Over ontroering

Het overkwam me voor het eerst op een zondagnamiddag.
Ik was acht jaar. Met het hele gezin keken we naar ‘Jody en het hertenjong’ (The Yearling). Het was een mooie film, over een jongetje dat een moederloos hertje opving en grootbracht. Toen het hert groter werd en vernielingen aanrichtte, werd Jody verplicht zijn eigen dier te doden.
Het gewonde hert met de kop half opgericht, het snikkende jongetje met het geweer in zijn handen: mijn keel snoerde dicht en ik kon niet anders dan meehuilen.

Het was nieuw en bijwijlen hardnekkig.

Want niet zo lang daarna had ik het met dit boek.

Schoolidyllen

En nog later met de eindscène van deze film.

Met deze hele film.

En met dit kunstwerk.

De geboorte van Venus, Sandro Botticelli. Gezien in het Uffizi in Firenze.
De geboorte van Venus, Sandro Botticelli. Gezien in het Uffizi in Firenze.

En vooral met dit.

Treurend ouderpaar van Käthe Kollwitz, Duits soldatenkerkhof Vladslo
Treurend ouderpaar van Käthe Kollwitz, Duits soldatenkerkhof Vladslo

Maar ook met iets simpels als dit.

kinderbriefje

En dat.

oud koppel

Ik blijf me erover verwonderen. Tranen om verdriet dat het mijne niet is. Tranen om wat mooi is. Merkwaardig ook hoe ontroering verschuift met de tijd. Met de leeftijd. Ontroering groeit. Dat heb ik lang gedacht. Want, zo redeneerde ik, het heeft te maken met levenservaring. Ontroering en empathisch vermogen gaan hand in hand. Wie een kind heeft, zal sterker ontroerd zijn door een verhaal over een kind dat sterft. Wie liefdesverdriet kent, zal sterker ontroerd zijn door een verhaal over een onmogelijke liefde.
Dat dacht ik, maar dat denk ik nu niet meer. Ik ken tieners die snel ontroerd raken en oude mensen die nooit ontroerd raken. Leeftijd speelt geen rol. Er is iets anders in het spel.

Er was een periode in mijn leven waarin het slecht met me ging. Behoorlijk slecht. Maar ik had me voorgenomen niet te verzuipen, sterk te zijn. Of tenminste: dat te proberen. Wie sterk wil zijn, moet hard zijn, dacht ik. Dat is geen universele waarheid, maar op dat moment leek het mijn redding. Dus trok ik een schild op, waarop alles wat me pijn kon doen zou afketsen. Het werkte. Maar zoals zoveel remedies, had ook deze een bijwerking: niets deed pijn, maar niets raakte me ook anderszins. Mijn zintuigen, die me altijd zo dierbaar geweest waren, leken niet langer op een deugddoende manier in verbinding te staan met de buitenwereld. Ze registreerden wel, maar de vervoering die me tevoren soms overviel, bleef uit. Een bos rook lekker, stelde ik nuchter vast. De zonsondergang kleurde de hemel oranjerood, zag ik zonder er iets bij te voelen. Het intense verdriet was weg, maar samen met dat verdriet was alle intensiteit verdwenen. In de plaats daarvan voelde ik een leegte, die hinderlijk veel plaats innam. Enig cynisme ook. En laat dat nu altijd iets geweest zijn waar ik me ver van wilde afhouden.

Ik weet niet hoe ik genezen ben van de leegte. Vermoedelijk heeft de tijd zijn werk gedaan. Maar ineens was het daar weer. Toen ik deze muziek beluisterde.

Mijn imago zou er wel bij varen als ik kon zeggen dat Bach mijn emotionele leven gered heeft. De waarheid is dat hij op het goede moment kwam. Het hadden ook Mozart of Satie kunnen zijn, maar net zo goed Bruce Springsteen of Tom Waits. Misschien zelfs Celine Dion of Whitney Houston.

Ontroering heeft, denk ik, vooral met kwetsbaarheid te maken. Kwetsbaar durven zijn, maar ook kwetsbaar kunnen zijn. En dat is, wat geluksgoeroes ook mogen beweren, niet iets waar je op elk moment in je leven kunt voor kiezen. Het komt als het wil komen.

Het laatste woord geef ik graag aan de Nederlandse dichter Rutger Kopland, in het echte leven ook bekend als psychiater Rudi van den Hoofdakker. Voor hem heeft ontroering te maken met twee sleutelmechanismen: weemoed en herinnering.

Een mooi schilderij en een mooi gedicht roepen herinneringen op aan wat je nog nooit hebt meegemaakt. Met de weemoed die daarbij hoort: zo is het dus, alsof we even zagen hoe de wereld eruit zag toen wij er nog niet waren en eruit zal zien als wij er niet meer zullen zijn. Hoe zij haar gang gaat, ook zonder ons.’

Over eerlijkheid en het maken van baby’tjes

‘Ik heb een boek geschreven,’ zei ooit iemand tegen me. ‘Een kinderboek over klokken’.
‘Echt?’ vroeg ik, en ik wist niet of ik het absurd of geniaal moest vinden.
‘Ja,’ vervolgde hij, ‘ik dacht zo: daar is nog niet veel over geschreven, over klokken.’
Nee, dat is waar, dacht ik. Net zomin als over broodmandjes, fietsbellen en dubbelzijdig plakband. Maar het was een aardige man en ik wilde hem niet in verlegenheid brengen, dus zweeg ik.
‘Ik heb het naar een uitgeverij gestuurd, maar ze vonden het niet geschikt’.
‘Jammer,’ zei ik.
‘Ach,’ glimlachte hij een beetje triest, ‘misschien is de markt nog niet rijp voor een kinderboek over klokken.’
‘Dat zou best kunnen,’ zei ik.
Ik voelde me een beetje laf. Mijn opvoeding speelde me parten. Een opvoeding waarin me altijd geleerd is eerlijk te zijn. Maar heel eerlijk: zegt ú het heel eerlijk tegen een kennis als zijn adem naar beerput ruikt? En hoe vaak wordt een eerlijk antwoord op het verzoek van een wildvreemde: ‘Je mag heel eerlijk zeggen wat je van mijn tekst vindt!’ op prijs gesteld? Juist: jamais. Of toch zelden. Pretentieuze trut!

