Sardinië (1): de weg erheen. Over Volterra enzo.

20150522_175027Toen we in mei 2015 voor het eerst naar Sardinië reisden, was het liefde op het eerste gezicht. Het ruwe landschap bezaaid met ronde rotsformaties waarin je – met niet eens zoveel fantasie – dieren, gezichten en zelfs konten kan zien. De alomtegenwoordige zee, die hevig blauw en soms ook gewoon hevig is. De eilandjes voor

Eilandje in de Maddalena-archipel
Eilandje in de Maddalena-archipel

de kust, met eenzame stranden (zolang er geen grote toeristenboten in de buurt zijn, want dan breekt de hel los), die zich graag laten ontdekken. Het verlaten fort op de kliffen, dat we stiekem verkenden. De voortreffelijke visgerechten. De vriendelijke mensen – ja, toch wel een stuk vriendelijker dan op het vasteland. De vele nuraghe, taalloze overblijfselen van een prehistorische beschaving.

Verlaten fort nabij Capo d'Orso
Verlaten fort nabij Capo d’Orso

En dan dat vermoeden van een binnenland waarin nog veel meer te ontdekken valt, alleen ontbrak ons daarvoor de tijd.

Met drie weken huwelijksreis in het verschiet, voelen we wel iets voor een trage reis naar Sardinië. Geen vliegtuig, maar gewoon met de auto over land. Twee keer slapen onderweg – in Mulhouse en in Volterra – en na een dag schoonheid tanken in Toscane met de nachtboot vanuit Livorno naar Olbia.

Volterra is voor mij een bijzonder weerzien. Het is er nog even mooi als in mijn herinnering, maar wel beduidend drukker dan toen ik er voor het eerst was, in augustus 1994. Mijn scherpste herinnering? De krantenwinkel vlakbij de Piazza San Giovanni, waar we op de voorpagina van alle

Volterra (bron: Vivetoscana)
Volterra (bron: Vivetoscana)

kranten de foto’s van Julie en Melissa zagen. De schok, de misselijkheid, die zo haaks stond op de schoonheid van het plein en de zorgeloze dolce far niente-stemming die in het stadje hing. De vertwijfeling en machteloosheid: hoe leg je aan je kinderen van zes en acht uit wat er gebeurd is? Wat antwoord je op hun vragen? Het zijn de eeuwige vragen, waar elke generatie ouders haar tanden op stukbijt. We deden ons best, zoals ook ouders vandaag hun best doen om de gruwel enigszins bevattelijk te maken voor hun kinderen.

Ik wil op dezelfde manier als toen door die straat naar het plein lopen, kijken of de krantenwinkel nog steeds bestaat. Misschien wil ik de stad en de herinnering eraan op die manier ontmijnen. De winkel is er nog steeds. En de krantenkoppen zijn geruststellend banaal. Een uur later kan me al niet meer herinneren wat ze vertelden.

Het lijkt wat onkies om de knop in mijn verhaal weer om te draaien en naar vakantiemodus over te schakelen, maar ik doe het toch. Omdat het in mijn hoofd ook zo werkt. Of toch niet helemaal. Dus laat ik het voorlopig maar bij de tips van de dag houden.

Niet origineel deze, maar we bezochten de Pinacoteca Civico, met nogal wat 14de-eeuwse religieuze schilderkunst. Interessant, omwille van het heldere kleurenpalet dat de schilders van de Siennese school gebruikten. Helemaal anders dan wat we gewend zijn uit die tijd.

truffelravioli-osteria-dei-poetiDineren deden we in de voortreffelijke Osteria dei Poeti. Geen terras, maar een aangename, ietwat rustieke gelagzaal. Zeer lekkere én betaalbare truffelgerechten. Attente bediening.

Slapen deden we in Il Chiostro delle Monache, een hostel aan de rand van Volterra, op twintig minuten wandelen van het centrum. Sobere kamers, maar bijzonder ruim en aangenaam. Rustige ligging. Prima ontbijt, bij goed weer op het terras in de binnentuin.

Ik was er graag iets langer gebleven. Maar de nachtboot naar Sardinë wacht.

Tot morgen.

Een vintage reisje

Dat het niet de meest sexy vakantiebestemming is, bleek meteen uit de reacties.
Een week naar de Moezelstreek? Ah, oké. Leuk, leuk. Enfin, jullie zijn er dan toch eens tussenuit geweest, hè? Dat we in september op échte huwelijksreis zouden gaan, voegde ik er lafjes aan toe. Naar Sardinië! Daar waren ze dan, de blinkende ogen waarop ik gehoopt had. Wow wow wow, la bella Italia!

De Moezel roept beelden van huwelijksreisjes uit de jaren vijftig en zestig op. Met een beetje goede wil zou je het een vintage reisbestemming kunnen noemen, maar daarvoor kneutert het net iets te hard. Italië kneutert soms ook, maar daar heet dat om de een of andere reden authentiek.

En toch.
De vooroordelen mogen ontkracht worden. Het is mooi aan de Moezel. Echt mooi. Zorgzaam bewegwijzerde wandelpaden (hallo, Italië?), en fietsers zijn er absoluut koning: prachtige paden die meanderen met de rivier, beschaduwde bankjes om even op adem te komen en overal laadstations voor e-bikes. Uiteraard, want de honeymooners van toen zijn nu krasse zeventigers  die je gezwind voorbijzoeven op hun elektrische fietsen. Af en toe spotten we een gezin met jonge kinderen. Nog even en de Moezelstreek wordt weer hip.

En de keuken? Welja. Goede burgerkeuken, zoals dat heet. Af en toe een Italiaan, die meer room en Emmentaler kaas gebruikt dan hij in zijn thuisland zou doen. Op een zeldzaam troosteloze avond in een zeldzaam troosteloos dorp kwamen we bij zo’n Italiaan terecht. Of beter: bij een Pa-
kistaanse vader en zijn piepjonge tienerzoon, die het restaurant overgenomen hadden. Het restaurant rook naar stof en plastic bloemen, naar stoelzittingen waar de rook van jaren ingetrokken was. We zouden de enige gasten zijn. Twee paar donkere ogen keken ons hoopvol aan. We wilden instimoezel_sanseveria'snctief rechtsomkeer maken, maar een mengeling van medelijden en honger hield ons tegen. We kozen een tafeltje bij het raam. De tristesse droop van de muren. De inrichting dateerde vermoedelijk uit de jaren zeventig, en moet zelfs toen al oubollig geoogd hebben. Op de vensterbank stonden sanseveria’s. Vintage, jazeker. Het eten liet oneindig lang op zich wachten, wat het beste of het slechtste deed vermoeden. Toen het eindelijk arriveerde, smaakte het helaas vintage.
‘Dit is best wel literair interessant,’ zei ik, terwijl ik met mijn vork in de taaie Emmentalkorst op mijn pizza prikte.
Het is mijn hoogsteigen cliché,  de zin die ik als reddingsboei gebruik in tijden van ellende:  liefdespijn, ziekte, dood, vernedering en andere miserie. M weet dat al, vermoed ik.
Hij lachte.

Troost volgde, de dag daarop. Zoete troost die naar naar wijn smaakte. Bijzonder lekkere wijn. Niet bij de Pakistaanse Italiaan, maar op een authentiek vintage Moezelterras.
Probeer het eens, echt.

moezel_postkaart

Een beetje als in de film

Het was een trouwfeest om niet gauw te vergeten, hoorden we. Een beetje als in de film. Een Franse, zei de ene. Een Italiaanse, zei een ander. Niet dat het ons veel uitmaakte. We hadden het best naar onze zin in onze eigen Belgische film, daar in de Ardennen.
We hadden de paarden horen hinniken tijdens de ceremonie, en de zwaluwen zien cirkelen boven onze hoofden. We hadden gegeten aan lange tafels op het gazon. En gelachen, gepraat en gedanst tot diep in de nacht. Toen de muziek was opgehouden, hadden de dapperste feestvierders nog even op hun rug in het gras naar de nachtelijke hemel liggen kijken. Het enige wat wij daarvan hoorden, tussen slapen en waken in, was een vreugdekreet.
De volgende ochtend vertelden ze ons dat ze een vallende ster hadden gezien.

