikbare boeken die mannen voorbereiden op het vaderschap, zijn immers schaars tot onvindbaar. Kleine meisjes spelen moedertje, kleine jongens spelen zelden vadertje. Vrouwen praten soms jaren over kinderen en moederschap, lang voordat ze moeder worden. Ze lezen wat erover te lezen valt en fantaseren over hoe het zal zijn. Mannen doen dat wellicht veel minder. Maar toch lijkt de behoefte aan informatie vandaag groter dan ooit.

Zacht en zorgend

De informatie die doorsijpelt is nogal versnipperd, maar een kleine speurtocht op het internet maakt al snel duidelijk dat vaderschap ook bij wetenschappers hot is. Psychologen, sociologen, neurobiologen en genetici hebben zich de afgelopen jaren op het vaderschap gestort. Vaders zijn meer dan ‘leuk’, zo blijkt. Vaderlijke zorg en emotionele ondersteuning worden gelinkt aan een sterker emotioneel en sociaal welzijn van de kinderen, een betere verstandelijke ontwikkeling, een verminderde neiging tot criminaliteit en een positiever zelfbeeld. Sterker nog: niet alleen de kinderen worden soms beter van een betrokken vader, neen, soms worden de vaders zélf er simpelweg een beter mens van. Zware jongens, die tijdens een gevangenisstraf in de mate van het mogelijke hun vaderrol mogen blijven vervullen, zouden minder snel geneigd zijn te hervallen in hun oude zonden.

In de neurobiologie draait het verhaal dan weer vooral om testosteron. Dat jonge vaders minder testosteron in hun bloed hebben dan niet-vaders, is genoegzaam bekend. Bleef de vraag over de kip of het ei: hadden mannen die voor het vaderschap kozen gemiddeld minder testosteron in hun bloed, of daalde het testosteron door de komst van het kind? Wetenschappers van de Memorial University of Newfoundland maten bij 600 mannen op hun 21ste en hun 25ste ’s ochtends en ’s avonds de hoeveelheid testosteron in het bloed. Verrassend was dat de mannen met het hoogste testosterongehalte de grootste kans hadden om een toegewijde partner en vader te worden, maar dat het hormoon drastisch daalde op het moment dat ze ook echt een kind kregen.

Maar in het hele vaderschapsverhaal is testosteron maar één van de elementen. De hoeveelheid prolactine – het hormoon dat verantwoordelijk is voor de aanmaak van moedermelk bij vrouwen – in het bloed van kersverse vaders stijgt.

Hetzelfde geldt voor oxytocine, het fameuze knuffel- of bindingshormoon. Ruth Feldman, een Israëlische professor psychologie aan de Bar-Ilan University, concludeert voorzichtig dat de hormonenveranderingen wellicht zorgen voor nieuwe verbindingen in de hersenen van jonge vaders. Ze gaan zich anders gedragen. Zachter, zorgzamer, minder viriel.

Bedreigde habitat

Paul Raeburn, een Amerikaanse wetenschapsjournalist, legt zich al acht jaar lang toe op het verzamelen van allerlei wetenswaardigheden over vaders. Hij stelt vast dat er stilaan een berg aan wetenschappelijk onderzoek verricht is naar vaderschap, maar dat de wetenschappers uit de ene discipline er meestal geen benul van hebben waar hun collega’s uit andere vakgebieden mee bezig zijn. Beetje bij beetje probeert hij de eindjes aan elkaar vast te knopen, de gaten te vullen, verbanden te leggen. Het is een ambitieus project dat moet resulteren in een lijvig boek, dat volgend jaar – ongetwijfeld tegen vaderdag – zal verschijnen onder de titel Do fathers matter? The new science of fatherhood.