En toch: eerlijkheid was een schone deugd bij ons thuis, een absolute waarde. Mijn moeder gaf graag het goede voorbeeld: ze zou nooit liegen tegen haar kinderen. Zo kwam het dat ik als enige kind in de kleuterklas de waarheid kende over Sinterklaas, maar toch doodsbang was als ik hem daar zo statig op zijn troon zag zitten. Kinderen geloven blijkbaar alleen maar die waarheid waar ze aan toe zijn.

'Hoe baby'tjes worden gemaakt' van Andrew C. Andry (1969)
‘Hoe baby’tjes worden gemaakt’ van Andrew C. Andry (1969)

Op een dag ging zelfs mijn moeders rotsvaste geloof in absolute eerlijkheid aan het wankelen. Ik was zeven jaar. We schrijven eind de jaren zestig, toen hippies in de Vlaamse volksmond nog ‘bietels’ heetten en de flower power zich vooral weerspiegelde in ons behangpapier met strakke oranje en gele bloemmotieven. En in mijn moeders pedagogische principes. De anti-autoritaire opvoeding vond ze bij nader inzien toch niet zo geweldig – daar hebben mijn ouders welgeteld één dag mee geëxperimenteerd, meer hoef ik u daarover niet te vertellen, maar dat kindjes niet door de ooievaar gebracht werden moest ik nu toch stilaan weten. Het was veel eenvoudiger: het pietje van papa heette eigenlijk penis, en het spleetje van mama liet zich ook wel eens vagina noemen, en als die penis in die vagina gestopt werd kwamen er zaadjes uit, die samen met mama’s eitje een kindje werden. Een modern kindervoorlichtingsboek van Andrew C. Andry, waarin mama- en papapoppetjes onder een laken lagen te glimlachen, moest het verhaal illustreren.
Ik vond er geen zak aan.

‘Hebben jullie dat ook gedaan?’ stamelde ik.
Mijn moeder – absolute eerlijkheid – knikte onwennig.
‘Bah!’ En dan, heel streng: ‘Maar jullie doen dat nú toch niet meer?’
Mijn moeders wangen kleurden van roze naar vuurrood.
‘Toch wel,’ klonk het.
‘Wanneer voor het laatst?’ vervolgde ik mijn kruisverhoor.
‘Vorige week vrijdag,’ piepte ze.
‘Bàh!’
En ik nam me heilig voor dat ik nooit zulke vieze dingen zou doen.

'Het volkomen  huwelijk" van Dr. Van de Velde (1926)
‘Het volkomen huwelijk” van Dr. Van de Velde (1926)

Vijf jaar later vond ik in de boekenkast van mijn ouders ‘Het volkomen huwelijk’, een generaties oud voorlichtingsboek van de Nederlandse arts Theodoor Hendrik van de Velde. Ondanks de brave titel veel heter en interessanter dan dat boek van Andrew C. Andry. Ik las het in het geniep – oneerlijk dus – en voelde me daar niet bepaald schuldig over.

Ik had toen al kunnen weten dat ik nog vaak zou zondigen tegen mijn kinderlijke voornemen.

Over kippenvel, onweer en een bloedstollende invasie

Het gebeurde op een avond laat in september 2011.
De afgelopen dagen waren ongewoon warm geweest. Fruitvliegjes gedijden als nooit tevoren. Het afdekken van glazen rode wijn met bierviltjes was routine geworden.
Het schuifraam naar de tuin stond op een ruime kier. Het was donker geworden in de woonkamer. Alleen in de keuken brandde licht.
Ik stak mijn hoofstormy skyd naar buiten en rook een vochtige mengeling van stenen en mos, de herkenbare geur die aan onweer voorafgaat. De natuur hield de adem in. De windstilte was een gebeurtenis. Een rilling van welbehagen kroop over mijn rug.
De nachtblauwe hemel kleurde langzaam zwart en in de verte klonk gerommel, bedrieglijk bescheiden. Een dikke druppel op mijn neus. Aarzelend getik op terrastegels, houten tuinmeubelen, de omgekeerde emmer, het blad van de beukenhaag. Getik dat haastiger werd, steeds haastiger, aanzwellend tot monotoon geruis, alleen onderbroken door donder en bliksem.
Het licht in de keuken werd nu een stoorzender. Met tegenzin verliet ik mijn kier bij het schuifraam. Ik liep de keuken in, reikte naar de lichtschakelaar en wierp een zijdelingse blik op de glazen deur die ook op de tuin uitgaf. Een fractie van een seconde verwonderde ik me erover dat ik de tuin niet kon zien door het glas. Er zat iets overheen. Een verbrokkeld wit waas. Het waas bewoog.
Mijn arm bevroor nog voor ik de lichtknop aangeraakt had. Mijn voeten zogen zich vast aan de grond. Mijn mond opende zich, geluidloos. Het manshoge raam was dichtgepleisterd met maden. Klein, vette, kronkelende maden. Geen tientallen, geen honderden, maar duizenden. Mijn ogen gleden langzaam naar beneden, naar de grond. Een deel van het grut was erin geslaagd zich onder de deur door te wurmen en verkende nu de keukenvloer. Mijn ogen gleden verder. Met een zekere verbetenheid baanden de mormels zich een weg naar overal. Ze zaten in hoeken, in kanten, op de vensterbank, op de deurmat, achter de mand die tegen de muur stond.
Ik voelde pijn in mijn aderen. Mijn gestolde bloed begon weer te stromen. Ruwe borstels, kokend water, een blik die kon doden: meer had ik niet.
En meer had ik ook niet nodig.

rain-drops-on-the-pavement-slow-motionEen halfuur later hapte ik naar adem bij het schuifraam, en probeerde me heel hard niet voor te stellen hoe stenen en mos ook een beetje naar gekookt vlees roken.

 

 

 

Voor diehard filmfans: het laatste deel van het verhaal laat zich graag lezen met deze soundtrack op de achtergrond http://www.youtube.com/watch?v=Me-VhC9ieh0

Red het kind! (of net niet?)

De onderzoeken die ons vertellen wat er allemaal misloopt – of juister: mis zou kunnen lopen – met onze kinderen, volgen elkaar in sneltempo op. Tijd voor advies, voor dringende en dwingende raad. En alweer voeding voor ouderlijke onrust en zelfs overbezorgdheid. We kunnen ook de schouders ophalen en kiezen voor koppigheid. Maar het schuldgevoel ligt altijd op de loer.

Afgelopen donderdag kregen bezorgde ouders twee verontrustende berichten voor de prijs van één krant. Van gamen krijg je rugproblemen – dat klinkt bedrieglijk gezellig, zo op rijm – en Kind & Gezin vindt dat kinderen tot de leeftijd van zes jaar extra vitamine D moeten krijgen, omdat die – blijkens een studie van het UZ Brussel – onvoldoende in de voeding aanwezig is.