 

foto: Jozef Van Giel
foto: Jozef Van Giel

Bijna dader. Sorry, echt!

Ik had dader kunnen zijn, op twee manieren.

Een tijdje terug merkte ik een fietsende vrouw maar net op tijd op bij het afslaan. Niet op tijd genoeg, want ze schrok zich wezenloos en keek heel boos. Ik schrok me ook wezenloos, en was ook heel boos. Op mezelf, welteverstaan. Ik fiets even vaak als ik met de auto rijd, ik weet hoe lomp chauffeurs kunnen zijn en hoe hard ik me daaraan erger. Ik ging naast haar rijden, op haar tempo, en liet het raampje aan de passagierskant zakken. Ze keek verontrust opzij, misschien in de verwachting dat ik haar- ook dat nog eens! – voor verrot zou schelden.
‘Sorry!’ wuifde ik. ‘Echt sorry! Ik had u moeten zien.’
Haar gezicht ontspande en ze wuifde terug: ”t Is wel oké.’
‘Nog eens sorry, echt.’
Ik overdrijf soms in die dingen, kan me voorstellen dat mijn sorry’s soms tot ogenrollen leiden.
We lachten naar elkaar en na een bibberzucht reed ik verder.

Onlangs ging het net iets anders. Een vrouw met haar armen vol boodschappen sprong achter een bestelwagen vandaan en begon de straat over te steken zonder naar het verkeer te kijken. Zonder te zien dat ik daar reed, op een zucht afstand van haar. Het ging zo snel, ik had niet eens de tijd om te remmen. Ik gooide mijn stuur om, waardoor ik haar net niet raakte. Ik schrok me wezenloos, en was heel boos. Op haar, welteverstaan. Haar kind stond aan de overkant van de straat te kijken. Door haar achteloosheid had ze me bijna tot dader gebombardeerd, voor de ogen van haar kind. Ik keek al woest in haar richting, maar ze wuifde. ‘Sorry,’ las ik op haar lippen. ‘Sorry!’
Ik wuifde terug dat het wel oké was. We lachten naar elkaar, al was het een beetje hoofdschuddend van mijn kant.

Onlangs las ik dat ‘sorry’ een te mijden woord is. Dat je jezelf zwak toont als je het gebruikt. Zeg niet ‘Sorry dat ik te laat ben’, maar ‘Dank je voor je geduld’!
Blijkbaar moeten we ons, wat er ook gebeurt, meester van de situatie tonen.
Ik heb een broertje dood aan dat soort voorschriften. Soms ben ik een situatie niet meester. Soms schaam ik me en lukt het me niet die schaamte met gespeelde zelfzekerheid te camoufleren. Soms doet het me deugd te merken dat ik daarin niet de enige ben.
Oké, ik overdrijf er soms mee. Ik zeg sorry tegen de lantaarnpaal waar ik tegenaan loop en pardon als ik een wind laat zonder dat er iemand in de buurt is. Er zijn dus nog kosten aan. Maar los daarvan pleit ik met overtuiging voor de oprechte sorry.
Omdat hij ontmijnt en verzacht.

‘Ik verlang naar tederheid’

Hoe gaat dat, rouwen om de dood van een levenslange geliefde? En is er daarna nog ruimte voor een andere, nieuwe liefde? Actrice Chris Lomme laat in haar ziel kijken.

Ze oogt stralend en energiek. 76 is Chris Lomme inmiddels, maar dat is haar niet aan te zien. En ze heeft het druk-druk-druk. Teksten instuderen, vrijwilligerswerk in een dagcentrum voor palliatieve zorg, en dan komt er in februari nog eens een film uit: ‘Achter de wolken’, geregisseerd door Cecilia Verheyden.

chris lommeDe film, gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Michael De Cock, gaat over twee vroegere geliefden – Emma (Chris Lomme) en Gerard (Jo De Meyere) – die elkaar na 50 jaar weer ontmoeten. Bij de film hoort nu ook een boek met de toneeltekst en filmfoto’s. En het moet gezegd: het is een bijzonder pakkend verhaal. Of om het met de woorden van de schrijver zelf te zeggen: het is ‘het verhaal van de allerlaatste liefde, beleefd met de intensiteit van de eerste. Zo intens, dat ze begeestert en gelukkig maakt,  zo overweldigend dat we er allemaal een beetje bang van zijn, maar dat we er allemaal zo naar verlangen.’

De inspiratie voor zijn stuk vond Michael De Kock in de openhartige gesprekken die hij met zijn hoofdrolspelers voerde. Want niemand kan het verlies van een partner zo goed beschrijven als diegene die het zelf heeft meegemaakt. Jo De Meyere werd in 2003 weduwnaar, en in 2009 overleed acteerlegende Nand Buyl, de man van Chris Lomme.

Hoe uitte het verdriet zich bij u?

‘Ik had het voortdurend koud. Lichamelijk koud. Ik denk dat het vooral een gemis aan tederheid, aan fysieke warmte was. Alleen naar bed gaan, terwijl je zo graag iemand wilt vastpakken om het weer warm te krijgen. In de film gaan Emma en Gerard al heel snel na de dood van Emma’s man met elkaar naar bed. Mensen begrijpen zoiets niet. Dat je meteen na de dood van je man wilt neuken. Dat heeft vaak niets met verliefdheid te maken. Ik denk dat je voor jezelf wil bewijzen dat je nog steeds een vrouw bent. Maar na Nand heb ik vrijwel nooit meer een man gehad.’

Hoe komt dat?

‘Ik wil geen andere man in zijn bed.’

En als het een ander bed zou zijn?

‘Ik wil het niet thuis. Ik ben nochtans verhuisd intussen. Maar ik wil het niet. Het is iets onnozels, ik heb er geen verklaring voor.’

Zou u nog verliefd kunnen worden?

‘Ik ben het in ieder geval nooit meer geweest. Je wordt nu eenmaal minder snel verliefd naarmate je ouder wordt. Weet je, ik ben zo vaak verliefd geweest in mijn leven (lacht). Nand en ik hadden een zeer vrij huwelijk. Misschien is het gewoon wel op. Van iemand houden daarentegen, dat valt me helemaal niet moeilijk. Ik heb een paar goede vrienden en in één van hen zie ik… enfin, laten we zeggen: de vriendschap is zeer groot. En als er iets meer van komt dan zal het vriendschap met een extra zijn. Ik zie me in ieder geval nooit meer met een man samenleven.’

Ik moest glimlachen toen u me aan de telefoon zei: ‘Ik ben het nu wel beu me naar de wil van een vent te schikken.’ Speelt dat mee?

‘(lacht) Ik denk dat wij gemaakt zijn om te zorgen. Ik kan in ieder geval niet anders. De pest is dat je af en toe vindt dat je dat beter niet zou doen. Maar het is sterker dan mezelf. Ik denk dat het eigen is aan de vrouw. Ondanks het feit dat ik niet bepaald een huiselijk type ben, heb ik me altijd als een dienstbare geisha gedragen bij Nand. Ik kookte graag, hield het huis altijd in orde, maakte het hem graag naar de zin.’

Loopt de mogelijkheid verliefd te worden parallel met het libido, of speelt er iets anders?

‘Vroeger hing dat nauwer samen. Toen zou ik gezegd hebben: ik verlang naar seks. Nu verlang ik naar tederheid, naar intimiteit. Naar koesteren. Waarom heeft een lichaam het soms koud? Omdat het wil aangeraakt worden. Ik zie het ook in de palliatieve zorg: mensen hebben altijd weer behoefte aan strelen, handen vastpakken, kussen. We zijn zo weinig lichamelijk in onze samenleving. Oude mensen worden bijvoorbeeld veel te weinig aangeraakt. Dat is niet goed, zeker als je weet dat een lichaam kouder wordt naarmate je ouder wordt. En al helemaal wanneer je erg ziek bent.’

