Hoop, schoonheid en troost

We zijn in de greep van de machteloosheid.
Hoe wreed het leven kan zijn voor een kind in Gaza of in Syrië. Hoe wreed het bij uitbreiding is voor hun ouders en al wie hen graag ziet. Hoe wreed het is als er niemand meer is die hen graag kan zien. Of betreuren.
We staan erbij en we kijken ernaar.
We ondertekenen petities. Dat het moet stoppen, dat het Palestijnse volk rust, vrede, ruimte en respect gegund moeten worden. Een leven dat die naam waard is. Dat een economische boycot van Israël zich nu meer dan ooit opdringt.
We piekeren over manieren om onze betrokkenheid vorm te geven. Het uitschreeuwen, een gedicht schrijven, gruwelijke foto’s bekijken, lezen wat anderen schrijven, huilen.
We veranderen profielfoto’s op Facebook. Een Palestijns jongetje te midden van het puin. Of, ja, gewoon een snapshot met de zon in de haren en de ogen, en een glas wijn.
Sommigen ergeren zich aan de banaliteit van ergernissen, aan de trivialiteit van gesprekken, aan het lichtzinnige van blijheid. Aan de manier waarop anderen omgaan met wereldellende, of er niet mee omgaan.
Onverschilligheid! roept de een.
Emoterreur! kaatst de ander terug.

En toch.

We blijven foto’s van baby’s en katten posten op Facebook.
We blijven ons ergeren aan kleine agressiviteit en onbeschoftheid – hoe is het verdomme mogelijk dat mensen aan de deur van een wc rukken zonder vooraf even geklopt te hebben en wedden dat het die zelfden zijn die straks hun remspoor niet zullen verwijderen?
We maken afspraken met de kapper – niet te kort! – proberen kattenkots uit het tapijt te krijgen en vragen ons af wat we vanavond zullen eten.
We kijken naar de avondlucht, prijzen ons gezegend dat we in een land met steeds wisselende wolkenhemels leven, en voelen ons even zielsgelukkig.
We spreken af met vrienden, drinken wijn, praten diep en licht, en lachen lang in de zomernacht.
Willy Ronis - vincent_5ans_1945We zoeken troost in schoonheid, altijd weer.
Ik vond die troost onlangs in een minder bekende foto van de Franse fotograaf Willy Ronis. Een zijdelingse blik op een jongetje van vijf dat zijn naam leert schrijven. Vincent. De foto ontroerde me. Het had te maken met de overgave en de concentratie van het kind. Met het betoverende licht ook, het contrast tussen helder en donker. En met het jaartal: 1945. Vincent was een oorlog oud.

Heel even legt de hoop de machteloosheid het zwijgen op.

 

(van 28 juli tot 1 augustus 2014 schrijf ik ‘De mening’ voor De Standaard Avond)

De revival van het fotoalbum

Van ernstige portretten tot vrolijke snapshots waarin alle mooie momenten van het leven gevangen worden: fotoalbums doen ons bijna dansen op memory lane. Maar ze bedriegen ons geheugen. En toch moeten we het fotoalbum misschien in ere herstellen. Niet uit nostalgie, maar uit pure noodzaak.

Basiel Bekaert, mijn betovergrootvader
Basiel Bekaert, mijn betovergrootvader

Toen ik onlangs, tijdens een bezoek aan mijn ouders, in oude familiefoto’s snuisterde, keek ik recht in de ogen van mijn betovergrootvader. Daar was hij dan: Basiel Bekaert. De fiere hoofdonderwijzer van het dorp, met een boek tegen zich aangedrukt, en een stapeltje boeken op de tafel naast hem. Want lezen was leren! De foto was geler dan geel, zacht vervaagd, bijna een schilderij. Vermoedelijk werd hij genomen rond 1870. Vermoedelijk is het ook de enige foto die ooit van de man gemaakt werd.

Foto’s waren een gebeurtenis. Ze waren de betaalbare instantversie van de geschilderde portretten, die jarenlang in zwang waren geweest bij gegoede families. En ze waren een serieuze zaak, want bedoeld om een souvenir na te laten voor het nageslacht. Lachen deed je niet zomaar, al was het maar omdat de lange belichtingstijd – soms wel tien minuten – je onvermijdelijk kaakkramp zou bezorgd hebben. Soms werd wie bij leven nooit geportretteerd werd, dat wel wanneer hij doodging. Een sereen post mortemportret als eerlijk sluitstuk van een mensenleven, ook al was de mens in kwestie nog een kind. Helemaal bizar was de gewoonte om de dode in een normale pose te plaatsen, rechtop zittend, soms zelfs staand. Vreemd aangrijpend, een beetje choquerend misschien voor de moderne mens. Want zoveel openhartigheid zijn we zelfs in deze Facebooktijden, waarin we elke kuch en zucht met de hele wereld delen, niet gewend.

Mijn grootouders (moederskant) op hun huwelijksdag
Mijn grootouders (moederskant) op hun huwelijksdag
Mijn moeder als baby
Mijn moeder als baby

Het eens-in-je-levenportret werd vanaf de 20ste eeuw een reeks portretten. Een nieuwe baby, een communie, de legerdienst, een huwelijk: vanaf nu mochten ook al de grote mijlpalen in een mensenleven vereeuwigd worden. Nog later kwamen er ook andere grote gebeurtenissen bij.

 

 

Mijn moeder toen ze primus werd.
Mijn moeder toen ze primus werd.

Een ‘primus’ in de familie was reden tot feesten voor de volksmens. Toen mijn moeder in de jaren veertig eerste van haar klas werd, zorgden mijn trotse grootouders ervoor dat dit nooit vergeten zou worden. Ze werd aangekleed als een prinses, letterlijk in de bloemetjes gezet en – hoe kan het ook anders – gefotografeerd.

 

 

 

 

 

Een weggeknipte ex

Zoals het vaak gaat met wat eerst chique is en gereserveerd voor de happy few, werd ook het fototoestel betaalbaar voor de gewone man. De snapshot was geboren.

Mijn moeder (links) aan zee, ergens in de jaren veertig
Mijn moeder (links) aan zee, ergens in de jaren veertig
Mijn verliefde ouders op hun eerste uitstapje, in Namen
Mijn verliefde ouders op hun eerste uitstapje, in Namen

Vrolijke foto’s van lachende gezinnen op fijne momenten, worden de norm. Voor het eerst de zee zien: klik! Een gezellig familiebezoek: poseren voor het huis en klik! De eerste uitstap van het verliefde koppel: klik!