Links klonk een diepe zucht, rechts werd met de ogen gerold en in de verte groeide er lichte paniek en dijde de ouderlijke bezorgdheid alweer uit tot overbezorgdheid. Ziedaar de simpele samenvatting van wat in mijn omgeving gebeurde.

Martijn F. Overweel
Martijn F. Overweel

Het zal natuurlijk wel kloppen dat kinderen en jongeren vaker een bepaald type rugproblemen hebben dan vroeger. Weinig beweging, lang in dezelfde houding zitten: het is een klacht die we al in de jaren zeventig hoorden, toen televisietoestellen het centrale meubelstuk werden in veel woonkamers. Vandaag zijn daar computers, iPads en dergelijke meer bijgekomen. We moeten nu zelfs vrezen voor bochels op de prille kinderrug: de ‘zitbochel’ of de ‘gameboyrug’ heet dat dan.

Het waren orthopedisch chirurgen die hun bezorgdheid hierover ventileerden, zij die de échte probleemgevallen te zien krijgen. Het nare van dit soort berichten is dat ze – ook al ligt een terechte bezorgdheid aan de basis – een veralgemeende onrust veroorzaken in een wereld waarin ouders al om de haverklap om de oren geslagen worden met de mogelijke gevaren, ziektes, kwalen en persoonlijkheidsstoornissen die het geluk en de gezondheid van hun kinderen bedreigen. Met een nooit aflatende stroom goede raad en dwingende adviezen, die elke goedmenende ouder het gevoel geven voortdurend te kort te schieten.

kinderarbeid VietnamSta me toe het even cru te stellen: de toegenomen rugproblemen behoren tot de risico’s van een luxueus, westers leven. Ik wil niet weten hoe het met de rug gesteld was van kinderen die tot begin twintigste eeuw dag na dag de boot van hun ouders voorttrokken, voorover gebogen stonden aan een weefgetouw, of gehurkt onder de spinmachine zaten om kapotte draden te herstellen. Ik wil niet weten hoe het met de rug gesteld is van kinderen elders op de wereld, die elke dag urenlang water, hout of stenen moeten sjouwen.

Roekeloosheid

Nog zoiets. Individuele drama’s worden keer op keer aangegrepen om alweer een nieuw advies te formuleren. Een meisje van negen dat sterft na het eten van een slecht doorbakken biefstuk: dat is erg, laat daarover geen twijfel bestaan. Maar in de plaats van te benadrukken hoe uitzonderlijk zoiets is, krijgen we vooral te horen dat niet doorbakken rundvlees eigenlijk uit den boze is. Weg met carpaccio, steak tartaar en sappige biefstuk, bleu of saignant gebakken, zoals het hoort. Ruim baan voor de droge, vezelige lap vlees, die niet meer dan de herinnering aan smaak in zich draagt. En samen met de biefstuk, verliest ook het leven een beetje smaak. Want wat leuk en lekker is, wordt steeds vaker aan banden gelegd.
Aan een rotvaart fietsen met de haren in de wind: ik vond het heerlijk als kind. Ik vind het nu nog steeds heerlijk. Maar het vraagt een olifantenhuid en lef dat aan roekeloosheid grenst om je kind vandaag nog zonder fietshelm te laten fietsen. Het kan vallen. Op zijn hoofdje. Het kan doodgaan. Laten we onze kinderen misschien leren om ook thuis, de plek waar de meeste dodelijke ongelukken gebeuren, een helm te dragen. En kijk: ik voel me op slag schuldig, omdat ik de zin van fietshelmen in twijfel lijk te trekken. Maar die vervloekte controledwang en –drang die ons – vooral wanneer het over kinderen gaat – zo in de tang houdt, de illusie dat we het leven schokvrij kunnen inrichten, waardoor ons nauwelijks nog rust en spontaneïteit gegund lijkt in de omgang met kinderen: ze zorgen voor een permanente onrust, een steeds loerend schuldgevoel bij veel ouders.

Wondervitamine?

En dan is er de vitamine D-kwestie. De wondervitamine, die ons moet behoeden voor allerlei gezondheidsproblemen van botontkalking, over darmkanker tot hartaandoeningen, en die we volgens nogal wat medici nooit genoeg kunnen binnenkrijgen via onze – toch behoorlijk rijke en gevarieerde – voeding. Het enthousiasme voor vitamine D-suppletie heeft stilaan de hele westerse wereld in haar ban. Ook bij ons wordt ze nu gehypet als onontbeerlijk voor een gezonde botontwikkeling van jonge kinderen. Nochtans zijn er ook kritische stemmen, die het nut van extra vitamine D in twijfel trekken. In het academisch-medische tijdschrift ‘Annals of Internal Medicine’ verscheen in februari 2013 een artikel over de reserves die leven bij de US Preventive Services Task Force. Zij constateerden dat er onvoldoende bewijs bestaat om aan te nemen dat extra inname van vitamine D, gecombineerd met calcium, botbreuken helpt te voorkomen bij wie premenopauzaal is. Laten we aannemen dat kinderen ruim in deze groep vallen. Verder bestaat er een grote statistische onzekerheid over de invloed op het voorkomen van kanker. Door de tegenstrijdige resultaten luidt het advies ginder: stoppen met de extra toediening. Of die redenering in rechte lijn mag worden doorgetrokken naar de toediening bij kinderen is niet duidelijk. Maar een vraagteken en een minimum aan kritische reflectie moet kunnen.

Mijn kinderen zijn inmiddels gezond en wel volwassen. Extra vitamine D hebben ze nooit gekregen. Ik zou graag stoer beweren dat ik, gesteld dat ik op dit moment een jonge moeder was, mijn voeten zou vegen aan heel dat advies. Wegens te vaag, te omstreden, te dwingerig. De kans is echter reëel dat ik de moed niet zou hebben om tegen de stroom in te roeien, dat ik een schaap tussen de schapen zou zijn en mijn kinderen gedwee zou vitamineren. Omdat ik wellicht niet bestand zou zijn tegen de opgetrokken wenkbrauwen en de al dan niet expliciete veroordeling van mijn koppigheid. Door Kind & Gezin, door de medische wereld, door andere ouders. Maar vooral omdat ik het gevoel zou hebben een onverantwoordelijke moeder te zijn. Want je weet maar nooit.