Is dat voor u ook een vorm van liefde geven, lichamelijke warmte geven aan mensen die terminaal ziek zijn?

‘Jazeker! Ik doe dat graag. Ik ben van nature nogal tactiel ingesteld. Mensen aanraken is voor mij vanzelfsprekend.’

Is liefde geven fijner dan liefde krijgen?

‘Natuurlijk. Aan een man moet je soms vragen ‘zie je mij nog wel graag?’ Een vrouw zegt dat veel sneller. Maar behalve tederheid, mis ik ook andere dingen. Iemand om samen mee op reis te gaan bijvoorbeeld. Dat vond ik toch altijd zo fijn. Nand leefde in de valiezen, was altijd klaar om te vertrekken. We hebben ook nooit een eigen huis gehad. Ach, er is zoveel dat ik nog wil zien. Het binnenland van Corsica is subliem, daar wil ik terug naartoe. Met die ene vriend ga ik binnenkort misschien wel een reisje maken. Maar die eerste keer moet het kort, dat heb ik hem gezegd. Ik ben er nog niet helemaal klaar voor. Ik ben ook een oud wijf, hé.’

Die indruk geeft u helemaal niet, maar de cijfers zijn er natuurlijk.

‘Daar is niets aan te doen. En ik heb zo’n druk leven bovendien. Mannen kunnen dat ook al niet verdragen.’

Speelt hier de klassieke angst voor de sterke, onafhankelijke vrouw?

‘Die speelt zeker mee. Privé ben ik nochtans veel zachter dan in mijn werk. Een geisha dus. Maar misschien was ik dat alleen maar voor mijn man, misschien was dat wel uniek.’

Neemt de rationaliteit toe met de leeftijd, zit die in de weg?

‘Eigenlijk niet. Ik ben een gevoelsmens. Ik redeneer achteraf pas (lacht). Dat is niet altijd goed, dat weet ik ook wel. Al ben ik soms sterk op mijn hoede: ik ontmoet namelijk veel mensen die azen op mijn bekendheid. En dat is een ras dat ik mijd als de pest. Ik voel dat trouwens direct. Welgeteld twee keer ben ik toch even in de val getrapt. Het werd al snel duidelijk toen ik samen met de man in kwestie over de rode loper liep. Zijn houding… Ik wist meteen: die neem ik nooit meer mee. Ik heb voor mezelf een voorwaarde gesteld: ik neem alleen nog echte vrienden mee naar de rode loper.’

Doet romantiek u nog iets? Kan een passioneel liefdesverhaal u bijvoorbeeld nog meeslepen?

‘Ja, maar ik lees dat soort verhalen niet meer. Ik heb indertijd ‘Madame Bovary’ van Gustave Flaubert gelezen. En ‘Zout op mijn huid’ van Benoîte Groult. Dat laatste is een fascinerend verhaal, maar het heeft me nooit echt geraakt. En Madame Bovary, die zo verliefd is op de liefde: dat vind ik gevaarlijk. Dat type mensen is vaak niet in staat om verder te gaan in de liefde. Van zodra er compromissen moeten gesloten worden, is het alweer kapot. Aan echte liefde komen die niet eens toe. Houden van is een superlatief van verliefdheid. Want laten we wel wezen: verliefdheid is egoïstisch. En het gaat over., terwijl houden van eindeloos kan blijven duren. Ik hield ontzettend veel van mijn man, dat is een gevoel dat het zelf overstijgt. Het mag ook niet overgaan. Ik heb veel stommiteiten begaan in mijn leven, maar ik zou mijn vent nooit in de steek gelaten hebben. Never! Dat was zo’n schone mens.’

Hij heeft wellicht ook veel van u gehouden.

‘O ja, hij was er altijd voor mij. Dat is zo moeilijk vervangbaar. En zoveel tijd heb ik niet meer om weer zoiets op te bouwen. Dat doe je niet op één jaar.’

Bent u daarmee bezig, dat de tijd korter wordt?

‘Och, ik zeg dat nu wel terloops, maar eigenlijk ben ik daar totaal niet mee bezig. Ik ben bezig met mensen, met mooie teksten. Ik ben niet bezig met mezelf.’

Bent u ooit bang om alleen oud te worden? Al bent u wellicht niet echt alleen.

‘Jawel, ik ben altijd alleen. En dan?’

Wel en niet alleen. Er zijn toch de vrienden?

‘Ja, maar eenzaamheid is er ook. Zelfs samen met mijn man was ik soms eenzaam. En dat is toch helemaal niet erg? Een plantaardig leven interesseert mij niet. Je moet af en toe ongelukkig zijn om gelukkig te kunnen zijn, ja toch? En goh, ik ben een echte Dr Jekyll versus Mr Hyde (laat haar hand in golvende beweging op en neer gaan). Er zijn putten die pijn doen, dagen waarop ik diep ongelukkig ben. Ik heb dat altijd gehad, als kind al. Maar één ding heb ik geleerd: morgen zal het wel beter gaan. En dat is ook altijd zo. Positief denken is de redding. En humor! Jezelf kunnen uitlachen is heel belangrijk.
(mijmerend) Ik ben wel wreed gecharmeerd door wat ze over mij zeggen en schrijven de laatste jaren. Wauw, dat streelt mijn ijdelheid.’

Hoopgevend toch, want je hoort zo vaak dat je niet meer meetelt als ouder wordende vrouw?

‘Bij mij is het andersom. Ik heb nooit zoveel aandacht gekregen als de laatste tijd. Maar dat geeft ook druk. Ik hoor soms van vrouwen dat ze mij als een voorbeeld zien. Het feit dat ik nog steeds zo actief ben, om maar iets te noemen. Maar dat zit in de genen, ik heb er geen verdienste aan. Ik ben geboren met die kracht. Ik zou het niet kunnen: in mijn eentje zitten kniezen en niets ondernemen. Een dag lang, ja. Maar dan spreek ik mezelf weer streng toe: komaan, tut! Maar soms kan ik ook echt genieten van het alleen zijn. Die voortdurende druk om te communiceren wordt me weleens te veel. Ik ben een publiek figuur, en overal waar ik ga en sta zijn er mensen. Altijd maar mensen. Af en toe moet ik me thuis kunnen terugtrekken, in alle rust. Niet moeten babbelen, niet moeten zeggen wat ik denk: oef.’

Vindt u eigenliefde belangrijk? Jezelf graag zien?

‘Ik vond mezelf absoluut niet mooi toen ik jong was. Ik was het nochtans wel (lacht). Mijn vader zei altijd dat ik de knieën van een voetballer had, en mijn figuur was – vonden ze – ook niet vrouwelijk genoeg. Ik ben sportief gebouwd, en in die tijd was dat absoluut niet ‘in’. Mijn oudste zus daarentegen, dat was een echt wijveke, met haar zwart haar en blauwe ogen. Het tij is gekeerd toen ik al een eind in de dertig was en in Nederland werkte. Er was ‘Vlimmen’ geweest, en ‘Stille liefde’. Ze hadden foto’s gemaakt van mij, en toen ik ze bekeek dacht ik: maar allez, wat heb ik toch al die tijd gedacht? Ik ben eigenlijk wel schoon (lacht). Mooi zijn zit ook van binnen, hé. Waarom vinden ze mij mooi? Ben ik mooi volgens de regels? Helemaal niet! Maar als je iets hebt… (zoekt de woorden)’

Als je sprankelt?

‘Ja, maar ook: ik wil er niet ongelukkig uitzien. Ik zou me doodschamen. Sommigen zien dat als komedie, maar neen: het is een vorm van respect. Na de dood van mijn man was ik kapot, uiteraard. Ik heb toen ongelooflijk veel hulp van vrienden gehad, ben nooit alleen geweest. Maar ik wilde geen medelijden, geen beklag, geen flauwekul. Daar reageerde ik meteen op. Ik huilde liever in mijn eentje. Zelfs bij vrienden heb ik zelden mijn tranen de vrije loop gelaten. Je sterk houden, helpt veel beter dan je laten gaan in je verdriet. Enfin, ik heb het nooit anders gedaan. Het is mijn manier van zijn. Ik heb natuurlijk een uitlaatklep op de scène. Acteren is therapie. Ook voor het publiek, hoor. Als ze je komen vertellen dat bepaalde dingen zo herkenbaar zijn, als ze gepakt, ontroerd zijn. Maar ook hierin blijf ik nuchter: op scène bleit ik niet. Dat maakt het des te intenser. Het huilen reserveer ik liever voor andere dingen. Bij muziek die me raakt, durf ik me al eens te laten gaan.’