In afwachting ventileert hij mondjesmaat feiten en bedenkingen. Zoals deze: vaders zijn vandaag misschien onzekerder dan vroeger, maar ze zijn vooralsnog geen bedreigde soort. Door de economische crisis is hun habitat echter wel in gevaar. Vaders floreren wanneer ze voldoende geld kunnen verdienen om in het levensonderhoud van hun gezin te voorzien. Ze floreren wanneer ze voldoende tijd hebben om met hun kinderen te spelen, ze voor te lezen, samen dingen te bouwen of te knutselen. Ze floreren wanneer ze de tijd hebben om na te denken over de zorg voor hun kinderen. En wanneer ze een goede verstandhouding hebben met hun partner. De slabakkende economie zet hen op twee manieren onder druk: dubbel hard werken om de job te houden in tijden van crisis, dus nauwelijks tijd voor de kinderen. Of job- en inkomensverlies, waardoor de bestaanszekerheid van hun gezin in gevaar komt. Daarin ongewild tekortschieten, valt vaders zwaar.

Held

Mijn vader en zijn vier dochters

Misschien willen vaders, meer dan moeders, ook een beetje de held van hun kinderen zijn. De man die sterk is, zijn kinderen tot tegen het plafond tilt, ze doet gieren van het lachen, alleen maar door gekke bekken te trekken of rare geluiden te maken. De man die slim is, een baken van wijsheid voor zijn kinderen, een levenslange mentor.

Maar het voetstuk voor helden kan glad zijn, vooral als ze vader heten. De Britse uitgever en journalist Gary Drevitch waande zich Superman, vooral toen zijn kinderen nog klein waren. Een heuse Clark Kent, die een niet-aflatende erkenning kreeg voor zijn heldenrol. Kinderen die naar hem opkeken: het moest de sleutel zijn tot een geslaagd vaderschap. Tot hij merkte dat de verlangend uitgestoken armpjes (‘Ik heb je nodig, papa’) van zijn driejarige dochter geen eeuwigheidswaarde bleken te hebben. Dat zijn grapjes niet langer grappig gevonden werden, maar flauw. En toch zou hij een held blijven, zonder dat zij het wisten. Geen Superman, maar Spiderman, die evengoed de wereld redt van al wat slecht is, zonder dat iemand hem daarvoor bedankt of erkenning biedt. Een held in het diepst van zijn gedachten, wetend dat zijn groter wordende kinderen elke ochtend veilig en wel het huis verlaten om vol goede moed hun dromen na te jagen. En zich verkneukelend in het besef dat dit deels aan hem te danken is.

(verschenen in De Standaard op 8 juni 2013)

Als denken malen wordt

Soms draait ons denken dol, en is elke zin zoek. Piekeraars weten er alles van. En piekeren we allemaal niet soms? Maar wat als er een systeem in sluipt, als het je doen en laten gaat bepalen, je nachtrust rooft? ‘Piekeren kan je ziek maken’.

worryingHet gebeurde bijna altijd ’s nachts, in het niemandsland tussen waken en slapen in. Meestal nog op het moment dat de slaap mijn vermoeide lichaam zoetjesaan lamlegde, en alles vaag en warm en doezelig werd. Een paukenslag, die het hart in razende galop liet gaan, het soezende brein genadeloos wakker schudde. Te weinig geschreven, te veel gegeten, telefoontjes uitgesteld, mails onbeantwoord gelaten en misschien wel een handvol mensen op een ondefinieerbare manier onrecht gedaan. Oog op de klok: alweer een uur later. Alweer een uur minder slaap. En morgen staat er zoveel belangrijks op het programma. Het loopt mis, natuurlijk loopt het mis. Alweer gepieker.

Al of niet vermeende nalatigheid, een drukkend geweten en een algeheel gevoel van controleverlies, van onbehagen: het heeft ooit voor doorwaakte nachten vol gepieker gezorgd. Opstaan en een lijstje maken, dat hielp wel eens. Maar de volgende nacht kon het zomaar ineens herbeginnen.