Kunstmatige angst

Ook los van de vitamine D-discussie kunnen we ons de vraag stellen of ouderlijke (over)bezorgdheid zich niet te snel kristalliseert in medische overconsumptie, iets waar uiteindelijk vooral de farmaceutische nijverheid beter van wordt. Toen longarts Chris De Boeck onthulde dat bijna de helft van de baby’s minstens één keer per jaar medicatie tegen astma krijgt, terwijl dat slechts in tien procent van de gevallen nodig is, reageerden Patrik Vankrunkelsven, docent huisartsgeneeskunde aan de KU Leuven, en Marleen Finoulst, arts en hoofdredacteur van Bodytalk, meteen in een opiniestuk in de krant De Morgen: ‘België zit voor zeer veel medicijnen in het Europees koppeloton’.

Dat is geen onschuldige tendens. Ouders hebben van nature de neiging om hun kinderen te beschermen. We wapenen ons tegen het ergste, maar dat kunnen we maar nadat we ons het ergste voorgesteld hebben. Vandaag krijgt dat ouderlijke beschermingsinstinct nauwelijks de kans om zich op natuurlijke wijze te manifesteren. Tientallen goedbedoelende – en soms minder goedbedoelende – instanties zijn ons voor. Met zwaaiende vinger en diepe frons tussen de wenkbrauwen worden we gewezen op allerlei reëel of imaginair gevaar. En dat werkt. Want in niets zijn ouders zo kwetsbaar en beïnvloedbaar als in de liefde voor hun kinderen. Het geeft gepieker. Zijn we wel verantwoord genoeg bezig? Zijn we niet onvoorzichtig, nalatig, laks? En het geeft angst. Kunstmatige angst over wat er zou kunnen gebeuren. Misschien. Ooit. Als we ons voortdurend de vraag blijven stellen ‘Zou dat kunnen gebeuren?’, dan horen we ook voortdurend het enig mogelijke antwoord: ‘Ja’. Angst. Zinvoller zijn de vragen ‘Zal het gebeuren?’ of ‘Gebeurt het?’ De kans op een beangstigend ‘ja’ wordt dan meteen veel kleiner.

De Duits-Amerikaanse psycholoog en filosoof Erich Fromm schreef in zijn boek ‘Het hart van de mens’ over de kwalijke effecten van ouderlijke – meer bepaald moederlijke – overbezorgdheid: ‘Ze beschadigt het kind niet op een voor de hand liggende manier, maar misschien wurgt ze wel langzaam zijn levensvreugde.’ En kijk, dat doet weer denken aan dat andere recente krantenbericht. Weer zo’n ‘uit onderzoek blijkt’-bericht van kort geleden: dat overbezorgde ouders meer kans hebben op een depressief kind. Het geeft een merkwaardige metatoestand: kunnen we ons zorgen maken over het feit dat we ons te veel zorgen maken, waardoor we riskeren ons kroost met een depressie op te zadelen. Wat een geluk dat ook daar weer pillen voor bestaan.

(verschenen in De Standaard op 10 augustus 2013)

kinderarbeid boot

Mijn rijtjeshuis voor jouw luxevilla?

Wildvreemden die je lingerielade overhoophalen en de aap uithangen met je beha over hun kleren en je slip op hun hoofd. Je familiefoto’s bekijken. Seks hebben in je bed en je puberdagboek doorbladeren. Zijn er ook voordelen aan huisruil als vakantieformule? Welzeker.

Louisiana_1    Het lijkt paradoxaal, maar net als bij naturisme hing naar mijn gevoel rond huisruil lang een waas van kneuterige openheid. Mijn ietwat cynische vooroordelen heb ik intussen aan de kant geschoven. Voor alle duidelijkheid: naturist ben ik nog steeds niet. Anders ligt het bij huisruil. De bijna als een bedreiging klinkende belofte die ik indertijd her en der hoorde – ‘Eens je huizen ruilde, wil je niks anders meer’ – bevat meer waarheid dan ik ooit durfde te denken.

Het idee groeide toen we een zevental jaar geleden het Canadese huisruilgezin van vrienden wegwijs maakten in Gent. Hun enthousiasme, en enkele weken later ook dat van onze vrienden, werkte aanstekelijk.

We hakken we de knoop door: onze zomervakantie van 2001 zal richting VS gaan. Een bestemming waar we al langer zin in hebben, maar die voor ons gezin – twee volwassenen, twee tieners – onbereikbaar is, wegens te duur. Onze plannen worden afwisselend op verwondering, voorzichtig enthousiasme en sceptisch geknor onthaald. Over ons aanbod klinkt het eensluidend: ‘Wie wil in ’s hemelsnaam naar Wondelgem komen?’

Ik ben steeds meer gaan voelen voor het goed gedoseerde optimisme en het op het eerste gezicht naïeve vertrouwen dat huisruilers zowat overal ter wereld met elkaar gemeen hebben. Na heel wat contacten met collega-huisruilers heb ik welgeteld één minder goede ervaring mogen noteren: een Amerikaans koppel was erg teleurgesteld, omdat de overeenkomst met een Parijs gezin op het laatste moment werd afgeblazen, zonder duidelijke reden. Vermoedelijk hadden de Parijzenaars, mensen die voor het eerst huizen zouden ruilen, een interessanter aanbod gekregen. Dat is meteen een eerste – ongeschreven – regel voor wie huisruil overweegt: zodra je concrete afspraken maakt met een ander gezin, wordt het een erezaak om je ook aan die afspraak te houden, ongeacht welke aanlokkelijke aanbiedingen nog uit de bus komen. Niemand kan je dwingen, maar iedereen weet hoe rot het is als je vakantie op het laatste moment in het water valt. Niemand kan je ook dwingen goed te zorgen voor het huis van een ander, niet rond te snuffelen of te stelen. En toch stellen zich ook op dat vlak nauwelijks problemen.

Huis met tuin en plezierboot
We zoeken via de stevig gedocumenteerde en gebruiksvriendelijke site van homeexchange.com. Zoeken op land, op accommodatie of ‘omgekeerd’ zoeken – wie wil naar België komen?, het kan allemaal. En ja, tot onze verbazing blijken vooral Amerikanen, Canadezen en Denen wel iets te zien in Belgium. Met aangescherpt zelfvertrouwen  besluiten we ook te mailen naar mensen die België niet expliciet vermelden als droombestemming, maar weleens iets van Europa willen zien. Ik begin aan een tekst, waarin ik onszelf, ons huis en onze omgeving voorstel, en waarin ik de troeven van België in de verf probeer te zetten. De clichés over bier, frieten en chocolade laat ik achterwege, maar ik citeer wel de Lonely Planet over ons land: ‘Als de spotlight België op het Europese toneel slechts een klein lichtje is, is dat alleen te wijten aan het feit dat de Belgen zelden opscheppen over hun land. Ten onrechte: België heeft meer geschiedenis, kunst, lekker eten en architectuur per vierkante meter dan vele van hun grotere en luidruchtigere buren.’ De opschepperij aan een ander overlaten – en wat voor een – ook dat is Belgisch.