Helpt dat, het verdriet sublimeren? De tranen alleen toelaten bij mooie dingen?

‘Ja, want dan mag het. Huilen om dingen die je deugd doen, is verstandiger dan huilen om jezelf. Als je alleen maar aan je eigen ellende denkt, dan wordt het sentimenteel. Bij het acteren wil de dingen universeel maken. Op die manier til je ze naar een hoger niveau. Laat mij maar huilen om wat mooi is. Muziek, kunst. En de zee.’

Achter-de-wolken

(begin 2016  verschenen in Davidsfonds Cultuurmagazine)

Denkoefeningen bij een nieuw boek (7)

Vlak voor hij zich voelde wegglijden, bedacht Ivo hoe bedrieglijk ze waren, alle verhalen die onder de voluit levenden de ronde deden. Verhalen over stervenden die ineens een betere versie van zichzelf werden. Wijzer, milder en alleen nog maar in staat tot verzoening.

Romantische onzin, die de mensheid collectief in stand leek te houden omdat er toch iets goeds moest zijn aan de dood. Alsof sterven op die manier nog een beetje zin zou krijgen.

Enfin, ze zouden het zelf wel ondervinden, ooit.

Hij gleed zacht, alsof de krachten van de kosmos zich bundelden om hem te behoeden voor pijn.

Alles was chaos.

IJs smolt tot water.

Rook werd steeds diffuser naarmate hij de hoogte in wolkte.

Fruit verschrompelde, stenen brokkelden af.

Een gebroken ei zou nooit meer heel worden.

Alles wat was, surfte op de golven van een steeds groter wordende chaos.

Waarom zou hij daaraan bijdragen, waarom zou hij daar meer aan bijdragen dan hij al had gedaan? Hij zou zwijgen, want alleen zwijgen kon de chaos bezweren. En als dat al niet lukte, dan zou het hem op zijn minst heel even afremmen.

Dat was een goede gedachte. De enige.

smeltend ijs

(fragment uit ‘Haar’, verschijnt eind februari 2016)

Cinema Paradiso in Gent

Het moet voorbestemdheid zijn geweest. Met een moeder die als een der eerste Belgische actrices op het witte doek schitterde, kon het niet anders of Albert Warie kwam ook in de wereld van de film terecht. Veertig jaar lang werkte hij als operateur. Op zijn vierenzeventigste is hij nog steeds gepassioneerd door alles wat met cinema’s te maken heeft. Eenmaal goed op dreef is zijn woordenvloed nauwelijks te stuiten: verleden en heden worden naadloos aan elkaar gepraat, techniek en emotie gaan hand in hand. Albert Warie behoort tot het zeldzame slag mensen dat hun leeftijd als een loutere toevalligheid met zich meedraagt: de kleine jongen steekt zijn snuit nog steeds nieuwsgierig door het gordijn. Cinema Paradiso in Gent.

Albert Warie: ‘Dit is mijn moeder, Léonne Vandamme. Wat vindt u ervan? Mooi, hé? Een ondernemend meisje hoor, voor die tijd. Ze was een van de eerste Belgische filmactrices. In de stomme film, jawel. Ook België had zijn eigen filmindustrie in die tijd. Heel beperkt en bescheiden, natuurlijk, maar er wérd gefilmd. Het moet rond 1920 geweest zijn. Ik denk dat ze in een viertal films meegespeeld heeft, maar heel precies weet ik het niet meer. Ook voordien was ze al vrij bekend – en succesvol – als theateractrice. Ze speelde bij een Franstalig gezelschap in Brussel, waarmee ze meer dan eens op tournee ging: Frankrijk, Zwitserland… Alle artikels die toen over haar in de kranten verschenen zijn heb ik nog.’

‘Op een bepaald moment wilde ze platen laten opnemen met een aantal sketches in het Brussels dialect. In België mocht er dan wel al gefilmd worden, de platenindustrie was hier nog totaal onbestaande. Dus trok ze op eigen houtje naar Engeland, naar His Master’s Voice. Een aantal van die 78-toerenplaten heb ik teruggevonden. Ze zijn nog perfect beluisterbaar.’

‘Haar films zijn tot op vandaag spijtig genoeg onvindbaar. Ik vraag mij af of ze nog wel bestaan. Overal heb ik gezocht, ook via het Brussels Filmmuseum. Zonder succes. Foto’s heb ik gelukkig nog wel. Kijk, hier speelde ze de molenaarsdochter in L’héritier. En dan zijn er nog die oude filmtijdschriften met haar foto op de voorpagina en de bespreking van haar films binnenin. Alleen de films zelf ontbreken. Mocht ik die ooit nog terugvinden…’

‘Haar carrière zag er in elk geval veelbelovend uit. Maar toen leerde ze Frédéric Warie kennen – mijn vader. Ze werden verliefd, en dat had nogal drastische gevolgen voor het verdere verloop van haar beroepsleven. U moet weten, een actrice was toen absoluut niet goed gezien. Vooral in het welgestelde, burgerlijke milieu waar mijn vader toe behoorde, werden artiesten bepaald niet gewaardeerd. Er zat voor mijn moeder niets anders op dan haar carrière te laten varen voor haar huwelijk. Die beslissing moet haar zwaar gevallen zijn, maar ze had geen keuze.’

‘Financieel ging het die eerste jaren zeer goed. Mijn vader werkte voor een firma die hout importeerde, en hij moest nogal vaak op zakenreis naar Zweden. Ik herinner mij het grote huis waar we in mijn kindertijd woonden, op de Hoge Weg in Gent. Een prachtig huis, met een magnifieke tuin. En altijd hadden we volk over de vloer. Dat huis bruiste van het leven. Maar het mocht niet blijven duren. De beurskrach kwam, en mijn vader verloor in één klap alles. Het mooie leven was voorbij.’

‘Mijn moeder moest noodgedwongen weer aan het werk. Niet als actrice, nee, dat was uitgesloten. Ze werd verkoopster in de Grand Bazar en promoveerde daar tot hoofd van de sociale dienst. Nog later werkte ze als pedicure en als verpleegster, en uiteindelijk kwam ze – het klinkt een beetje wreed en ironisch – als caissière in Cinema Capitole terecht. Ja, het kan raar lopen, hé. Ze heeft nooit echt geklaagd, er werd daar thuis niet zoveel over gesproken, maar ik weet dat ze daar serieus van afgezien heeft. Gelukkig was ze een zeer energieke vrouw, en heeft ze zich overal goed doorheen geslagen.’

‘Na een tijdje moest ook ons huis verkocht worden. Dat was de volgende klap. Het werd ingeruild voor een veel kleinere woning. Op slag bleven alle zogenaamde vrienden van vroeger weg. Pijnlijk hoor: zomaar, van de ene dag op de andere.’

Albert Warie toen
Albert Warie toen

‘Na mijn studietijd begon ik te werken bij de Union Cotonnière, in het laboratorium. Het loon dat ik er verdiende was niet fameus, dus zocht ik volop naar mogelijkheden om een centje bij te verdienen. En zo kwam ik als leerjongen in de Novy terecht, een wijkcinema aan de Brugse Poort. Elke dag trok ik er na het werk naartoe, en ook mijn weekends bracht ik er door. En pas op: die eerste maanden verdiende ik er geen frank, want ik was daar om te leren. Leren, pfff… Die operateur leek bang te zijn voor mij. Ik mocht met moeite die cabine binnen. Dat was zíjn terrein. Alleen voor werkjes die hij niet graag deed, kon ik dienen. Bobijnen opwinden en zo.’