Vreemd genoeg is daar vrij radicaal verandering in gekomen. Niet doordat ik me ineens voorbeeldig en uiterst gedisciplineerd ben gaan gedragen. Nee, het was een simpele beslissing. Een streng en niet te negeren ‘stop!’, gevoed door het besef dat ik mezelf ziek aan het maken was en dat ik toch geen stap verder raakte door het piekeren. Ik gooide de deur dicht, en dat was dat. Of niet: het werd vervangen door nachtenlang tandenknarsen, tot ook dat na enige tijd stilviel. Niets om trots op te zijn, gewoon geluk dat iets simpels als dat ene woord op dat moment volstond.

Soms lukt het mensen niet om het gepieker stil te leggen. Om hen uit de eindeloze maalstroom van gedachten te helpen, is er nu de groepscursusAnders omgaan met piekeren in het UZ Gent: acht sessies, begeleid door psychiater Dirk Van den Abbeele en psycholoog Roland Rogiers. Deelnemen kan alleen na doorverwijzing door een huisarts of andere hulpverlener. Maar er is ook het praktijkgerichte boek Loslaten. Ik pieker als ik niet tegenwoordig ben (Academia Press), dat de twee samen met drie teamleden (Eva Buytaert, Evi De Lissnyder en Marianne Hendrickx) schreven.

Cirkels draaien

zorgenbabyPiekeren is niet hetzelfde als diep nadenken. Het tweede is constructief, of tenminste: kan constructief zijn. Het eerste is dat niet. Roland Rogiers: ‘Uit onderzoek blijkt dat piekeren contraproductief werkt. Had ik me op voorhand zorgen zitten maken over dit interview, dan zou dat ongetwijfeld een negatieve invloed gehad hebben op mijn antwoorden. Te zeer naar binnen gefocust zijn, helpt niet. Doordat piekeren zoveel plaats in ons werkgeheugen inneemt, blijft er minder ruimte over voor probleemoplossend denken.’

‘We vermoeden dat piekeren vooral in gang gezet wordt wanneer de situatie niet is zoals we ze kennen of zoals we verwachten dat ze is. Er is altijd een spagaat tussen verwachtingen en realiteit. Ons lichaam reageert met een zekere alertheid op die discrepantie. Het probleem ontstaat pas als er geen oplossing bestaat voor datgene waarover we nadenken. Een gezonde reactie zou zijn: het gewoon van ons afzetten, en accepteren dat er dingen zijn die je niet kan oplossen of controleren. Maar een piekeraar doet dat niet. Die gaat eindeloos cirkels draaien in zijn hoofd, repetitief dezelfde gedachten of beelden de revue laten passeren, terwijl dat lichaam onafgebroken alert blijft.’

Tijdelijk piekeren is niets om je zorgen over te maken, zegt Rogiers. ‘Iedereen doet dat wel eens. Maar wanneer het piekeren zorgt voor een onophoudelijk slecht gevoel, wanneer je vaker piekert dan de problemen daadwerkelijk aan te pakken, wanneer het gepaard gaat met een diepe bedruktheid, angst of kwaadheid, dan heb je een probleem. Een probleem dat lang onderschat gebleven is. Hoe vaker iemand piekert, hoe meer hij bepaalde hersenverbindingen traint, waardoor het piekeren bijna een vanzelfsprekendheid wordt. Intussen weten we dat piekeren ziek kan maken. Het is een kwetsbaarheidsfactor. Wie vaak piekert, ontwikkelt sneller allerlei psychische klachten, raakt moeilijker los van angsten en depressie. Bovendien is het risico op hervallen bij piekeraars aanzienlijk hoger dan bij mensen die het piekeren onder controle hebben.’

Vrijen of slapen

Zo bekeken lijkt piekeren iets wat we bewust doen: focussen op onze binnenkant, op hinderlijke beelden in ons hoofd, op genante voorvallen, op lastige confrontaties die nog in het verschiet liggen, op onoverkomelijke hindernissen of problemen. Maar het slaap-waakverhaal van daarnet, waarbij we totaal onverwacht overvallen worden door het gepieker, klinkt Rogiers bekend in de oren.