Vanaf dan gaat het crescendo. Verjaardagen, vakanties, picknicks, speeltuinuitstapjes: ze worden zorgvuldig vastgelegd. Fotoalbums worden volgeplakt, met af en toe aandoenlijke commentaren erbij. Niet zelden beschouwen mensen hun fotoalbums als hun dierbaarste bezit. En dat is in zekere zin, voor de oudere generaties, nog steeds zo. Op de vraag wat mensen het liefst zouden redden uit een brand – op hun dierbaren na, natuurlijk – luidt het antwoord niet zelden: ‘Mijn fotoalbums’.

De foto was tot voor kort heilig. Die gooide je niet zomaar weg, zelfs niet als hij mislukt was. Zelfs niet als er iemand opstond aan wie je liever niet herinnerd werd. In dat geval werd de man of vrouw in kwestie er netjes afgeknipt. Mijn eigen grootmoeder had op die manier haar eerste man van de trouwfoto verwijderd, zodat alleen zij overbleef. Maar weggooien: dat nooit. En toen mijn vader onlangs op een wazige, want bewogen, foto van hem en mijn moeder botste, zei hij: ‘Zouden we die niet beter weggooien? Die is toch mislukt.’ Waarop mijn moeder, lichtjes geschokt: ‘Ga jij onze hoofden zomaar verscheuren? Doe maar, hoor. Ik kan zoiets niet.’ De foto werd mooi terug in de doos gestopt.

Het digitale tijdperk heeft alles veranderd. Foto’s zijn vluchtig. Vijftig pogingen om de perfecte sprong, kus, glimlach of duckface vast te leggen zijn de regel geworden. Een beetje raar kijken? Weinig flatterend licht? Wissen, die handel. En gewoon herbeginnen natuurlijk. Er is geen plaats meer voor onvolmaaktheid. Alles wordt geregisseerd en daarna zo snel mogelijk gedeeld. Op Facebook bijvoorbeeld. Of, nog veel vluchtiger: via snapchat, waarbij je vrienden of familie je foto slechts enkele seconden lang te zien krijgen, waarna hij weer verdwijnt.

Het oude, voor velen zo vertrouwde fotoalbum heeft hoop en al honderd jaar bestaan.

Valse herinneringen

Vorig jaar onderzocht de Amerikaanse psychologe Linda Henkel het verband tussen foto’s en ons geheugen. Ze liet twee groepen mensen een tentoonstelling bezoeken. De ene groep mocht geen foto’s nemen, de andere werd aangemoedigd om dat wel te doen. Achteraf bleken de mensen die foto’s genomen hadden zich veel minder te herinneren van de tentoonstelling. Haar conclusie: het maken van foto’s versterkt ons geheugen niet, het verknoeit het in zekere zin. Blijkbaar geven we ons brein onbewust de boodschap: ‘Doe geen moeite om dit te onthouden. Het ligt toch al vast, dus je kunt het later nog wel opzoeken.’

Foto’s doen meer dan alleen maar ons geheugen verknoeien. Uit eerder geheugenonderzoek bleek eerder al dat ze ons geheugen vervormen. Hoe vaker we een foto bekijken en hoe vaker we dus een herinnering oproepen, hoe sterker we de waarheid vervormen en veranderen. De foto gaat stilaan de plaats innemen van de werkelijkheid. En dat gaat ver. Als je nog nooit in Parijs geweest bent, maar je kijkt vaak genoeg naar een foto waarop je naast de Eiffeltoren staat – leve Photoshop, dan zul je op de duur gaan geloven dat je er écht geweest bent.

De vraag is: is dat erg?

Het is waar. Als we door onze fotoalbums bladeren, zien we een gecensureerde versie van de werkelijkheid. Alleen datgene wat we het bewaren waard vinden, passeert de revue. We springen van verliefdheid naar trouwfeest. Van verjaardagspartijtje naar vakantie. Van etentje met de vrienden naar citytrip. Het leven lijkt een aaneenschakeling van geluksmomenten. En we zullen misschien tegen onszelf zeggen: al bij al was het nog zo slecht niet. Want huilbuien, kapotte knieën, ziektes, rouw en liefdesverdriet werden

Met twee van mijn zusjes aan zee, 1974
Met twee van mijn zusjes aan zee, 1974

welbewust weggelaten in de gefotografeerde geschiedenis van ons leven. We blikken terug op een mooi leven. En misschien worden we daar wel een beetje gelukkiger van.

Dat we gelukkiger worden, heeft niet alleen te maken met die vervormde herinnering. De Amerikaans-Hongaarse psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi introduceerde jaren geleden het begrip ‘flow’: een toestand van absolute concentratie, opgaan in een bezigheid, helemaal weg zijn van de wereld. Tijdens het bekijken van foto’s – of het nu online of tastbaar is – zouden we besef van tijd verliezen en flow ervaren. Misschien kun je het nog het best vergelijken met meditatie: alle ballast verdwijnt uit het hoofd. En precies daarom zou flow de sleutel tot geluk kunnen zijn.

Digital dark age

Het fotoalbum mag dan op sterven na dood zijn, misschien is er toch een reden om het te reanimeren. Dat heeft niets te maken met heimwee, nostalgie of de hang naar retro. Er is een nieuw begrip opgedoken. De tijd waarin we leven wordt wel eens ‘the digital dark age’ genoemd. We vertrouwen volkomen op de digitale technologie voor het bewaren van foto’s en andere belangrijke documenten. Maar we vergeten hoe gevaarlijk dat is. Want wat als alles alleen maar op de harddisk van onze computer staat, en die crasht (computers doen dat nu eenmaal graag, en nog het liefst op het slechtst denkbare moment)? Bent u vooruitziend geweest en hebt u ooit foto’s opgeslagen op een diskette? Weinig kans dat u ze er nog af kunt halen. Want het schijfje dat tien jaar geleden nog zo modern oogde, is vandaag hopeloos verouderd. Denkt u slimmer te zijn dan dat, en staat alles op dvd? Prima, voor nu tenminste. Want wie zegt dat dvd’s over tien jaar nog ondersteund zullen worden door de computertechnologie? En zelfs al zou dat het geval zijn, deskundigen verwachten dat dvd’s over twintig jaar waarschijnlijk van hun pluimen zullen gelaten hebben, en dus onleesbaar zullen zijn.