‘Het vak heb ik pas echt geleerd in Cinema City. Die operateur daar was zeer vriendelijk en behulpzaam. Uiteindelijk ben ik fulltime operateur geworden, want dat was wat ik echt wilde doen.’

‘Na nogal wat omzwervingen langs alle mogelijke filmzaaltjes, kon ik na de oorlog aan de slag in de Capitole. Prachtig vond ik dat. Tijdens de oorlog hadden de Duitsers er de plak gezwaaid, en daar wilde ik niets mee te maken hebben. Maar toen alles weer in Belgische handen was, heb ik mijn kans gegrepen. Ik had intussen in Brussel mijn opleiding tot filmoperateur afgewerkt, en nadien ook nog een Amerikaanse cursus techniek per briefwisseling gevolgd.’

capitole‘De Capitole, dat was een schitterende zaal! De mooiste en grootste cinema van Gent. Alle belangrijke films werden eerst daar gespeeld. Ik ben daar uiteindelijk ‘eerste operateur’ en later chef van de technische dienst geworden, overkoepelend voor de Capitole en een aantal andere centrumzalen die tot dezelfde groep behoorden. Ik ben er gebleven tot aan mijn pensioen.’

‘Tot na de Tweede Wereldoorlog moesten er altijd twee operateurs in de cabine werken. Dat was omdat die nitraatfilms van toen zo gevaarlijk waren. Het minste vonkje was genoeg om die in brand te laten vliegen. Hebt u de film Cinema Paradiso gezien? Wel, die brandscène is niet overdreven. Kijk: hier is een onnozel eindje nitraatfilm van tien centimeter. Ik zal u eens tonen wat dat geeft, wanneer ik er een vlammetje tegen hou. Spectaculair, hé?’

‘Ik denk dat de film nooit zo’n succes gehad heeft als tijdens de oorlogsjaren en de eerste jaren daarna. De zaal zat altijd stampvol. In de City – want daar werkte ik tijdens de oorlog nog – moesten we soms tussen de voorstellingen naar beneden lopen om de deuren dicht te houden, omdat de mensen zo drongen om binnen te geraken. Met z’n drieën – de portier en de twee operateurs – waren we om weerstand te bieden aan die van ongeduld trappelende meute.’

‘Amerikaanse films waren verboden tijdens de oorlog. Het aanbod was beperkt tot Franse, Italiaanse en – natuurlijk – Duitse films. En dat was echt niet allemaal nazi-propaganda, hoor. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat de Duitse filmproductie, zowel op artistiek als technisch vlak, zeer behoorlijk was. Heb je ooit van Marika Rökk gehoord? Nee, echt niet? Dat was een fenomeen: een Hongaarse actrice die naast acteren ook nog uitstekend kon zingen en dansen. En een mooie vrouw! De volkstoeloop voor haar films – ze speelde in Duitse films – was altijd zeer groot. Maar ja, na de oorlog werd alles wat met Duitse film uit die tijd te maken had taboe. Die films en die acteurs werden doodgezwegen, alsof ze nooit bestaan hadden. Er is veel talent verloren gegaan op die manier. De RTBF heeft onlangs een schuchtere poging gedaan om opnieuw een beetje aandacht aan de Duitse film te besteden – via een retrospectieve – maar dat is slecht afgelopen. Twee films hebben ze vertoond – een met Marika Rökk en een met Christina Söderbaum – maar daar is het bij gebleven. De tegenstand was te groot. Het ligt blijkbaar allemaal nog steeds zeer gevoelig. Begrijpelijk, maar vanuit technisch-artistiek oogpunt bekeken is het natuurlijk wel een beetje jammer.’

‘Na de oorlog doken ineens van overal massa’s Amerikaanse films op uit het niets. En weer werden de cinema’s overspoeld door het volk. Op het moment dat de ene voorstelling begon, stonden er al mensen in de rij te wachten voor de volgende voorstelling, die pas uren later gepland was. De honger van de mensen naar die Amerikaanse films, die jarenlang verboden waren geweest, was buitengewoon groot.’

Laurel en Hardy op bezoek in de Gentse Capitole. Tussen hen in: Hélène Maréchal, een Gentse ster van weleer.
Laurel en Hardy op bezoek in de Gentse Capitole. Tussen hen in: Hélène Maréchal, een Gentse ster van weleer.

‘De Capitole was in de jaren na de oorlog veel meer dan een filmzaal. Er werden daar gala’s georganiseerd waarop acteurs en actrices van die tijd hun opwachting maakten. En dat had succes, hé! Ik herinner mij die keer dat Laurel en Hardy op bezoek kwamen. Het was bijna komisch om zien: die twee hadden blijkbaar vreselijk ruzie, ze bekéken elkaar niet eens. De ene zat te mokken in de ene hoek van de loge, en de andere zat daar zo ver mogelijk vandaan, in de andere hoek. Kijk, ik heb hier zelfs nog een originele foto met handtekening van hen, alhoewel ik mij van geen kanten kan herinneren waar ik die vandaan haal. Ik heb trouwens een heleboel van die gesigneerde foto’s, van alle mogelijke vedetten. Zelf ben ik nochtans nooit naar iemand toegestapt om een handtekening te vragen. Ik zou mij daar een beetje voor gegeneerd hebben, en eigenlijk interesseerde mij dat ook niet. Op de een of andere manier is dat blijkbaar toch allemaal in mijn verzameling terechtgekomen.’

‘Veel zangers hebben we in de Capitole op bezoek gehad. Gilbert Bécaud, Luis Mariano, Maurice Chevalier, Dalida, Jacques Brel… Brel, dat was een speciale. En eigenzinnig! Die deed gewoon overal zijn goesting. Hij wist zeer goed wat hij wilde, maar hij was tegelijk ook erg innemend. Echt een vriendelijke mens. Na zijn optreden, toen het publiek vertrokken was, ging hij in de zaal aan de piano zitten en componeerde daar een liedje. Een deel van het personeel mocht gerust naar huis, hun werktijd zat erop, maar iedereen bleef om te luisteren.’

‘Josephine Baker heeft mij eens serieus in de verlegenheid gebracht. In die tijd stelden die loges voor artiesten niet zoveel voor. Ze kregen een ruimte om zich om te kleden, en een emmer water om zich te verfrissen. Stromend water hadden we niet in de loges. Op een bepaald moment vroeg Josephine Baker of ze nog een extra emmer water kon krijgen. Ik daar nietsvermoedend naartoe met die emmer. Ik klopte aan en ze riep dat ik mocht binnenkomen. En daar stond ze, helemaal naakt. Voor haar was dat blijkbaar doodnormaal, maar ik ben daar toch vijf minuten niet goed van geweest. Tja, zij trad – als ik mij niet vergis – al van in de jaren twintig naakt op in Parijs, dus voor haar was dat niets. Maar in die tijd waren wij natuurlijk nog niet zoveel gewoon, hé.’

‘Op een dag – het moet ook ergens in de jaren vijftig geweest zijn – kwam de cheffin van de werksters in de Capitole opgewonden naar mij toe. ‘Meneer Warie, meneer Warie, moet ge nu eens weten wat ik gezien heb? Ne radio mee zantjes’ (prentjes). We voelden wel dat er iets speciaals op til was, maar ik denk dat niemand van ons in die tijd goed besefte hoe sterk de concurrentie van de televisie zou worden. Waarom zouden we ons ook zorgen gemaakt hebben? De kwaliteit van die eerste tv’s was abominabel, en het schermpje was belachelijk klein. Zelfs voor de Tweede Wereldoorlog stond er al bij een winkel op de Kortrijksesteenweg een televisietoestel in de etalage. Een schermpje van hoop en al vier centimeter doorsnede had het! Maar dat ding stond daar maar te staan, want er waren hier nog geen televisieuitzendingen.’