‘Piekeren heeft altijd te maken met aandacht. Het is niet toevallig dat het ons net het vaakst overvalt wanneer we ons in een mentale rusttoestand bevinden. Wanneer we stilvallen na het werk, thuis in de zetel. Of in bed, op het moment dat we zouden moeten slapen. Klassieke momenten waarop de thema’s die ons bezighouden zich aan ons presenteren. Als het bed een piekerplek geworden is, dan moet je het op Pavloviaanse wijze opnieuw conditioneren. Bij de minste piekergedachte opstaan en iets anders gaan doen, en opnieuw gaan slapen als de vermoeidheid toeslaat. Dat kan een tijdlang hard werken en weinig slapen betekenen, maar het bed zou maar twee functies mogen hebben: je ligt daar alleen maar om te vrijen of te slapen.’

Wie aan aandacht sturen denkt, denkt bijna vanzelf aan mindfulness.Maar er is meer. ‘We hebben ons gebaseerd op uitgebreid onderzoek uit het verleden, en hebben een koffer aan mogelijkheden ontworpen. Mindfulnessis er één van. Maar niet alles werkt voor iedereen. De een blijkt het meest gehad te hebben aan inzichten uit de positieve psychologie, de ander heeft ontdekt dat simpelweg opstaan en naar een andere ruimte gaan werkt, nog een ander zweert bij het maken van lijstjes. We beloven niet dat we iemand van het piekeren zullen afhelpen. We kunnen er alleen voor helpen zorgen dat het piekeren een kleinere plaats in het leven gaat innemen.’

Betrokkenheid

stop-worryingToen de Amerikaanse psychologe Susan Nolen-Hoeksema indertijdPiekerprinsessen schreef, stelde ze vast dat piekeren vooral een probleem van de laatste decennia is. Ze zag drie mogelijke oorzaken. We hebben te veel keuzemogelijkheden, we staan te veel op onze rechten (waardoor we vaak piekeren over het al dan niet denkbeeldige onrecht dat ons aangedaan wordt) en we leven in een cultuur van navelstaren, waardoor we elk gevoel meteen op de ontleedtafel willen leggen.

Volgens Roland Rogiers leert piekeren ons altijd iets over datgene wat we belangrijk vinden in het leven. ‘Soms moeten we daar nu eenmaal in gaan schoffelen, om te kijken of al die dingen écht zo belangrijk zijn. Sommige mensen willen het piekeren echter niet loslaten, omdat ze vrezen daardoor de controle te zullen verliezen. Het geeft hen het gevoel dat ze zich verantwoordelijk gedragen. Bij koppels zie je dat weleens: doordat de vader bijvoorbeeld weigert te piekeren over een probleem met een van de kinderen, zal de moeder zich juist suf piekeren. Dat is haar manier om zich betrokken te tonen, ook al zet het geen zoden aan de dijk. Wat alvast niet helpt, is op zo’n moment tegen die vrouw zeggen dat ze niet mág piekeren. Maar je kunt wel technieken proberen toe te passen, die je kunnen helpen. Er is een Chinees gezegde dat het perfect samenvat: Dat de piekervogels over je hoofd vliegen, kun je niet veranderen. Maar je kunt wel verhinderen dat ze nesten bouwen.’

(verschenen in De Standaard van 29 april 2013)

Het hoofd in de wolken

wolken_zwartwitWat dromerige types allang wisten en fanatieke doeners al even lang weglachen, is ook wetenschappelijk bewezen: dagdromen heeft zin. Dagdromers zijn creatiever, en dus op hun manier misschien productiever dan niet-dromers. Eerherstel voor de lanterfanters van deze wereld.