En kijk, daar komen we weer uit bij het begin: misschien is het toch niet zo’n slecht idee om foto’s ook aan papier toe te vertrouwen. Om albums aan te leggen, met die foto’s die ons het dierbaarst zijn. We zullen er uiteraard gemiddeld beter opstaan dan mensen uit vorige generaties, want vijftig pogingen voor één geslaagd exemplaar: het kan nog steeds.

Het fotoalbum is dood? Lang leve het fotoalbum.

(dit artikel verscheen op 28 juni 2014 in het magazine van Het Nieuwsblad)

Mijn vijf tips om writer’s block te overwinnen

rodin writer's blockOf misschien moet ik preciezer zijn: dit zijn vijf gedachten die mij ooit geholpen hebben toen ik vast kwam te zitten tijdens het schrijven. Ik verkondig geen absolute waarheden, ben de grootst mogelijke voorstander van schrijfvrijheid en besef goed dat eigenzinnigheid even hard aan schrijvers kleeft als creativiteit. Dus, fijn als u er iets aan hebt. En mocht dat niet zo zijn, weg ermee.
Maar vooral: voel u vrij om dit verhaal aan te vullen!

Originaliteit is niet het hoogste goed.

Over een onderwerp schrijven waarover nooit eerder geschreven werd: als het zich vanzelf aandient, kan het geweldig goed uitpakken. Maar als het een doel op zich wordt, is het resultaat meestal teleurstellend en geforceerd. Er is vast nog nooit iets geschreven over een promiscue cavia met schaamluis, die een trip naar de maan plant, maar de vraag is of dat ook een interessant boek oplevert.
Ik weet intussen dat ik moet luisteren naar – ik weet het, het klinkt een beetje hoogdravend – het heilige vuur. De gedachte die erin slaagt dat aan te steken, is de gedachte die misschien wel in een boek uitmondt. Ook al is het thema al eerder behandeld. Stel je voor dat we nooit meer over oorlog of de liefde mochten schrijven.

Elke reisdag invullen hoeft niet, maar de eindbestemming kennen helpt.

Ooit ging mijn enthousiasme met mij op de loop, bij het begin van elk boek. Ik had het al in mijn kindertijd. Als kind schreef ik voortdurend boeken, maar raakte nooit verder dan de eerste twee hoofdstukken. Ik schoot met een rotvaart uit de startblokken, om al snel weer stil te vallen. Want hoe zou mijn verhaal nu verder moeten? Daar lag trouwens alweer een nieuw idee glanzend te lonken. En nieuw is altijd leuker.
De eerste keer dat het stilvallen me overkwam in mijn ‘echte’ schrijversbestaan, raakte ik in paniek. Ik kreeg maandenlang geen letter meer op papier. Dus, geheel tegen mijn natuur in, besloot ik vanaf dan de dingen planmatig aan te pakken. Ik maakte een ruwe schets van mijn boek. Ik kende het begin en ik wist hoe het einde eruit zou zien. Er waren ook een paar interessante haltes onderweg, die ik niet wilde missen. Het schrijven werd meteen een stuk veiliger en rustiger.
Een ruwe schets biedt houvast, maar ik weet dat ik onderweg kan meanderen, onverwachte zijpaden mag inslaan, naar hartenlust personages en scènes toevoegen of schrappen. Zolang ik mijn eindbestemming maar bereik.

Verandering van omgeving doet schrijven.

Soms werkt het bureau een tijdlang goed, soms de tafel in de woonkamer of keuken, soms de zetel, soms de tuin. Soms is de laptop een goede vriend, maar soms is hij ook een stoorzender en bieden pen en papier meer ruimte en rust om ideeën op te schrijven.
Ik ben een ontrouwe schrijver, wat schrijfplekken betreft. ‘Lara en Rebecca’ schreef ik aan de keukentafel, ‘Ik denk dat het liefde was’ aan de tafel in de woonkamer, ‘Kunnen heksen heksen’ tijdens een warme zomer in de tuin. En ‘Zijdeman’ schreef ik grotendeels in een koffiehuis, met een behaaglijke muur van beweging en geroezemoes om me heen.

Het internet is een genadeloze tijdvreter.

Even kijken naar de mail, naar Facebook, naar Twitter. Even chatten. Even een spelletje spelen. En zou er intussen geen mail binnengekomen zijn? En – hola – er hebben mensen gereageerd op mijn statusupdate. Wacht, eerst antwoorden. Heel even maar. Tot het ineens twee uur later blijkt te zijn, en er intussen niets constructiefs gebeurd is.
Wip het internet af en toe buiten. Installeer desnoods Freedom en – note to self – vraag vooral niet naar het Wifi-wachtwoord in cafés.

Schrijven om recensenten en jury’s te behagen, leidt tot frustratie.

Vooral omdat die het niet altijd onderling eens zijn. Voor de een had het iets meer mogen zijn. Voor de ander iets minder. Waar de een laaiend enthousiast over is, daar haalt een ander de schouders bij op. Ik ben er ooit heel ongelukkig over geworden, en de faalangst heeft me een tijdlang schrijflam gemaakt. Ik durfde niet meer voluit te schrijven wat ik zo graag wilde schrijven en hoe ik het wilde schrijven, dus leverde ik een boek af dat volgens mijn toenmalige uitgever helemaal goed zat. Maar wat ze gehoopt hadden (lof! prijzen! verkoop!), kwam er niet. Dus zat ik met een dubbele kater: ik was mijn eigen stem en stijl niet trouw gebleven, en het was nergens goed voor gebleken. Het besluit om vanaf dat moment de boeken te schrijven die ik wilde schrijven, zelf te kiezen welke stijl en stem me daarbij het beste zouden dienen – en dat uiteraard zo goed mogelijk te doen, voelde als een bevrijding. Laat behagen dus geen doel zijn, maar een eventueel nevenverschijnsel. Een aangenaam nevenverschijnsel.