‘Een paar jaar na de oorlog hing aan het venster van het Café de Londres, naast de Capitole, een affiche: ‘Hier TV’. Onzin, natuurlijk. Er stond wel iets dat op een televisietoestel leek, maar er werd gewoon met een ingebouwde projector en een doorlopende bobijn gewerkt, zodat men via een spiegel de film op het doekje vooraan kon afspelen. Het was eigenlijk niet meer dan een mini-cinema. Maar goed, de meeste mensen trapten daarin en gingen overal rondvertellen dat zij naar een echte tv gekeken hadden! De echt grote doorbraak van de televisie is er gekomen met de Expo in ’58. Maar de toestellen die toen verkocht werden waren ook nog niet fameus, hoor. Ik zou er nog niet eens een gewild hebben. Maar goed, de feiten waren er: van toen af ging het bergaf met het cinemabezoek. Een- of tweemaal per week naar de cinema – een normaal gemiddelde voordat de televisie haar intrede deed – zat er van toen af niet meer in. De echte gloriejaren waren voorgoed voorbij. Veel zalen konden het niet meer bolwerken, en de ene cinema na de andere sloot zijn deuren. De Capitole heeft het, samen met een paar andere centrumzalen, nog het langst uitgehouden. Maar ook hij moest er op den duur aan geloven.’

‘Nu staat een groot deel van de Capitole onder water. Er loopt een riviertje onderdoor, wist u dat? Vroeger werd er dag en nacht gepompt, maar sedert de sluiting heeft men het water zijn gang laten gaan. De installaties zijn onherstelbaar beschadigd geraakt. Toch erg voor zo’n mooie zaal.’

‘Ach, we moeten eerlijk blijven: het is niet alleen de televisie die de cinemazaaltjes de das omgedaan heeft. Het probleem was ook dat de zalen op dat moment meestal opengehouden werden door zakenmensen, en niet door filmliefhebbers. Investeringen doen? Vergeet het! Als de ruimte als cinema niet genoeg opbracht, geen probleem: gewoon sluiten, en er een of ander handeltje in opzetten. Op die manier zijn zeer veel zalen ten onder gegaan.’

‘Ook de Decascoop wordt dikwijls als de grote boosdoener aangeduid. Maar dat is niet serieus. Het cinemabezoek was al fel verminderd lang voordat er sprake was van de Decascoop. Zij hebben het cinemabezoek juist opnieuw aantrekkelijk gemaakt. In het begin trokken de namiddagvoorstellingen weinig volk, maar ga nú maar eens kijken. Mensen die overdag vrij zijn, vaak oudere mensen, gaan weer volop overdag naar de cinema.’

‘In al die jaren heb ik nogal wat verzameld: oude affiches, programmaboekjes, tijdschriften. Sommige gaan terug tot de jaren twintig. En die affiches van rond de oorlogsjaren – diegene die aan weerskanten bedrukt zijn, ziet u? – die zijn geld waard, hé. Ha kijk, híér zijn die oude ticketjes dus! Ik was al bang dat ik die kwijt was. Waar dat zoal goed voor is, uw verzameling nog eens aan iemand te kunnen tonen.’

‘Ik heb er al veel over de vloer gehad, hoor, verzamelaars die bereid waren mij dik te betalen voor alles wat ik bewaard heb. Maar ik doe het niet, voor geen geld. Die documenten hebben voor mij trouwens een waarde die niet in geld uit te drukken valt. Ik zal ze nooit verkopen, aan niemand. Wanneer ik er niet meer ben, gaat alles naar mijn dochter. Ik weet zeker dat zij er evenveel waarde aan zal hechten als ik.’

‘Tot voor kort had ik ook een grote verzameling films en projectoren in mijn bezit, maar die heb ik allemaal verkocht aan het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel (MIAT). Daar kon ik mijn dochter moeilijk mee opzadelen, vond ik. Die dingen horen thuis in een museum. Zo heeft iedereen er iets aan. Twee jaar geleden is een deel van mijn verzameling gebruikt voor een tentoonstelling over de oude cinemazalen. Die tentoonstelling heb ik mee helpen opzetten. Ik heb ze opgedragen aan mijn moeder.’

‘Ik heb het gevoel dat ik altijd maar minder vrije tijd heb. Ik voel nauwelijks dat ik met pensioen

Albert Warie nu
Albert Warie nu

ben. Twee dagen per week werk ik als vrijwilliger in het MIAT, want het is de bedoeling dat er tegen de volgende editie van het Internationaal Filmgebeuren een echt filmmuseum komt. Het wordt knap hoor, met een filmzaaltje zoals in de jaren dertig. Geen comfort, geen zachte fauteuils, maar houten klapstoeltjes. En dan maar oude films draaien. En oude filmactualiteiten, van Daska-films, weet u wel? Ik zie het al helemaal zitten. Twee calicots zullen er ook nog te zien zijn, geschilderd door Alfons De Clercq, de calicotschilder van de Capitole. We hebben ze maar nipt kunnen redden van de vernietiging. Weet u niet wat calicots zijn? Ja, dat bestaat nu ook niet meer, natuurlijk. Dat waren die grote geschilderde uithangborden. Honderden heeft Fons er geschilderd. Enfin, hij overschilderde ze telkens, want hij moest telkens dezelfde panelen gebruiken. En elke keer opnieuw werden dat kunstwerkjes. Een van de mooiste was die voor de film Ali Baba. Dat was met bewegende delen, en met speciale lichteffecten. De mensen bleven toen echt staan om ernaar te kijken. Fons zal het filmmuseum spijtig genoeg nooit kunnen bezoeken. Hij is vorig jaar overleden.’

‘Ja, we beginnen serieus uitgedund te geraken, hé. Ik moet realistisch blijven: ook ik blijf hier niet eeuwig rondlopen. Mijn hart speelt mij soms een beetje parten. Angina pectoris. Nogal wat filmoperateurs van mijn generatie zijn ziek of overleden. En in geen enkele school leer je nog werken met die oude projectoren. Bij het MIAT beseffen ze dat zeer goed. Mijn technische kennis over het werken met en onderhouden van oude projectoren, geef ik nu zo snel en zo goed mogelijk door aan Patrick Schlich van het MIAT, een goede vriend en een enthousiaste leerling. De gedachte dat al mijn ervaring niet samen met mij zal verdwijnen, stelt mij gerust.’

Kathleen Vereecken ■

 (verschenen in De Morgen onder de titel ‘De man in de cabine’ op 3 januari 1998)

Waarom ik een hekel heb aan bucketlists

Ooit heb ik ze ongetwijfeld gemaakt, bucketlists, al was het maar in mijn hoofd. De grootse en minder grootse dingen die ik wilde zien of doen voor ik dood zou vallen.

pippi luchtballon

  Toen Pippi Langkous in het mandje van een luchtballon stapte, wilde ik dat ook. Toen ik daarna een kind tussen dolfijnen zag zwemmen – o, Flipper! – wilde ik dat ook. Later wilde ik Firenze en ook Venetië zien. Een boek schrijven. En een filmscenario. Naar de middernachtzon reizen, het noorderlicht zien. Bovenop de Kilimanjaro staan, de tempels van Angkor Wat bezoeken. De Taj Mahal en het Jezusbeeld in Rio de Janeiro van dichtbij zien – dat is de schuld van de prentjes die vroeger bij de chocoladerepen van Jacques zaten. O, en ik wilde tijdreizen, vooral dat.

Ik heb intussen meer dan één boek geschreven. Ik schrijf nu mijn eerste filmscenario, ik popel om u daar binnenkort meer over te vertellen, maar nog even niet. Ik ontdekte dat historische romans schrijven de beste manier is om geweldige tijdreizen te maken. Ik heb Firenze en Venetië gezien, en kon er pas een beetje van genieten toen ik het mythische beeld dat ik er jarenlang van had, losliet. Ik lieg. De eerste keer dat ik uit het station van Venetië kwam en het Canal Grande voor me zag, kreeg ik tranen in de ogen. Het was zomer en vreemd genoeg relatief rustig. Alle volgende keren herinner ik me vooral geworstel om door de mensenmassa’s heen te raken. Ik heb de Kilimanjaro, Angkor Wat, Rio de Janeiro en de Taj Mahal nooit bezocht. Ik ben zelfs nog nooit in de buurt van de poolcirkel geraakt, dus de middernachtzon en het noorderlicht ken ik alleen maar uit documentaires en uit de verhalen van anderen. Ik heb nooit tussen dolfijnen gezwommen of in een luchtballon gezeten. En ik vind dat echt geen gemis. Sterker nog: ik vind bucketlists compleet overbodige onruststokers.