In het klassieke economische denken zijn dagdromers saboteurs. Want is dagdromen geen eufemisme voor luieren? Voor nietsdoen en profiteren? In een wereld waarin tijd geld is en alles draait om duidelijke en meetbare resultaten zetten hun zalige landerigheid en gebrek aan discipline kwaad bloed. Dagdromers passen als een tang op een varken in het kortetermijndenken dat tegenwoordig zo in zwang is.

Voor dit begint te lijken op misplaatste nostalgie: vroeger was het geen haar beter. Honderd jaar geleden gold ledigheid al als het oorkussen van de duivel. En een dikke vijftig jaar geleden waarschuwden ontwikkelingspsychologen ouders voor de gevaren van dagdromen bij hun kinderen: ze zouden er de kans op een latere neurose en zelfs psychose aanzienlijk mee verhogen.

meisje_dagdromenDe glorieuze hoofdrol

Voor Freud was dagdromen niet meer dan een volwassen versie van het fantasierijke kinderspel. Kinderen spelen wat ze zouden willen zijn, stelde hij. Volwassenen durven dat niet meer en beleven het spel enkel nog in hun hoofd. En precies dat is dagdromen. Een kleine complicatie: volgens Freud schamen volwassenen zich voor hun dagdromen, omdat ze weten dat die kinderlijk of ontoelaatbaar zijn. De dagdroom als bewust gestuurde fantasie, waar hij het vermoedelijk over had, is natuurlijk maar één vorm van dagdromen. Als we ons daar al voor schamen, dan is dat wellicht omdat de inhoud ervan zelden altruïstisch is. Aspirant-missen die beweren dat ze dagdromen over wereldvrede, liegen dat ze zwart zien. De Grote Thema’s in onze dagdromen hebben niet zoveel met idealisme van doen. Het draait om lekkere seks of zwijmelende romantiek. Om ijdelheid en eerzucht. De glorieuze hoofdrol is daarbij meestal weggelegd voor onszelf. Natuurlijk droomt u er wel eens van een kinderleven te redden. Maar vergeet vooral niet de — ongetwijfeld knappe — dankbare moeder en de applaudisserende menigte aan de zijlijn te vermelden.

Maar laat dit soort dagdromen — hoe glorierijk of opwindend ook — nu net tot de categorie behoren waarvan wetenschappers nog niet zeker weten of ze wel zo nuttig zijn. Zij zien vooral heil in de mentale omzwervingen die we bijna onbewust ondernemen: het heel even van de wereld af zijn, zonder dat we het goed en wel beseffen.

Eureka!

Arthur Fry was ingenieur en gelegenheidskoorzanger in de presbyteriaanse kerk. Het moet op een zondagmorgen in 1974 geweest zijn. Fry had de gewoonte kleine briefjes tussen de pagina’s van zijn koorboek te stoppen zodat hij telkens snel naar de juiste hymne kon doorbladeren. Maar de briefjes vielen er voortdurend tussenuit. Tijdens de preek dwaalden zijn gedachten af. Tegen de tijd dat de kerkdienst erop zat, was de post-it geboren.
In zijn hoofd, tenminste.

Verhalen over geniale ingevingen tijdens het nietsdoen — of het nu over Archimedes in zijn bad gaat, of over Einstein die, ogenschijnlijk suffend op zijn werk, de relativiteitstheorie bedenkt — krijgen misschien juist door hun alledaagsheid een soort mythisch aura. Ze klinken te simpel om waar te zijn (en zijn dat wellicht ook). Maar ze zijn wel een mooie illustratie van het nut van dagdromen.

Jarenlang was het onderzoek naar dagdromen nattevingerwerk, want gebaseerd op oncontroleerbare antwoorden van proefpersonen. Vragenlijsten leveren zelden betrouwbaar materiaal op, omdat mensen geneigd zijn onder druk van de sociale controle de werkelijkheid een beetje te verfraaien. Zo bleek uit een bepaald onderzoek dat mannen die routineus werk uitvoeren — bij uitstek geschikt om de gedachten te laten afdwalen — wel veel dagdromen, maar dat die dagdromen in minder dan vijf procent van de gevallen seksueel getint waren. Wat dan weer tot enig wenkbrauwengefrons leidde bij andere onderzoekers.