Vijf dingen waar ik me vroeger aan ergerde, en nu niet meer

  1. Dt-foutendt-fout
    Het is tijd- en energieverlies en het is ook beetje onheus. Niemand is goed in alles. Bovendien legt het ook een gigantische druk op de schouders van degene die zich ergert: riskeer het liever niet om te zondigen tegen de dt-regels, want hoon zal uw deel zijn, en uitleggen dat het een onnozele tikfout was zal inderdaad als ‘uitleg, uitleg, uitleg’ beschouwd worden. Het aloude argument ‘Maar die regels zijn poepsimpel!’ mag dan wel kloppen, ik besef (en is dat niet bij iedereen zo?) dat ik bepaalde poepsimpele regels ook nooit helemaal onder de knie zal krijgen. Ik schrijf zelden of nooit dt-fouten. Maar ik heb andere mankementen. Buitenspel is mij al een keer of tien uitgelegd, maar ik herken het nog steeds niet als het gebeurt. De dynamo van mijn oude fiets tegen het wiel aanklikken was poepsimpel, maar elke keer weer vergat ik welke twee bewegingen ik daarvoor moest maken. Dus, lieve dt-zondaars, mijn eeuwige respect als u mij buitenspel kan verklaren op een manier die me tot het einde mijner dagen bijblijft.
  2. Callcentermedewerkers
    Ik heb de stoere verhalen op Facebook en Twitter al meer dan eens zien passeren: over hoe je deze mensen het best kan afpoeieren. Het meeste succes kennen die verhalen waarin de man/vrouw in kwestie uitgelachen wordt, vernederd, aan het lijntje gehouden, beledigd, gepest. Niet dat ik die dingen ooit gedaan heb, maar ik heb me soms wél behoorlijk geërgerd aan het zoveelste telefoontje waarin me een nog véél interessantere tariefformule werd aangeboden voor energie/internet/gsm. Tot mijn dochter werk vond in een callcenter. Ergert u zich aan callcentermedewerkers? Besef dan dat het bijna altijd om jonge mensen gaat, die uit pure noodzaak zo’n strontjob aannemen. Het is crisis. U hoeft geen begripvol gesprek met hen aan te gaan (daar hebben ze echt geen tijd voor, geloof me), maar maak rustig en beleefd duidelijk dat u geen interesse hebt.
  3. Reclameblokken op tv
    Ongelooflijk maar waar, ik mis ze soms wanneer ik naar een fim op pakweg Canvas kijk. Ik begin heen en weer te schuiven: dorst, de katten even te eten geven, naar de wc. Maar dan mis ik een stuk van de film. Balen dus. Wie had dat ooit gedacht?Paul Newman
  4. Mannen met witte sokken
    Dat is een verplicht nummer voor veel vrouwen. Wie heeft dat ooit bedacht, deze ergernis, en waarom springen zoveel vrouwen daarin mee? Omdat ze dat écht ergerlijk vinden, of omdat iedereen dat lijkt te vinden? Ik wacht nog steeds op de dag dat iemand me kan vertellen wat er zo erg is aan een man met witte sokken. En het moet beter zijn dan ‘OMG, zo fout!!!!’
  5. Vrouwen die zich ‘mama’ noemen tegenover hun huisdierkat
    Rara, jaja. Lachen dat ik daar vroeger mee deed, met dat koetsjie koetsjie, kom-bij-mama-gedoe. Tot ik twee katten in huis haalde, en mezelf mama ging noemen om er een beetje de draak mee te steken. Tot ik me op een dag realiseerde dat ik het in alle ernst gebruikte.
    Mama groet u. Koetsjie koetsjie.

Over Jan, Eva en Kathleen – deel 1

Met Eva Mouton aan een boek werken, dat knettert en bruist danig.
We drinken samen thee en eten havermoutkoekjes.
We overlopen het manuscript, zij spuit ideeën voor tekeningen, ik vul aan, en we gieren het af en toe uit.
O ja, en dan dit, en dat, en daar ook wat!
We kneden de tekst, gooien er stukken uit, daar waar de tekeningen het verhaal mogen
overnemen.

IMG_0829

We gloeien en het boek groeit.

De thee mag aan de kant, we schakelen over op wijn (dat mag, de zon hangt al laag).
De kat krabt als vanouds mijn raamkozijn verder kapot. Ik laat haar snel binnen.
Die kat heeft jou afgericht, zegt Eva.
Dat is waar, zeg ik. Honden hebben een baas, katten hebben personeel.
Eva probeert mij op haar beurt af te richten. Bij de volgende krabbeurt bezweert ze mij om de kat te negeren.
Het helpt een heel klein beetje, maar niet genoeg. Wel genoeg om weer in de lach te schieten.
Dan werken we verder.
Tussendoor roddelen we, doen we confidenties over leven en liefde.
Maar het is vooral werken dat we doen, echt.
Het boek groeit en wij gloeien.

IMG_0835

De dirigent van ons sentiment

Het had een bagatel kunnen zijn, maar om een reden die me niet meteen duidelijk was, sloeg mijn ergernismeter meteen in het rood. Daar was het dan: het zoveelste filmpje dat onze ontroering orkestreert, dat mensen op een-twee-drie helemaal krijgt waar het ze wil hebben. Dat in een fractie van een seconde duizenden keren gedeeld wordt op Facebook en Twitter: kijk toch eens, hoe mooi, al die mensen die elkaar niet kennen en die op commando een tong willen draaien voor de camera. Want even serieus: meer dan dat was het niet.
Van het beoogde effect voelde ik niet veel. Ik zag mooie mensen, ik zag half-verliefde onwennigheid, die me enigszins geacteerd leek. En ik hoorde een zoete soundtrack, die  mogelijke kritiek op voorhand onderuit haalde door zachtjes te fezelen: ‘If you’re not ready for love, how can you be ready for life?’
Love of lebberen: ik wil nu ook niet over details struikelen.

Ik heb het filmpje niet uitgekeken. Niet omdat het me choqueerde. Laat iedereen die dat wil vooral lustig tongen draaien en meer, zolang de goesting maar wederzijds is. Wel omdat het mij het onbehaaglijke gevoel gaf een voyeur te zijn. Vreemd genoeg heb ik dat niet bij het orgasmefilmpje met de lezende vrouwen, en ook niet bij porno. Maar zo’n tongkus van wildvreemden in close-up is mij te intiem.

Mijn ergernis kadert ook binnen een algehele ontroerende filmpjesmoeheid. De  onuitputtelijke stroom ‘levenslessen’ die websites als Upworthy, Viralnova en Brekend.nl over ons uit storten, heeft iets betuttelends. Je hoeft niet meer zelf te kiezen waardoor je ontroerd raakt (voor zover daar kiezen aan te pas komt), daar wordt al voor gezorgd. Er is een dirigent voor ons sentiment. Subtiel is het zelden. Het is meestal met de voorhamer meppen op de traanklieren van de gemakkelijk ontroerbare mens.