Het huis in Breaux Bridge, Louisiana
Het huis in Breaux Bridge, Louisiana

We kiezen zes huizen: twee in Oregon, twee in Californië en twee in Louisiana. Ik heb het gevoel dat ik net iets te brutaal geweest ben, want een van de huizen in Louisiana is wel vier keer zo groot als het onze, compleet met bar, speel- en filmkamer, met een grote tuin gelegen aan een bayou, en o ja, er hoort ook een plezierboot bij. Wanneer we nog dezelfde dag een dolenthousiaste mail krijgen van Linda – van het grote huis, jawel – weten we niet waar we het hebben. Snel laat ik haar weten dat ons huis echt wel een stuk kleiner is dan dat van haar, en dat we zeker niet willen dat ze zich bekocht zou voelen, maar ze lacht onze bezwaren weg. Zij en haar man, Gregg, willen alleen een huiselijke plek om hun lichaam ’s nachts te parkeren, en ze zitten nu al te popelen bij het vooruitzicht aan de vakantie. De sympathieke kunstleraar uit de buurt van San Francisco die ons enkele dagen later laat weten dat hij graag wil ruilen, mailen we met spijt in het hart dat we al bezet zijn.

In de daaropvolgende maanden ontspint zich een drukke mailcorrespondentie. Net als voor ons zal dit hun eerste huisruilervaring zijn. Ik maak een soort handleiding met nuttige informatie — over onze katten, de buren, de planten, de werking van huishoudelijke apparaten, noodnummers… Linda zegt dat het allemaal wel zal loslopen, dat alles in hun huis zichzelf uitwijst. Wanneer blijkt dat zij later zullen vertrekken dan wij, en we dus elkaar zullen ontmoeten, voel ik me gerustgesteld. In afwachting raas ik als een wervelwind met smetvrees door mijn huis en maak ik schoon zoals ik – normaal gezien niet meteen een toonbeeld van huishoudelijk perfectionisme – dat

nooit eerder deed. Mijn partner schudt het hoofd. Pas wanneer een vriendin die een tijdje in Amerika woonde, me zegt dat ik nog raar zal opkijken ginder – ‘Amerikanen doen het nogal met de Franse slag’ – gooi ik mijn emmer en dweil terug in het berghok.

Allen naar Breaux Bridge
Het vertrek nadert. Mijn ouders zullen voor ontvangstcomité spelen: zij voorzien onze koelkast van het nodige lekkers, wij laten een aantal Belgische bieren en chocolaatjes achter als welkomstgeschenk — je kunt de clichés niet blijven ontwijken — en daar gaan we dan.

Laat op de avond landen we in New Orleans, waar Gregg ons opwacht. De verwelkoming is warm, de lucht loodzwaar en heet. Dit is de Deep South. Een autorit van meer dan twee uur brengt ons naar Breaux Bridge, in het hart van Cajun Country. De auto zullen we de komende drie weken als de onze mogen beschouwen, want ook die is in de ruil inbegrepen. Net zoals het appartement van dochter Christa in Houston, Texas, op vier uur rijden van Breaux Bridge. Al snel daagt het ons dat we met ons gat in de boter gevallen zijn, en dat we onze verwachtingen met het vooruitzicht op toekomstige huisruilvakanties het best een beetje temperen.

Bram in de game room
Bram in de game room

Louisiana en de cajuns bewieroken zou me te ver leiden – ik kan er nog even over doorgaan – maar vanaf dat moment hebben we de vakantieformule in ons hart gesloten. De buren zijn behulpzaam en gastvrij, zonder opdringerig te worden. Uit dankbaarheid nodigen we hen uit voor een etentje – Gentse waterzooi! – en later die vakantie bereiden zij voor ons jambalaya. Wanneer we een mail ontvangen van Linda, waarin ze ons bijna vermanend laat weten dat ons huis echt wel veel beter is dan we haar lieten verstaan, en wanneer haar dochter langskomt en vertelt dat ze zich op voorhand afvroeg: ‘Who the heck wants to come to Breaux Bridge?’, leggen we onze complexen voor eens en voor altijd af.

Van Spitsbergen tot Sicilië
Het daaropvolgende jaar willen we het dichter bij huis zoeken. De bestemming: Europa. De praktijk wijst uit dat wie zich vastpint op een bepaalde bestemming, vaak met lege handen achterblijft. De hele wereld wil naar Italië, Spanje, Zuid-Frankrijk of Schotland, dus de weinige huisruilkandidaten die je daar aantreft, kampen voortdurend met l’embarras du choix. En of ze nu echt Wondelgem, Reet of Erps-Kwerps zullen verkiezen boven die honderden andere aanbiedingen, valt te betwijfelen. Proberen mag natuurlijk. Ditmaal versturen we tien mails: van Sicilië tot Spitsbergen, en zowat alles er tussenin. Al snel krijgen we reactie van een jong gezin dat aan de westkust van Denemarken woont. Het klikt meteen. De mailcorrespondentie en de telefoontjes met Mogens en Kirsten geven ons snel het gevoel dat we oude vrienden zijn. Ook hen ontmoeten we heel even, bij onze aankomst. In hun huis voelen we ons merkwaardig snel thuis, vooral wanneer we zowat alle boeken uit onze bibliotheek aantreffen op hun boekenplanken, maar dan in het Deens.

Annelien in de tuin, Port Jefferson, New York. En Manhattan natuurlijk.
Annelien in de tuin, Port Jefferson, New York. En Manhattan natuurlijk.