Nog meer nattevingerwerk. Toen Teresa Belton, een onderzoekster aan de Engelse East Anglia University, een bundel verhalen van lagere schoolkinderen las, was ze ontsteld over het gebrek aan fantasie dat uit de verhalen sprak. De kinderen waren nochtans aangemoedigd geweest in hun creativiteit, die ze — zo was hen verteld — helemaal de vrije loop mochten laten. Belton besloot een paar maanden lang de dagindeling van de kinderen te bestuderen. Daaruit bleek vooral dat er geen ruimte was voor leegte en verveling. En dagdromen doe je nu eenmaal sneller wanneer je niets omhanden hebt. ‘Dagdromen veronderstelt een meer ontspannen manier van denken’, stelt ze, ‘waarbij je sneller bereid bent rare of vergezochte ideeën in overweging te nemen.’

Vangen en bewaren

Die rare en vergezochte ideeën vormen vaak de basis voor creatieve inzichten, zo blijkt uit onderzoek van Jonathan Schooler, psycholoog aan de University of California en een prominent onderzoeker op het vlak van dagdromen.

In 2005 onderzocht Schooler hoe vaak onze gedachten afdwalen tijdens een opdracht. Een groep studenten moest de eerste hoofdstukken van Tolstojs Oorlog en vrede lezen. Telkens wanneer hun gedachten afdwaalden, moesten ze daar melding van maken. Dat gebeurde gemiddeld vier tot vijf keer in een tijdspanne van 45 minuten. Op basis van soortgelijke experimenten stelden andere wetenschappers vast dat we tijdens een ons opgelegde taak tot de helft van de tijd met onze gedachten elders zitten.

vrouw_dagdroomIntussen weten we ook wat er in onze hersenen gebeurt tijdens zo’n mentaal uitstapje. Uit hersenscans blijkt dat bij een brein in rust — met andere woorden: wanneer de gedachten vrijelijk alle kanten mogen uitwaaieren — een soort ‘default’ netwerk actief wordt.

Bij een gerichte taak neemt het hoofdnetwerk de zaken weer over, en wordt het ‘default’ netwerk onderdrukt. Maar tijdens bepaalde fases van het dagdromen blijken beide netwerken tegelijk actief te worden. Over wat dan precies gebeurt, zijn wetenschappers het nog niet eens. Een van de hypotheses, onder meer ondersteund door Schooler en zijn team, is dat beide netwerken zich gezamenlijk gaan bezighouden met dingen die verder reiken dan een welomlijnde taak. Wellicht worden daardoor minder voor de hand liggende verbindingen gelegd, waardoor het creatieve denkproces op gang komt.

Schooler gelooft dat het mogelijk is dit creatieve proces aan te zwengelen door eenvoudige, routineuze of meditatieve bezigheden: wandelen, lopen, fietsen, breien, strijken, doedelen, noem maar op. Tegelijk benadrukt hij dat dagdromen niet genoeg is. Je gedachten laten afdrijven, is het gemakkelijke gedeelte. Daarna komt het lastigste: tijdens het afdwalen toch voldoende alertheid aan de dag leggen om een plotseling opduikend idee te herkennen. Zo’n creatief inzicht moet met beide handen gevangen en bewaard worden.

Want net zoals een nachtelijke droom vervliegt als hij niet meteen bij het ontwaken in een verhaal gegoten wordt, geldt dat ook voor ingevingen tijdens het dagdromen.

(eerder verschenen in De Standaard van 24 juli 2010)

Liefde zonder logica

Dat liefde op de ontleedtafel van de wetenschap niet meer is dan een allegaartje van chemische stoffen, weten we intussen wel. Maar wetenschap alleen is niet genoeg. Om de liefde een beetje te begrijpen, hebben we ook fantasie en verhalen nodig.