Om te beginnen zijn ze doorgaans verre van origineel. Driekwart van wat we zo graag willen zien of doen staat ook op de bucketlist van anderen. Eenmaal op je droombestemming – ik beperk me voor het gemak even tot de reisbucketlist – wordt het ellebogen gebruiken om iets toeristen pisate zien. Laat staan dat je zult voelen wat je hoopte te voelen. Bewondering, verwondering, extase. De kans dat je de geweldige plek alleen maar door je camera bekijkt en vergeet écht te kijken, is reëel. Misschien hoor je jezelf niet eens meer denken. Of denk je alleen maar: dit was het dus? Op naar het volgende Grote Doel.

Ik heb gemerkt dat de mooiste dingen die ik zag of meemaakte nooit op mijn bucketlist van weleer stonden. Natafelen op een zomeravond met een glas wijn en spelende kinderen in de achtergrond, het zonlicht dat in strepen tussen de bomen valt tijdens een ochtendwandeling in een simpel Vlaams bos. Maar ook de Schotse Hooglanden, het verlaten fort op Sardinië, het nachtelijke ruisen van de zee door mijn slaapkamerraam op La Palma.  frankrijk zonsopgang 2Of afgelopen zomer nog, onze tussenstop met overnachting aan de rand van een veld met zonnebloemen, ergens in Frankrijk. Piekmomenten van geluk, pure schoonheid, totaal ongepland.

Ten slotte nog dit. ‘Kicking the bucket’ betekent doodgaan. Een bucketlist bij de hand houden, is een voortdurend gevecht tegen de eindigheid voeren, een race tegen de dood. Hoe beperkend. Alsof ons leven alleen maar zin kan hebben door dat vermaledijde lijstje af te werken. Een lijstje dat stress en onrust geeft. Want als we het niet halen, dan sterven we met spijt over alle gemiste kansen.
To hell with the bucketlist. Gooi ze weg. Steek ze in brand en maak er een vreugdevuur mee.

Eentje knip ik eraf, als het mag. Dat noorderlicht, hé. Want dat zou ik nu toch zo graag zien voor ik doodval.
Misschien lukt het me.
Misschien ook niet.
Ik laat het u weten.
Of niet.

noorderlicht

‘Goede verhalen maken de wereld groter’

Jeugdboeken zeggen iets over wat kinderen en jongeren lezen, maar ook over wat volwassenen voor hen kopen, en hoe schrijvers naar hen kijken. Over worstelende pubers, flinke kinderen en de pietzakken van Bolderburen: een gesprek met schrijfsters Evelien De Vlieger en Kathleen Vereecken.

Interview: Kaat Schaubroeck

Als we het hebben over kinderen- en jongerenliteratuur, dan gaan we er al van uit dat die categorieën er zijn. Bestaan ze ook voor jullie?

Kathleen Vereecken: “Ik hou er vooral rekening mee in boeken voor jongere kinderen. Dan is je taalregister enorm belangrijk. Bij een adolescentenroman zijn er in principe geen beperkingen, maar in de ’praktijk dan weer wel. Ik ben nu een roman voor volwassenen aan het schrijven, over de belevingswereld van oudere mensen, hun opeenvolgende relaties, teleurstellingen, het verlies van een kind: daar ga je weinig jongeren mee boeien. Maar verder heb ik het gevoel dat ik redelijk voluit kan gaan, in de schrijfstijl of de uitwerking. Ik denk ook niet dat er grenzen zijn tussen wat jongeren en volwassenen lezen…”

Evelien De Vlieger: “Voor ons zijn die er niet, maar helaas wel voor de lezers: als je eenmaal in de categorie jeugdliteratuur zit, is het moeilijk volwassen lezers zo ver te krijgen om je werk te lezen.”

foto: Peter Van Olmen
foto: Peter Van Olmen

Omdat het ‘maar’ voor kinderen is?

Evelien De Vlieger: “Dat zou best kunnen. Kinderen zijn zogezegd nog geen volledige mensen…”

Kathleen Vereecken: “En dus kan je voor hen ook geen volledig doorleefd, rijp boek schrijven. Dat idee leeft wel. Mensen vragen ons soms: ‘Wanneer schrijf je nu eens een echt boek?’ Alsof we nog maar aan het oefenen zijn. Misschien bevestig ik nu zelf het cliché doordat ik met een roman voor volwassenen bezig ben.”

Evelien De Vlieger: (lacht) “Jij bent een verrader. Het zal alleszins een interessant experiment worden om te zien of je nu als auteur meer ernstig genomen wordt.”

Als jeugdliteratuur zo weinig gewaardeerd wordt, waarom hebben jullie er dan toch voor gekozen?

Evelien De Vlieger: “Ik heb niet het gevoel dat ik echt gekozen heb. Ik ben gedebuteerd met een prentenboek omdat een vriendin van mij wou meedoen aan een wedstrijd voor illustratoren, en ze wilde graag dat ik de tekst schreef. Toen ik voor het eerst een verhaal schreef dat ik zelf wilde vertellen, bleek dat een jeugdboek te zijn. Had er mij iemand gezegd dat het geschikt was voor volwassenen, dan zou me dat op dat moment niet uitgemaakt hebben: uiteindelijk is het de uitgeverij die je zegt in welke categorie je boek thuishoort.”

Kathleen Vereecken: “Het lijkt paradoxaal, maar ik was niet graag een kind. Ik kan het mij nog exact voorstellen: hoe ik van alles dacht, maar de woorden nog niet had om het uit te leggen, en hoe ik mij daardoor machteloos, onbegrepen en niet ernstig genomen voelde. Ik denk dat het schrijven van jeugdboeken een poging is om die worsteling onder woorden te brengen.”

Evelien De Vlieger: “Ik heb vooral als puber hevig geworsteld. Misschien schrijf ik omdat ik nog altijd probeer te begrijpen waarom die periode zo hevig was, en ook wel als troost voor wat ik toen niet vond. Ik heb als tiener weinig gelezen. Achteraf gezien denk ik: had ik dat toen maar meer gedaan, dat had mij kunnen helpen.”

Kathleen Vereecken: “Ik heb ook wel die behoefte om troost in mijn boeken te stoppen. Dat is niet hetzelfde als een boodschap meegeven. Je biedt geen oplossingen, dat zou een leugen zijn, maar wel dat stukje geruststelling: we worstelen allemaal.”

Sommige onderzoekers, zoals Jacqueline Rose, waren in het verleden bijzonder kritisch over jeugdliteratuur. Door als auteur het perspectief van kinderen in te nemen, dring je hen op een subtiele manier ideeën op: het ideaal van het flinke kind, bijvoorbeeld.

Evelien De Vlieger: “Maar je pretendeert als auteur toch niet dat je zelf nog een kind bent? Je maakt een constructie van de werkelijkheid , op basis van je ervaringen, en de lezer haalt daar nog eens uit wat voor hem van belang is. Die positie die je inneemt als volwassene kan net een meerwaarde zijn voor kinderen. Je laat je inspireren door je kindertijd, door kinderen die je kent ook, en je voegt daar de rijkdom van je ervaring aan toe. Stel dat je als volwassene het perspectief kon krijgen van iemand die nog eens vijftig jaar ouder is dan jij, dan zou dat toch een ongelooflijke verrijking zijn?”

Kathleen Vereecken: “Dat ideaal van het brave, flinke kind is toch al lang achterhaald in de jeugdliteratuur: ik denk dat veel kinderen de personages stouter vinden dan ze zelf zijn. Wat je bij de meeste jeugdschrijvers wel hoort, is dat ze zich nog goed kunnen voorstellen hoe ze voelden en dachten als kind. Mensen die dat hebben, voelen misschien sterker de behoefte om daarmee aan de slag te gaan.”