Maar kijk, toen kwam ook voor de romantici een kleine tot middelgrote ontnuchtering: het was een reclamespot voor een kledingmerk en de kussende mensen waren acteurs, modellen en muzikanten.
Heel even probeerde een haha-gevoel al mijn bedenkingen stil te leggen, maar toen haalde mijn kwaadheid de bovenhand. Het filmpje herinnerde me aan al die keren dat ik me bekocht gevoeld heb door tranenperserige spots, die reclame voor een bank bleken te zijn. Of door spotjes waarin een of andere acteur met trillende stem en water in de ogen speecht op de begrafenis van ‘onze pa’ of ‘ons ma’, pakkende anekdotes en al, en dan blijkt het ineens om Dela Uitvaartverzekeringen te gaan. Dela! Het bedrijf dat al een heleboel begrafenisondernemingen en crematoria opgekocht heeft en al een paar jaar bezig is de prijzen voor uitvaarten drastisch op te drijven. Dat Dela dus.
De reden voor mijn kwaadheid ligt hierin: emotie, schoonheid en ontroering zijn me te dierbaar om er manipulatief mee om te gaan. En jazeker, tot op bepaalde hoogte bedient iedereen zich van manipulatie om zijn boodschap aan de man te brengen. De vraag is deze: hoe zuiver zijn je drijfveren, hoe oprecht? En oprechtheid is ver te zoeken in de voorbeelden die ik zonet noemde. Oprechte emotie en ontroering staan haaks op de waarden die deze bedrijven hoog in het vaandel dragen. Laat ze daar dan ook afblijven.
In dat opzicht moet ik Wren (het kledingmerk waarin het in het bewuste filmpje om draait) het voordeel van de twijfel geven. Ik verneem dat ze daar experimenteren met de grenzen tussen mode en kunst (daar mag wel commercie aan toegevoegd worden). Slim is het alleszins, want het filmpje werd op amper één dag tijd al zeven miljoen keer bekeken.
Over hun waarden spreek ik me niet uit. Hun filmpje was de perfecte trigger voor een ei waar ik allang mee zat.

Ten slotte nog dit.
Het is moeilijk om bij het lanceren van een tegengeluid niet de indruk te wekken dat je de ‘likers’ van zulke filmpjes diskwalificeert. Dat doe ik in geen geval (ik parafraseer: sommige van mijn beste vrienden zijn likers!), al kan ik me voorstellen dat sommigen het gevoel hebben dat ik iets van hen afpak door niet mee te gaan in die droom. Maar hier speelt geen cynisme of negativiteit. Wel kritische zin. Wel de scepsis, die ik koester. Ik hoop er mijn hoofd helder mee te houden in deze bijwijlen al te emotionele en impulsieve tijden.

Het bizarre van publieke rouw

Het is een fenomeen dat me allang intrigeert.

Rouwende fans bij de dood van Elvis. Fotograaf: John Downing
Rouwende fans bij de dood van Elvis.
Fotograaf: John Downing

Hartverscheurend verdriet bij de dood van Elvis, John Lennon, Prinses Diana, Michael Jackson. Mensen verdrinkend in hun tranen, met een heftigheid die me weleens de vermetele bedenking ontlokt heeft: zouden ze even hard huilen als hun broer/zus/vriend sterft?

Misschien is het projectie. Misschien triggert dit Grote Overlijden wel oud verdriet. Of geeft het ruimte aan een veralgemeend verdriet om ik-weet-niet-wat-allemaal. Projectie of niet, geen haar op mijn hoofd twijfelt aan de oprechtheid van de emotie. Maar een emotie die zich op een icoon richt, daar kan geen mens van vlees en bloed tegenop.

Rouwende Noord-Koreanen, bij de dood van Kim Jong-Il
Rouwende Noord-Koreanen, bij de dood van Kim Jong-Il

Cultuurfilosoof Eric Corijn vertelde me daar ooit het volgende over: ‘Wanneer iemand uit onze omgeving sterft, dan zal dat overlijden je vaak een dubbel gevoel geven. Je hebt veel verdriet, maar tegelijk is het soms ook een opluchting. Je hield wel veel van je moeder, maar haar gezeur waar ze je soms de muren mee op kon jagen, zul je alvast niet missen. Liefde en haat liggen in het echte leven heel dicht bijeen. Bij iconen ligt het anders. Je zuivert hun beeld zodanig uit, dat ze abstract worden. Je houdt van dat ideaalbeeld, omdat het rust geeft. Het geeft hoop, het ondersteunt je verlangen, en het is prettig om je te identificeren met iets dat zoveel rust en eenheid uitstraalt. Als de fascinatie ver genoeg gaat, dan krijg je het gevoel een persoonlijke band te hebben met het icoon.’

Nu is er Facebook. En Twitter. Iconen die sterven vullen bladzijde na bladzijde. Iedereen ventileert persoonlijke herinneringen en bedenkingen, zoekt mooie plaatjes of filmpjes om zijn verhaal te ondersteunen.
Maar ook wie geen iconische status bereikt heeft, wordt nu het voorwerp van grote, publieke rouw. Dat kan troostend zijn, maar ook overweldigend. Als iedereen om ter snelst en om ter hardst roept hoe erg het wel is dat deze fantastische man/vrouw nu niet meer is – en ik doe daar ook soms aan mee – dan krijgt je eigen kleine, hoogstpersoonlijke gevoel rond dit sterven geen lucht meer. Het verdriet is al tientallen keren verwoord, groots, heftig en bijzonder luidruchtig. Zo luidruchtig dat de eigen gedachten ervan stilvallen, het eigen gevoel zich bedremmeld koest houdt. Ik ben geneigd die vervlakking van het hoogstpersoonlijke gevoel jammer te vinden. Maar tegelijk vraag ik me af of precies daarin niet het heilzame van publieke rouw schuilt: de voortdurende verwoording zorgt ervoor dat de gedachte aan dat ene sterven snel went. Tenminste: voor wie niet écht tot de intimi van de overledene behoort. Want die, weet ik, krijgen ondanks de grote publieke steun, soms het gevoel dat wildvreemden met hun rouw aan de haal gaan.
De dochter van een bevriende schrijver, die te vroeg doodging, verwoordde het treffend: ‘Ik had op de duur zin om te zeggen: het is mooi van jullie, maar laat het nu maar rusten. Het is wel ONZE papa, hé.’

Prins William en Harry op de begrafenis van hun moeder, prinses Diana.
Prins William en Harry op de begrafenis van hun moeder, prinses Diana.

Vol vertrouwen denk ik aan de liefde

Vol vertrouwen denk ik aan de liefde.