Bij minnaars en gekken kolkt het in de hersenen
En slaat de rede zo op hol dat juist hun inzicht
Groter is dan wat de koele rede vatten kan

From here to eternityMet deze woorden van Theseus in Midzomernachtsdroom legt Shakespeare alvast een stuk ziel van de liefde – of liever: verliefdheid – bloot: het obsederende, gekmakende verlangen, waardoor een mens tijdelijk zichzelf niet meer is en tegelijk de diepe overtuiging koestert dat hij meer dan ooit zichzelf is. Sterker en levender dan alle anderen en in staat tot nooit geziene grootsheid.

En daar is het dan: het onvermijdelijke roet in het eten, de vermanende vinger van elke relatietherapeut. Dat die romantische, geïdealiseerde kijk op de liefde nefast is voor een langdurige relatie. Dat liefde een werkwoord is, en dat we maar best ons hoofd erbij houden wanneer het erop aankomt de liefde te laten duren.
Allemaal terechte bedenkingen, jazeker. Maar we blijven verliefd worden, want weten en voelen zijn twee, en zelfs zij die een broertje dood hebben aan romantische zwijmelarij worden misschien vroeg of laat door de bliksem getroffen.

Gelukkig kunnen we rationaliseren. Of dat tenminste proberen. Want kom, wat is die fameuze liefde nu eigenlijk meer dan een paar chemische reacties in het brein? Feromonen, dopamines, oxytocine, noem maar op: leg de liefde op de ontleedtafel en dan blijkt ze al snel even opwindend en romantisch als de inhoud van een goedgevuld apotheekkastje.

Maar is dat neurobiologische verhaal niet al te beperkend? Als al die neurotransmitters en hormonen ons alleen maar zo gek maken, omdat we ons zouden voortplanten, hoe zit het dan met homoseksuele relaties en met mensen van zestig die stapelverliefd worden? Wetenschap alleen is ontoereikend. Om te begrijpen of inzichten te verwerven hebben we ook nood aan verhalen, kunst en filosofie. Laten we dus het recht opeisen om heel even, al was het alleen maar vandaag, een middelvinger op te steken naar heel dat wetenschappelijke discours, dat ons determineert en kooit en ons het recht op fantasie ontneemt.

Hevig en eindig

Liefde is de emotie die wellicht het meest tot de verbeelding spreekt. Haar naam wordt wel eens misbruikt, er wordt een beetje smalend of lacherig over haar gedaan, maar in de grond kunnen we haar maar moeilijk missen. Misschien fascineert ze ons zo omdat ze elke andere emotie in haar zog meesleept: blijdschap, verdriet, angst, woede, haat, jaloezie. Maar ook omdat ze zich nooit helemaal laat vangen in woorden. Omdat de erotische, seksueel geladen liefde, die verliefdheid nu eenmaal is, nooit kan blijven duren, want de hevigheid bestaat maar bij gratie van de eindigheid. En omdat de verliefdheid misschien wel verdwijnt, maar het onbestemde verlangen niet. Het verlangen om diezelfde intensiteit nog eens opnieuw te beleven, ook al weten we dat zo’n sterke emotie ons leven niet alleen verrijkt, maar ook overschaduwt.