Zijn kinderen in boeken sterk veranderd sinds jullie kindertijd?

Evelien De Vlieger: (aarzelt) “Misschien zijn de kinderen zelf wel veranderd. Ik weet nog dat ik aan mijn kinderen “De Kinderen van Bolderburen” van Astrid Lindgren voorgelezen heb. Dat boek speelt zich af op het platteland, waar de kinderen van drie boerderijen constant samen optrekken en van alles uitspoken. Mijn zoontjes konden er niet bij hoeveel geluk die kinderen hadden. ‘Die pietzakken van de Bolderburen’, zeiden ze. Dat zegt iets over de manier waarop kinderen nu opgroeien. Ze hebben vooral contact via computerspelletjes, ze zitten in hun eigen huis aan een scherm.”

Kathleen Vereecken: “Maar ik was als kind ook al jaloers op die van Bolderburen, want ik heb dat evenmin gekend. Wellicht heeft het niet zozeer met de tijdsgeest te maken maar met de buurt waar je toevallig opgroeit. Mijn kinderen woonden dan weer wel in een wijk waar alle kinderen op straat speelden.”

Evelien De Vlieger: “Ik heb een idyllische kindertijd gehad, in een nieuwbouwwijk. Wij waren altijd op straat. Zoiets is fantastisch voor de kinderen, maar mijn man en ik zagen het gewoon niet zitten om in een verkaveling te wonen: je hebt er contact met iedereen, maar er is ook veel sociale controle. Dat vind ik heel moeilijk, dat je als ouder iets nodig hebt dat niet noodzakelijk leuk is voor je kinderen.”

Men heeft het wel eens over sick lit: er gaat in boeken veel aandacht naar zieke kinderen.

Evelien De Vlieger: “Dat is inderdaad een trend, dankzij The Fault in Our Stars. Dat boek is knap en meeslepend, en het onderwerp ‘ernstige ziekte’ komt er heel raak en speels in aan bod. Maar wat mij wel stoorde is dat het hoofdpersonage – een meisje met kanker – weer eens buitengewoon begaafd is. Ze is niet alleen mooi, aantrekkelijk en lief, maar ze is ook nog eens zeer gevat. En niet alleen zij, ook de anderen in het boek blinken uit. Ik ken geen enkele jongere die ook maar in de buurt komt van deze personages. Ook in de boeken van de alom bejubelde Aidan Chambers heb je dat, die focus op enorm begaafde jongeren. Als ik die boeken als jongere had gelezen, dan had ik me nog veel slechter gevoeld dan nu al het geval was. Ik voel er niets voor om jongeren op te zadelen met dat soort onhaalbare ideaalbeelden. Maar die boeken verkopen wel zeer goed, dus ik heb het vast bij het verkeerde eind.” (lacht)

Betrekken jullie kinderen en jongeren eigenlijk bij het schrijfproces? Mogen ze thema’s aanleveren bijvoorbeeld?

Kathleen Vereecken: “Nee. Zeker niet. Ik wil de verhalen schrijven die ik te vertellen heb.”

Evelien De Vlieger: “Jongere kinderen laat ik soms wel iets lezen, omdat ze dingen kunnen zien waar je zelf niet aan gedacht hebt. Maar dat is niet hetzelfde als vragen: waar zouden jullie eens een boek over willen lezen? Dan zouden ze toch zeggen: ik wil geen boek lezen. (lacht) Je moet als auteur echt wel dat trapje hoger staan, als je jezelf een beetje ernstig wil nemen.”

Dus als je kinderen ernstig wil nemen als lezer, moet je als schrijver niet noodzakelijk rekening houden met wat zij willen?

Evelien De Vlieger: “Natuurlijk is het wel leuk als er iemand je vertelt dat hij je boek graag heeft gelezen, zeker als dat een jongere is. Dan denk je: het is toch aangekomen. Maar het aantal lezers, of de vraag of alle kinderen het leuk vinden, mag niet je drijfveer zijn: dan zou je doodongelukkig worden van wat je doet. Ik ga ook nergens op mijn knieën zitten om zogenaamd op hun niveau af te dalen.”

Kathleen Vereecken: “Toen Paul de Wispelaere de Staatsprijs voor Proza kreeg, ergerde hij zich eraan dat er zo vaak gepleit werd voor herkenbare verhalen voor jongeren. Hij vond dat je ze juist niet té veel herkenbaarheid moest bieden. Ze zitten in een kleine wereld en je moet ze helpen om daaruit te breken, je moet hun blik opentrekken.”

Wat willen jullie graag doorgeven met jullie boeken?

Kathleen Vereecken: “Ik wil kinderen en jongeren troost bieden, maar ook prikkelen en hun wereld opentrekken door evidenties in vraag te stellen. Goede verhalen maken de wereld groter.”

Evelien De Vlieger: “Je biedt ze een stukje herkenning en van daaruit toon je dat er nog andere mogelijkheden zijn. Als je je vaak inleeft in de verhalen van anderen, sta je ook met een opener kijk in de wereld.”

Kathleen Vereecken: “Ik doe ook graag een appel op hun empathie. Ik vind het een mooi idee dat de ervaringen van personages hen meer begrip bijbrengen voor bepaalde zaken. Boeken lezen is voortdurend oefenen in leven, zonder dat je per se alle klappen zelf hoeft op te vangen.”

(Verschenen in QuaJong, editie 9, een publicatie van Kind & Samenleving)

Lezen is oefenen in leven

Maakt lezen de wereld beter? Wij, schrijvers, en andere mensen uit het boekenvak geloven het graag. Maar klopt het okindjewclezenok?

Deze week mocht ik aan een groep aspirant-leerkrachten Nederlands vertellen hoe ze in de klas aan leesbevordering kunnen doen. Het werd een verhaal over begeestering, over verhalen vertellen die de nieuwsgierigheid prikkelen, verhalen die de wereld groter maken, over voorlezen.

Over hoe bijzonder het is als je de ogen van die ene koppige leerling, die met gekruiste armen en met zijn jas aan achter in de klas verveeld zit te wezen, toch heel even ziet glinsteren. Over hoe je soms je beperkingen moet erkennen en vaststellen dat er ook jongeren zijn die nooit – niet nu, niet morgen, niet over twintig jaar – spontaan een boek zullen oppikken. En dat zoiets misschien jammer, maar niet erg is.

Minstens even belangrijk is de vraag waarom we lezen zo belangrijk vinden. Het zou de wereld beter maken, hoor je vaak, fictie maakt van ons betere mensen. Ik ben op zoek gegaan naar onomstootbaar bewijs voor die aannames. Eerlijk gezegd: ik heb het nergens zo letterlijk gevonden. En misschien maar goed ook, want dat zou betekenen dat we onze niet-lezende medemens degraderen tot Untermensch. Neen,

I love to read
I love to read

Amerikaanse onderzoekers ontdekten iets interessanters: wie fictie leest, scherpt wellicht tijdelijk zijn inzicht in complexe sociale relaties aan. Kijken naar kunst zou een soortgelijk effect hebben. Valt dat vermogen op goede bodem, dan zou de wereld er inderdaad beter van kunnen worden. Maar evengoed kan het de perfecte brandstof zijn voor meester-manipulators.

Maar misschien is fictie lezen vooral een manier om worstelende jongeren handvaten aan te voorlezenreiken. En reken maar dat ze die nodig hebben, vandaag meer dan ooit. Dat was wat ik dacht toen Mark Elchardus de resultaten van zijn recente studie bekendmaakte: jongeren zijn bang. De wereld beangstigt hen, maakt hen onzeker. Dus gooi ik er meteen maar een extra argument pro lezen bovenop, met dank aan de psychologen van de Universiteit van Toronto: wie fictie leest, laat tijdelijk zijn behoefte aan snelle conclusies en instant-oplossingen varen. Met andere woorden: wie leest, kan onzekerheid beter verdragen. Niet verwonderlijk toch? Lezen is oefenen in leven, zonder dat je alle klappen zelf hoeft op te vangen.

(verschenen eerder in De Mening, DS Avond, 8 oktober 2015)