In de zomer 2003 trekken we weer naar Amerika, naar Long Island, New York ditmaal. Het cultuurverschil met het zuiden is voelbaar. De kritische, ruimdenkende, ietwat cynische New Yorkers contrasteren fel met de hartelijke, maar conservatieve zuiderlingen. We betrekken het huis van een professor Engelse literatuur en zijn kunstminnende vrouw, en hebben ook ditmaal het geluk er een buitenhuis bovenop te krijgen: een blokhut in de Catskill Mountains, waar ook het legendarische Woodstock ligt. Amper een minuut na onze aankomst valt de elektriciteit uit. Eerst denken we dat we iets verkeerds gedaan hebben, tot onze enige buurman, die enkele honderden meters verderop woont, ons komt vertellen wat er aan de hand is. We beleven er de onwaarschijnlijke elektriciteitspanne die half Noord-Amerika zonder stroom zet.
We bouwen een vuur onder de sterren, ontkurken een fles wijn en prijzen ons gelukkig dat we de nacht niet hoeven door te brengen in een of ander station in Manhattan, waar nu duizenden gestrande mensen een slaapplek op de grond proberen te bemachtigen.

Catskill Mountains, New York
Catskill Mountains, New York

(in 2005 verschenen in De Standaard Magazine)

Durft iemand zijn hand in het vuur te steken voor zichzelf?

‘Je ziet meteen wie het gewone geboefte is en wie de moordenaars zijn,’ vertelde een vrouw me ooit. Zij kende de gevangenis goed, want ze bezocht er in het kader van herstelbemiddeling haar ex-schoonzoon, de moordenaar van haar dochter.
Het gewone geboefte oogde als crapuul. Maar de moordenaars, die waren anders. Die zagen er zo normaal uit. Zoals de buurman, de collega, de vriend, de geliefde. Zoals u en ik.
Toen ik later de man in kwestie interviewde, viel me op hoe rustig en verstandig en hoffelijk hij was. Ik had er bijna ‘sympathiek’ aan toegevoegd, ware het niet van dat ene niet te negeren feit: hij had een mens vermoord.

Ik heb er altijd een nogal naïef beeld van gehad, van die moordenaars. In mijn fantasie waren het angstaanjagende wezens. Half mens, half monster. Schepsels bij wie je maar beter uit de buurt bleef. Met wie je echt niet alleen mocht zijn. Want je wist maar nooit wanneer ze weer eens die duivelse schittering in hun ogen zouden krijgen, waarna ze hun handen om je hals konden zetten om de lucht uit je lijf te persen.

gevangeneVorige week was ik op bezoek in Leuven-Centraal. Klein geboefte is er in de minderheid. De meeste gevangenen zitten daar omdat ze een levensdelict gepleegd hebben. Ik praatte er met Staf, Jean, Ghislain en Frank, die straffen tussen de 21 en 42 jaar uitzitten. Dat ze meer op hun kerfstok hebben dan het stelen van een brood, hoef ik u niet te vertellen. We praatten over koetjes en kalfjes. Over mensen en ideeën. Over muziek en literatuur. Met een van hen was ik een tijdlang alleen.
Het was heel gewoon. Geruststellend en verontrustend gewoon.

De kille moordenaar bestaat. Maar hij behoort tot een minderheid.
De meeste moordenaars hebben wroeging. Too little too late natuurlijk. Want wat kopen hun slachtoffers daarvoor? En de gebroken familieleden van die slachtoffers?
Het zijn vragen waar ook veel daders mee blijven zitten. Ze zijn zwaar in de fout gegaan en ze kunnen die fout nooit meer goedmaken. Daar moeten ze mee leren leven.

Zij, de daders.
Gelukkig zitten wij aan de goede kant van de grens. Wij zijn normaal. Toch?

Maar zeg eens. Durft iemand zijn hand in het vuur te steken voor zichzelf?
Echt?
U bent in goed gezelschap.
Een keer raden.

Een jeugdauteur die het goed bedoelde

Stel je voor.

Stel je voor dat je een boek schrijft. Een jeugdboek, waarin je bepaalde sociale en morele codes op de helling zet. Niet omdat je daar zelf achter staat, maar om zoveel andere redenen.

Omdat het helemaal klopt in de context van het verhaal.

Omdat het echte leven gelardeerd is met dit soort situaties.

Omdat een verregaande vorm van empathie een absolute noodzaak is voor een schrijver die waarachtig wil schrijven.

Omdat het je personages doet nadenken, reflecteren, twijfelen. En omdat een mens die twijfelt meestal interessanter is dan hij die de zekerheden aan elkaar rijgt. Bewaar mij voor zij die alles menen te weten.

Zo’n boek groeit nu in mijn hoofd.

Wim DaemsEn toen dacht ik ineens aan Wim Daems, een jeugdauteur en wetenschapsjournalist die  in 1994 ‘Beeld van een meisje’ schreef. Het was zijn zevende boek, en meteen ook zijn laatste.
Ik moet bekennen dat ik niet vertrouwd was met zijn werk. Maar ik herinner me het nieuwsbericht en de hele heisa,, laat ik het maar onomwonden een heksenjacht noemen, die volgde op de publicatie van dat boek. Daarin figureerde namelijk een vrachtwagenchauffeur, die het bestaan van de gaskamers ontkende. Zijn betoog bracht het hoofdpersonage, een tienermeisje, aan het twijfelen. Dat het een kwalijk boek was, klonk het, want er werd geen weerwerk geboden voor zijn argumenten. Uitgeverij Davidsfonds besloot het boek meteen uit de rekken te halen.

Ik kromp een beetje ineen bij dat verhaal. Voor de haastige luisteraar zou Wim Daems de geschiedenis ingaan als die aangebrande jeugdauteur, die de zuivere tienerziel besmette met negationisme.

In 1996 kwam er nog een staartje aan het verhaal. SKEPP besloot namelijk de allereerste ‘Skeptische Put’ (een prijs voor ‘diegene die zich uitzonderlijk onkritisch heeft opgesteld en de popularisering van kennis en wetenschap totaal verkeerd heeft begrepen’) aan Daems uit te reiken. Op de website van Skepp staat hierover onder andere dit te lezen:

Wim Daems, aanwezig wat door alle aanwezigen zeer gewaardeerd werd, opende dapper het gesprek met toe te geven dat hij zich vergist had. Hij schreef het boek omdat hij in de jaren ’80 aan de lijve ondervond hoe jongeren door negationistische propaganda werden beïnvloed en geen ondersteuning vonden. “Ik wilde het failliet van de historici aangeven. Ik wist dat ik een risico liep, maar hoopte zo de discussie op gang te trekken. Maar daarin ben ik misbruikt geworden.” De gevolgen waren ingrijpend. Daems leed heel wat schade, het boek werd afgevoerd en hij werd persoonlijk geterroriseerd.