Een beginneling, zo voelde ik me twee jaar geleden. Een hertenjong, klaar om te springen, al was het dan op wiebelige pootjes. Want na een relatie van dertig jaar met mijn tienerlief, was ik even onervaren als ervaren.

Het waren leerzame jaren tot nu toe.

Ik heb ontdekt dat het fijn is om zussen te hebben die je soms ongezouten hun mening geven, maar altijd vanuit oprechte bekommernis. En ouders en kinderen die je blijven steunen.

Ik heb ontdekt dat vriendschap nog belangrijker is dan ik altijd al aangenomen heb. En dat ik rotverwend ben op dat vlak.

Ik heb ontdekt dat ik er nog mag zijn, al zou ik weleens iets anders willen horen dan ‘meteen, als ik geen homo/vrouw/getrouwde man was’.

zwemmende vrouwenIk heb ook ontnuchterende ontdekkingen gedaan.
Dat leeftijd in levenden lijve niet in de weg zit, maar op papier wel.
Dat daten vermoeiend en ontmoedigend kan zijn (ik zou er een boek kunnen over schrijven, maar neen, beste uitgevers en opdrachtgevers bij gazetten, ik ga dat niet doen).
Dat  er meer vrije vrouwen dan vrije mannen rondlopen, en hoe dat wellicht komt. Vrouwen maken sneller een eind aan een relatie wanneer ze ongelukkig zijn. Mannen doen dat doorgaans (ik zeg dus niet altijd) pas wanneer er een alternatief voorhanden is. Ook mijn mannelijke vrienden beamen dat. Of zoals een socioloog me ooit zei: ‘Mannen moeten onder de pannen’.
Het brengt een pervers mechanisme op gang. Ik verbaasde me er eerst over hoe andere vrouwen – niet mijn vriendinnen – me soms met argusogen bekijken sinds ik alleen ben. Ik ben geneigd hen nu te begrijpen.

Jazeker, de vijver is klein. Maar ik zwem graag en diep en kan mijn adem lang inhouden.

Dus denk ik vol vertrouwen aan de liefde.

‘Ik ben blij met wat ik gehad heb’

Een jaar geleden overleed Jan Simoen. Een paar weken voor zijn dood mocht ik hem interviewen. Omdat hij nog een laatste duw wilde geven aan het project dat hem aan het hart ging: Kanker4Life.

Dit is het, ter nagedachtenis aan een bijzondere, aanstekelijk levenslustige man.

Twee jaar geleden kreeg jeugdauteur Jan Simoen (59) kanker. Twee weken geleden kreeg hij te horen dat hij ‘uitbehandeld’ is. Al die tijd hield hij vrienden en kennissen op de hoogte via nieuwsbrieven, waar de liefde voor het leven vanaf spatte. Hij zamelde ook geld in. Niet voor een kankerfonds. ‘Ik wilde tonen dat iemand die kanker heeft, niet blind wordt voor anderen.’

foto: Marco Mertens
foto: Marco Mertens

Als ik aan Jan denk, dan denk ik aan zijn lach. Dat is het eerste. Maar er is zoveel meer. Ik denk aan gitaarspelen en aan zingen. Aan sfeervolle avonden, al of niet op een zomers tuinterras. Aan lekker eten en aan wijn. Aan klinken op mooie boeken. Aan bruisende gesprekken, een ferme stem, verhalen vol animo, gevatte replieken en blauwe ogen die om de haverklap groot en rond worden van empathie, verwondering of verontwaardiging. Aan een showbeest, maar dan wel eentje zonder pretentie. Een mooi beeld van een luchtige, vrolijke vriendschap, die zich van feestje naar feestje repte.

En toen, op een oktoberdag in 2010, kregen we allemaal een mail die weinig met feestjes van doen had. Hij begon zo: ‘Beste vrienden, ik heb nogal onaangenaam nieuws voor jullie. Er is bij mij een kwaadaardige tumor gevonden op mijn darmen en ik moet tamelijk snel behandeld worden.’ En verder: ‘Ik heb heel veel steun aan Rie, die ongelooflijk goed gereageerd heeft op deze boze boodschap, en aan de kinderen, en zelf ben ik helemaal niet van plan om me te laten doen door die smeerlap. Als jullie nu met z’n allen nog een beetje duimen, dan komt het wel goed, geloof ik.’

En dat we geduimd hebben, met z’n allen. We hebben onze duimen blauw geduimd, maar het heeft niet mogen baten. Want anderhalve week geleden kregen we te horen dat Jan volledig uitbehandeld is. De tumor is ‘ontsnapt’, zoals de dokter het uitdrukte. Hij doet gewoon zijn zin, en de mens heeft zich daar blijkbaar nederig in te schikken.

‘Die grillige bitch’

Alles aan Jan is fijn en broos geworden. Behalve zijn ogen. Die lijken, misschien wel door het contrast, groter en alerter dan ooit. Maar hij vertelt graag, nog steeds. Al houdt de vermoeidheid hem genadeloos in toom.

In de dagen die op die eerste mail volgden, werd Jan overspoeld met warme berichten vol vriendschap, bezorgdheid en medeleven. Vol geïnteresseerde vragen en verzoeken om zeker op de hoogte gehouden te worden ook. ‘Toen ik merkte dat ik elke dag uren kwijtspeelde met telefoneren en mailen om alle vragen te beantwoorden, kwam Phara de Aguirre, die enkele jaren geleden zelf borstkanker had, met een interessant idee op de proppen. Als ik nu eens nieuwsbrieven zou versturen naar iedereen die op de hoogte wilde blijven. En dat deed ik. Aanvankelijk naar een dertigtal mensen, maar gaandeweg naar enkele honderden.’ De nieuwsbrieven werden iets om naar uit te kijken. Met een bang hart soms, maar met evenveel verwachting. Geen geweeklaag – wel stevig gevloek en getier af en toe, maar een zelfrelativerend verslag van behandelingen en neveneffecten en – vooral – een lofzang op de schoonheid van ‘die grillige bitch’: het leven. Want niemand bezingt dat leven zo mooi en gepassioneerd als hij die het ziet wegglippen.