Toen hij amper 24 was, begon de filosoof Alain de Botton zijn boek Essays in love (in het Nederlands verschenen als Proeven van liefde ) met de woorden: ‘Het verlangen naar een lotsbestemming is nergens sterker dan in ons romantische leven.’ Het boek is een intrigerend relaas vanaf het prille begin van zijn verliefdheid op Chloe, tot het einde van hun relatie.
Zonder iets af te doen aan de oprechtheid en intensiteit van die grote liefde, onderzoekt hij de waarachtigheid van het verhaal dat verliefde mensen elkaar en zichzelf voortdurend vertellen. Zoals de magie van de voorbestemdheid. Want hoe toevallig kan het zijn dat hij en zijn geliefde rond dezelfde tijd geboren werden, in hetzelfde toneelstuk meespeelden op een andere middelbare school, gelijkaardige moedervlekken op een van hun tenen hebben en, ja, zelfs allebei moeten niezen als ze in de zon zitten? Door toevalligheden te mythologiseren, al vertellende een logica te vinden in wat niet logisch is, groeit de overtuiging dat het zo moest zijn. Dat het universum vanaf hun beider geboorte alles op alles gezet heeft om de twee samen te brengen.

Tweelingzielen

Liefde maakt blind, zegt men. Maar niet alleen voor de mindere kanten van de geliefde. We gooien natuurlijk een soort cordon sanitaire op rondom de geliefde: een veilige ruimte, waarbinnen niets van de slechtheid die we soms bij onszelf zien, terug te vinden is. Door een te worden met die geliefde, niet meer te weten waar onze huid eindigt en de huid van de ander begint, hopen we ook een betere versie van onszelf te worden.

Maar er is meer. Het gevoel dat die ene liefde uniek en niet te evenaren is, terwijl we – in het besef dat miljoenen mensen ter wereld elke dag weer precies hetzelfde meemaken – liever niet horen dat het allemaal nogal banaal is. Even banaal als de bewering dat iemand ‘de liefde van je leven’ is. Maar alleen wanneer we terugblikken in het aanschijn van de dood, zullen we dat weten. Heel misschien.

Ondanks het verlangen naar de intensiteit van de verliefdheid, is de behoefte aan een soulmate of een tweelingziel al even menselijk en van alle tijden. Plato beschreef die drang al in zijn mythe over het ontstaan van de liefde. En de rationele Simone de Beauvoir schreef over haar ontmoeting met Sartre in haar Mémoires d’une jeune fille rangée : ‘Sartre kwam exact overeen met de droomgezel naar wie ik al sinds mijn vijftiende verlangde. Hij was de dubbelganger waarin al mijn brandende verlangens tot zinderende hitte oplaaiden. Ik zou altijd alles met hem kunnen delen. Ik wist dat hij nooit meer uit mijn leven zou kunnen verdwijnen.’
Waarom we ervan overtuigd zijn dat iemand onze soulmate is, valt moeilijk te begrijpen. Psychologen zoeken het in sjablonen die we in onze kindertijd meegekregen hebben, en waardoor we in opeenvolgende liefdes op zoek gaan naar variaties op een thema.

Maar niet alleen de vonk tussen twee mensen speelt een rol. Ook de timing moet juist zitten. De man of vrouw die ons in een welbepaalde periode van ons leven in vuur en vlam zet en ons doet geloven dat we voor elkaar bestemd zijn, zouden we enkele jaren eerder of later misschien nauwelijks opmerken. Omdat onze amoureuze behoeften op dat moment vervuld zijn, bijvoorbeeld. Of omdat andere emoties onze energie wegzuigen. En dan is er de onromantische en tegelijk geruststellende gedachte dat er wel meer tweelingzielen op deze aardkloot rondlopen.

Aan het eind van zijn Essays in love geeft Alain de Botton toe dat hij zijn voorbestemdheid voor Chloe verwarde met zijn voorbestemdheid om verliefd te worden. Hij noemt het zijn vergissing: niet zij, maar de liefde was onvermijdelijk.

‘Jij bent niet verliefd op die jongen, maar op de liefde, zoals alle tieners’, zei mijn moeder ooit tegen me. Misschien had ze gelijk, behalve hierin: zijn we uiteindelijk niet allemaal – of bijna allemaal – verliefd op de liefde, en zoeken we daarbij niet naar iemand die in ons verhaal past?

(verschenen in De Standaard op 14 februari 2013)