De tragiek zit hem in de overduidelijke goede bedoelingen van Daems.
In 1988 had hij de Prijs Beste Jeugdboek Knokke-Heist (tegenwoordig ‘De zoute zoen’) gewonnen met ‘Het koopkind’. Wikipedia leert ons dat de jury zijn werk eensgezind prees, onder meer omwille van ‘de originele benadering van een hedendaagse thematiek, de boeiende en aangrijpende plot, de prachtige beschrijving van de Afrikaanse leefgewoonten, de treffende typering van de personages en de genuanceerde visie op het conflict tussen regering en guerrilla’.
In 1999 won hij ironisch genoeg ‘De zesde vijs’ van SKEPP, ditmaal voor zijn kritisch-wetenschappelijke artikels.

Ineens kreeg ik zin om de man aan te schrijven. Om hem een veel te laat hart onder de riem te steken. Niet dat hij daar een boodschap zou aan gehad hebben. Vijgen na Pasen en zo van die dingen. Maar toen vernam ik dat hij vier jaar geleden overleden is.
Het doet raar om een steek van spijt en verdriet te voelen over iemand die je nooit ontmoet hebt.

We horen voortdurend dat wat we schrijven niet te expliciet mag zijn. Niet te uitleggerig, niet blabla.
Maar blijkbaar is dat niet altijd even evident. Wim Daems is op de vingers getikt, gekraakt zelfs, omdat hij niet expliciet zei: ‘Deze meneer is fout. Fout en stout.’
Ik weet het wel, ik maak er een karikatuur van.
Maar evengoed, het maakt de schrijver in mij onzeker.
Ik begin alvast te oefenen.
Want op eieren lopen is een kunst.

Wie over de gave van de retoriek beschikt, kan veel onzin als wijsheid verkopen

eleanorrooseveltGreat minds discuss ideas.
Average minds discuss events.
Small minds discuss people.

Eleanor Roosevelt zou het ooit gezegd hebben, een vrouw om wie een aura van onaantastbaarheid hangt. Iemand die we graag citeren, omdat ze wijs en charismatisch is. In die mate dat we onze scepsis misschien iets te snel laten varen.

Het klinkt natuurlijk geweldig . Het noopt tot instemmend geknik, een inwendig monkellachje – natuurlijk behoren wij tot die eerste soort, of tenminste: daar streven we naar – en een met spijt gevulde overpeinzing over al diegenen die tot de laatste soort behoren.

We kunnen dit bordje meteen op Facebook zetten. Succes gegarandeerd. Het zal ongetwijfeld veel likes krijgen, en misschien zelfs een paar keer gedeeld worden. Maar slaat het ook ergens op?
Ik geef u alvast mijn antwoord: voor mij slaat het nergens op.
Ideeën betekenen niets zonder hun context. Ideeën groeien maar door de blik naar buiten te richten. Door gebeurtenissen gade te slaan, mensen te observeren. Door over beide na te denken, en ja: door erover te praten met anderen. En laat ik vooral dat onderste trapje, de onderbuik van het citaat, zo interessant vinden: de mens in al zijn grootsheid of naakte onnozelheid.

Wie over de gave van de retoriek beschikt, kan veel onzin als wijsheid verkopen.
(U mag me citeren als ik dood ben, voor zover het u dan nog iets kan schelen.)

Maar kijk, wat leert Wikipedia ons? Dat het citaat wellicht onterecht aan Eleanor Roosevelt toegeschreven werd. Op die manier wordt het niet meer dan een in steen gebeitelde leugen. Wat een onrecht. Laat ik Eleanor dan maar snel in ere herstellen met een citaat dat zéker van haar afkomstig is. Eentje dat, in tegenstelling tot dat ene, haar openheid reflecteert. Hier geloof ik haar.

One thing life has taught me: if you are interested, you never have to look for new interests. They come to you. All you need to do is to be curious, receptive, eager for experience. And there’s one strange thing: when you are genuinely interested in one thing, it will always lead to something else.

De merde met romantische komedies

Zij rent met een stapel pakjes door de winkel, struikelt, foetert op zichzelf, begint alles nijdig bijeen te rapen. En dan ziet ze plots een hand: een brede, rustige mannenhand, die haar galant een van de pakjes voorhoudt. Stomverbaasd kijkt ze op. Hun blikken kruisen elkaar en de gensters springen van het scherm. Dat ze passioneel verliefd zullen worden, weet zelfs de baby aan uw borst. Alleen zij zijn nog geheel in het ongewisse. Want wat blijkt? Van zodra ze beginnen te praten, werken ze zo hard op elkaars zenuwen dat ze de halve film zullen spenderen aan bekvechten en ergernis. Maar geen nood: het kantelmoment komt. Op het moment dat zij zich kwaad maakt bijvoorbeeld. Wanneer ze buiten zinnen is van woede en op het punt staat in een hysterische huilbui uit te barsten, valt hem ineens op hoe mooi ze is als ze kwaad is. Hij trekt haar bruusk – maar niet té – naar zich toe en kust haar kort en hevig. Na een moment van verbijstering springt zij op hem af en hapt zich wild een weg langs zijn lippen naar zijn tong.
when harry met sallyTijd voor seks! Of voor het gepeins na de seks, in bed. Want dat wil wel al eens tegenvallen in die romantische komedies: als het echt plezierig wordt, mogen we niet meekijken. De lakens zijn wit (geen donsdekens, want dat flatteert niet zo) en bedekken hem tot zijn middel en haar tot net onder de oksels. Als ze uit bed stapt valt het laken als een elegant gewaad om haar heen. Geen gesnok om dat ding onder de matras vandaan te krijgen, en er wordt ook niet gestruikeld. O ja, en werkelijk niemand stinkt uit de bek bij het ontwaken.

Natuurlijk moeten er hindernissen overwonnen worden. Een mooie, maar gemene rivale, die haar kans waagt en ervoor zorgt dat hij in een compromitterende situatie betrapt zal worden, bijvoorbeeld. Maar hij kan het allemaal uitleggen! Het is niet wat het lijkt! Daar gelooft zij uiteraard niets van. Even later zien we haar gedeprimeerd langs een brede rivier in een wervelende grootstad slenteren, met een liedje op de achtergrond.
Kissing-in-the-RainZe stort haar hart uit bij haar vrienden – enfin, vriendinnen en een homo, die perfect zou zijn als partner, ware het niet dat hij voor de mannen is. En het moet regenen, want dat maakt het dubbel zo mooi als hij haar achterna komt rennen en ze kussen elkaar door hun tranen heen. Of ze moet een taxi naar de luchthaven nemen om definitief uit zijn leven te verdwijnen, waarop hij haar net op tijd kan tegenhouden in de vertrekhal. Hij zal haar in het bijzijn van alle medereizigers zijn eeuwige liefde verklaren – ten huwelijk vragen is nog beter – en ze zullen elkaar in de armen vliegen en zoenen. De omstanders hebben uiteraard geen eigen leven en liefdes om zich zorgen over te maken, en barsten spontaan uit in een vertederd applaus. Fade out. Met een liedje op de achtergrond.