‘Ik wist van bij het begin dat het ongeneeslijk was’, zegt Jan. ‘Al in oktober 2010 vertelde de dokter me dat ik nog hooguit drie jaar te leven had. Honderd dingen tegelijk schoten door mijn hoofd, en toch waren mijn gedachten merkwaardig helder. Ik heb er toen bewust voor gekozen niet de volledige waarheid te vertellen tegen familie en vrienden. Niet omdat ik het niet aankon om erover te praten, en ook niet omdat ik anderen per se wilde ontzien. Ik heb gezwegen omdat ik geen zin had in de zwaarte die de waarheid met zich mee zou brengen. Elke ontmoeting met vrienden zou erdoor gekleurd zijn. Mensen zouden zich voortdurend afvragen: “hoe lang had hij ook alweer?” En dan zouden ze in stilte en met een bang hart aftellen. Ik wilde in alle onbevangenheid kunnen eten en praten met mensen. Lachen en zeveren ook. Er waren al genoeg schuine hoofden en gefronste voorhoofden en loodzware “hoe is ‘t?”-vragen aan de telefoon. Te midden van al die goedbedoelde dramatiek heb ik meer dan eens zin gehad om te zeggen: “Doe eens normaal, alsjeblief”.’

Nieuwsbrief 15 februari 2011

Mijn moeder was heel blij om me te zien. Maar mijn moeder is altijd blij, ook als ze me niet ziet. Als ik bel, is ze blij dat ze me hoort. ‘Ik ben blij dat ik je hoor’, zegt ze dan, en vervolgens praat ze een halfuur aan een stuk zonder dat ik een woord moet zeggen. En als ze me ziet doet ze net hetzelfde. Ze praat zelfs door als ik naar de wc ga, en ik weet echt niet of ze zwijgt als ik ga wandelen of boodschappen doen. Ik vermoed van wel, maar soms heb ik mijn twijfels. De baas van restaurant Chaplin, waar we vaak gaan eten, zegt: ‘Op de dag dat ze zwijgt bel ik de dokter.’ Ze gaat heel graag eten met ons, haar kinderen, en ze wil altijd trakteren, en daar valt niet over te discussiëren. ‘Ik ben nog altijd je moeder, en je gaat naar me luisteren, hoe oud je ook bent.’ Ze is geweldig, mijn moeder, hoewel ze mijn oren soms doet tuiten. Ze vertelt vaak dezelfde verhalen, en soms vele keren, maar dan zegt ze dat ze dat zelf ook al weet, maar dat ik haar dat niet kwalijk mag nemen want ze is tenslotte al een oude madame.

‘Voor mijn moeder vind ik het écht erg,’ vertelt Jan. ‘Ze is al 88. Haar op de hoogte brengen, was het moeilijkst van al. We zijn vorige week met een klein hartje naar zee gereden. Maar we hebben haar blijkbaar onderschat. Een moeder belieg je niet, die voelt alles met een intuïtie die alleen moeders hebben. Het leek alsof ze het verwacht had, alsof ze het al wist. Ze reageerde vrij rustig, nam het beter op dan ik gevreesd had. Wellicht moet de klap nog komen. Het leek altijd alsof ze niet wilde praten over die kanker. Er waren altijd andere dingen waarover ze liever praatte. Maar blijkbaar voert ze vaak gesprekken met haar schoonzus, die ook een dochter aan kanker verloren heeft. En put ze daar veel steun uit. Mijn broers en mijn zus houden haar nu afwisselend gezelschap. We willen niet dat ze alleen is nu.’

Ook Ellen (27) en Hendrik (25), Jans kinderen, bleken minder verrast dan hij gedacht had. ‘Het leek alsof iedereen voor wie het écht belang had het wist, zonder dat ik iets had hoeven te vertellen. We hebben geweend samen, ja. Maar ook gelachen en gepraat. En het deed me erg veel deugd om te merken dat ze zoveel aan elkaar gehad hebben in heel die periode.’

Nieuwsbrief 26 april 2011

Over ’t algemeen kijken we wel uit, wij chemopatiënten, dat we onze energie niet verspillen aan klagen en zeiken, want dat helpt toch niet. En als er al iemand toch begint te klagen en te zeiken en bijvoorbeeld ermee dreigt dat hij zich zal ophangen bij de minste aanval van misselijkheid of diarree, of zaagt op de verpleegsters die naar zijn gevoel een halve minuut te traag reageren, dan wijzen wij hem vriendelijk doch beslist terecht, en vragen wij hem of hij alsjeblieft in stilte wil klagen en zeiken, en dat niemand daar echt deugd van heeft, hij nog het minst van al. Maar het blijven uitzonderingen, de klagers en de zeikers onder ons, waarschijnlijk omdat de meesten onder ons wel weten dat zulks bitter weinig zoden aan de dijk zet.

Hij kan vloeken als een ketter – en dat doet hij ook met overgave, maar klagen vertikt hij. ‘Dat zit in de familie.’ Hij heeft nochtans reden tot klagen, zou een mens denken. In 1980 verloor hij zijn eerste vrouw aan kanker. Een tweede huwelijk – met de moeder van zijn kinderen – strandde. En nu is er dus Rie, met wie hij al twaalf jaar samen is. Anderhalf jaar geleden trouwden ze, en enkele maanden later kreeg ook Rie kanker. Borstkanker. Vloeken, vloeken, vloeken. Want drie keer? Rie zit erbij, glimlacht en schudt het hoofd: ‘Het is raar om te zeggen, maar het kwam op het minst slechte moment. Jan voelde zich toen net een beetje beter, dus kon hij voor mij zorgen. Soms is het goed dat het leven die dingen voor je beslist. Het is gegaan zoals het gegaan is, en we hebben er het beste van gemaakt.’

Met Rie gaat het intussen weer goed. Zij heeft het gehaald. ‘En ook dat is raar om te zeggen,’ gaat ze verder. ‘Ik heb best wel paniekaanvallen gehad, zo af en toe, maar we hebben ons de laatste jaren eigenlijk niet zo vaak ongelukkig gevoeld. We hebben ons zelfs zeer gelukkig gevoeld bij momenten.’

‘Omdat we elkaar hebben’, vult Jan aan. ‘Een huizenhoog cliché, ik weet het, maar het heeft ons dichter bij elkaar gebracht. Weet je, toen mijn eerste vrouw stierf, heb ik ook veel geschreven. Puur voor mezelf, om het vol te houden. En toen nam ik me voor: ik zal er niet onderdoor gaan. Jullie gaan me dat niet lappen. Ik ga verder leven, zo hard ik maar kan. Toen heb ik voor mezelf beslist dat God niet bestaat. Hoefde ik me daarover al geen zorgen meer te maken. Ik ben katholiek opgevoed jawel, maar niet fanatiek. Mijn ouders gingen alleen maar naar de kerk als het niet te hard regende. En het grappige is dat mijn moeder me vorige week ineens aankeek en vroeg: “God, die bestaat eigenlijk niet, zeker?”’