De film bestaat overigens niet. Het is niet meer dan een samenraapsel van enkele clichés die mee het grote succes uitmaken van romantische komedies.

Een echte merde, hoor, die romantische komedies. Want ze zijn slecht voor ons, zeggen Schotse wetenschappers. Wie ze vaak bekijkt, verhoogt zijn – of haar, want het zouden vooral vrouwen zijn die zwijmelen bij de Disneyversie van de liefde – geloof in voorbestemdheid. En dat betekent miserie, want die voorbestemdheid is toch maar een illusie.

Al jaren toeter ik in het rond dat ik een bloedhekel heb aan romantische komedies. Maar dat is niet helemaal eerlijk. Ik heb er een haat-liefdeverhouding mee. Telkens wanneer er eentje aangekondigd wordt, denk ik heel hard: domdomdom. Maar ik kijk gretig. Met de zapper binnen handbereik voor als het te melig wordt. Soms blijf ik hangen. Omdat de karamel superieur is in zijn soort. Dan kijk ik, en blijf ik kijken. Groundhog Day, Sleepless in Seattle, Jerry Maguire, When Harry met Sally: yes! Maar de absolute meester in het genre moet toch wel Woody Allen zijn: Annie Hall, Manhattan, The Purple Rose of Cairo, Midnight in Paris. Lichtjes verslavend zijn ze. Mijn absolute favoriet blijft echter Hannah and her Sisters. Ik tel allang niet meer hoe vaak ik deze film al gezien heb. Kijk!

Drie dagen dobberen middenin de wereld, en toch alleen (3)

kanoOver de brug marcheert een klasje kinderen in fluohesjes. En even later passeren er twee grote kano’s met andere kinderen in reddingsvestjes.
‘Mevrouw u hebt een supermooie boot!’ roept een blond meisje.
Een jongen en een meisje zitten op het kademuurtje. Hij draait om haar heen, is duidelijk op de versiertoer. Zij lacht, schudt haar haren, kijkt naar hem, kijkt weer weg. Nog even doorzetten, het lukt wel, denk ik. Tussendoor kijkt hij naar mij en wuift. Hij zet zijn handen om zijn mond.
‘Hallo!’ toetert hij.
‘Hallo!’ roep ik terug.
‘Prachtige boot!’
Het meisje kijkt om en lacht, en dan gooien ze zich weer op de paringsdans.
Wanneer ik tien minuten later opkijk, zitten ze te kussen.

Mijn oog valt op een aandoenlijke inscriptie. In grote, ongelijke letters vertelt de boot over zijn roots.

MADE IN BANGLA-
– DESH

MAKE
BY
RATAN AND SUDAM
2007

Wat zouden Ratan en Sudam van mijn verblijf hier vinden? Zouden ze de zin ervan inzien, of zouden ze het hoofd schudden en lachen.
Ik heb wel een vermoeden.

Twee keer wordt mijn rust verstoord door puberjongens, die op de boot proberen te geraken. Ik steek mijn hoofd buiten, en dat helpt meteen. Ik straal blijkbaar gezag uit. Of misschien schrikken ze zich gewoon een hoedje bij het zien van mijn woeste, ongekamde kop.

woonboot3Nachtelijke joligheid aan ’t Dreupelkot. Ambiance bij het Waterhuis aan de Bierkant. Ik kijk en luister ernaar met mijn heldere, alcoholvrije hoofd.
Ik wil nog steeds niet ruilen.
Lang leve mijn oordopjes. Zachte, gele hoeders van de nachtrust.

Een mens kan zonder telefoon en zonder computer.
Een mens kan – ik vind dit zeer moeilijk om toe te geven – zonder boeken.
Een mens kan, als het maar beperkt blijft in de tijd, zonder andere mensen. Maar heel eerlijk: die andere mensen zijn er wel. Soms meer dan ik zou willen.
Ik zou best wat meer alleen willen zijn. Het experiment nog iets verder doordrijven, inderdaad. En zien wat er dan gebeurt. Of ik gek word of alleen maar een beetje lastig. Of ik misschien op geniale ideeën kom, of alleen maar repetitieve onzin begin uit te kramen.

Een mens kan zonder van alles en nog wat.
Maar een mens kan niet zonder indrukken.
Ik denk na over iets dat ik ooit las. Dat mensen gek worden, wanneer ze geen zintuiglijke prikkels krijgen. Een verblijf in een donkere, geluidsvrije cabine zou ons tot waanzin drijven.
Ik denk aan Jan Cools, de dokter die indertijd gegijzeld werd, ergens in het Midden-Oosten. Maar in welk land was dat ook weer?
En wanneer? Ergens in de jaren tachtig of negentig?
Wie waren zijn ontvoerders?
Hij zat heel lang gevangen. Hoe lang was dat precies?
In een piepklein kamertje, met alleen maar een bed.
Om niet gek te worden deed hij iets met zijn gedachten. Maar wat was dat ook alweer?
Telde hij? Zegde hij gedichten op? Schreef hij verhalen in zijn hoofd?
Ik wil het echt weten.
Google, waar ben je?

Ik verlang naar een gezicht om een beetje tegenaan te praten.
Mijn oog valt op een ovalen spiegeltje. Ik ga ervoor zitten en knik vriendelijk naar de vrouw in de spiegel. Ze knikt vriendelijk terug. En dan begin ik te praten.
Praten tegen je spiegelbeeld heeft iets merkwaardig bemoedigends.
Het is kijken in ogen die je onvoorwaardelijk begrijpen. Kritische ogen ook, want ze zien elke onvolkomenheid. Maar nooit genadeloos. Behalve in tijden van PMS.
Ik geef woord en wederwoord en sta ervan versteld hoe er een heuse conversatie op gang komt. Zij en ik, we inspireren elkaar. En soms spreekt de een de ander tegen.
Het lef.

woonboot4Het is tijd.
Wat is tijd?
Hoe laat is het?
Neen, ik hoef het niet te weten.
Hoezo, het is tijd?
Tijd waarvoor?

Het is echt tijd.