Nieuwsbrief 18 oktober 2011

Op de laatste consultatie (nu een dikke maand geleden) bij mijn geliefde lijfarts kreeg ik het op een moment een klein beetje koud, en dat was toen hij me zei dat de tintelingen in mijn vingertoppen – bijverschijnsel van de vermaledijde en toch heilzame chemotherapie – wel eens zo erg zouden kunnen worden dat ik niet meer zou kunnen typen. ‘Als we er niets aan doen…’ voegde hij eraan toe met een soort van milde warmte in zijn blik. ‘Wel, doe er dan iets aan!’ dacht ik heel luid. … Om maar te zeggen hoe belangrijk dat schrijven in de loop der jaren is geworden.

‘Ik wilde zo graag nog één boek schrijven. Dat het gelukt is (‘De nacht van 2 april’, verschenen bij Querido, red.), maakt me ontzettend blij en trots. Het is het juiste boek, over mijn roots, over het dorp aan zee waar ik opgegroeid ben. En om het helemaal mooi te maken: met tekeningen van mijn broer. Ach, een gelukkige jeugd is niet bepaald een goudmijn voor een schrijver, heb ik mogen merken. Ik had veel te goede ouders (lacht). Maar dat ene jaar, daarover wilde ik zo graag vertellen. Het jaar waarin ik tien was. Wie tien is, is almachtig. In zijn hoofd tenminste. Je kunt alles zijn wat je maar wilt: een Duitse officier, een Engelse bommenwerper of Old Shatterhand. Alleen zit de werkelijkheid soms tegen: je mág eigenlijk nog niets, terwijl je zoveel in je hebt. Tien jaar oud zijn en spelen in de duinen met een decor van bunkers: dat was het mooiste jaar van mijn leven.’

Nieuwsbrief 7 februari 2012

Ik heb een plan, dames en heren. Het is mij te binnen geschoten in december, tijdens de laatste Music for Life. … Kanker wordt zo vaak geassocieerd met ellende en doodgaan en kotsen, en ik zou graag eens iets doen waardoor mijn/onze kanker (en kanker in het algemeen) eens vol leven uit de hoek zou komen – als brenger van leven, als bron van vitaliteit, humor en optimisme begot. En als motor voor iets goeds, iets waarmee je anderen kan helpen. Voilà. Of klinkt dit te pathetisch? Nou vooruit, dan moet dat maar.

Het zou een kankerfonds worden, dat was het eerste idee, gesponsord door de vele lezers van zijn nieuwsbrieven. Maar al snel werd dat eerste idee weer opgeborgen. Jan: ‘Ik vermoed dat er wel honderd kankerfondsen bestaan in Vlaanderen. Dus wilde ik de zaken omdraaien. Tonen dat iemand die kanker heeft niet blind wordt voor anderen die het nog een stuk harder en kwader hebben in dit leven. Daar hoef je niet eens zo ver voor te kijken. Meteen botste ik op de kritische zin van nogal wat donateurs: het wantrouwen tegenover veel grote organisaties zit blijkbaar dieper dan ik gedacht had. Toevallig zag ik in Terzake een schrijnende reportage over de kindergevangenis van Kampala in Uganda. Kinderen tussen de tweeënhalf en achttien jaar zitten er opgesloten, gewoon omdat ze op straat rondlopen. Soms werden ze er gewoon afgezet door hun ouders. Er is niets. Geen medische verzorging, geen menselijk contact, geen bed, geen wasgelegenheid, nauwelijks eten. Eén organisatie, gerund door een Vlaams echtpaar en een Nederlandse vrouw, bekommert zich om hen: Foodstep. Tot nu toe heb ik 7.800 euro ingezameld. Op 28 december overhandig ik dat bedrag, en alles wat er hopelijk nog bijkomt, aan die mensen. Op zo’n grote cheque, die ik speciaal bij de bank besteld heb. Dat heb ik altijd al eens willen doen.’ (grijnst)

Nieuwsbrief 13 december 2012

Jan Simoen 2Ik voel me uitgeprocedeerd, als een asielzoeker die heel erg gehecht is geraakt aan het land waar hij zich de laatste jaren zo goed thuis voelde, maar binnen een paar maanden op het vliegtuig wordt gezet. Mijn land heet niet België of Nederland of Zweden, het heet Leven, en boy o boy, wat heb ik me hier thuis gevoeld, de laatste 59 jaar. Het is zo’n mooi land, dat leven. Ik hou van de mensen die erin rondlopen, ik hou van zijn muziek, zijn landschappen, zijn gebouwen, zijn schilderijen, zijn foto’s, zijn films, zijn wielrenners, zijn beeldhouwers, zijn beenhouwers, zijn straten, zijn pleinen, zijn treinen, zijn wijn, zijn huizen, zijn tuinen, zijn appels, zijn aardbeien, zijn Macbook Airs, zijn gezever, zijn getater, zijn gedichten, zijn stripverhalen, zijn gelach, zijn gekonkelfoes, zijn reclames, zijn continenten, zijn steden, zijn vriendschappen, zijn seizoenen, zijn kinderen die spelen in het park, zijn Moleskine opschrijfboekjes met de zwarte elastiekjes, zijn hoeden en sjaals van Paul Smith, zijn vergezichten over de Schelde, zijn wandelingen langs de Seine en zijn mistflarden boven de herfstige velden. Zijn Schotse landschappen en zijn witte klippen van Dover. Zijn zee, altijd weer. Zijn prachtige vrouwen die flaneren langs de Graslei, zijn concerten van Leonard Cohen en zijn zomerse ontbijten onder de appelboom. Zijn donkere dagen voor Kerstmis als je het licht ’s ochtends al moet aandoen en de verwarming hoger draait en je geweldige vrouw binnenkomt van de bakker met verse broodjes en een superdikke krant, en je zet nog gauw ‘The Messiah’ op voor ze de koffie uitschenkt. Nespresso volluto, met een dikke schuimende melkkraag en twee klontjes. De knalrode trui van Fabian Cancellara vanuit de helikopter gefilmd, met dat grote witte kruis van kampioen van Zwitserland op zijn brede rug. Het vijfde seizoen van ‘Mad Men’. De lange aperitiefsessies bij de vrienden, met heel veel cava en nog meer gelach. En ik spreek de taal van dat Leven zo goed. Natuurlijk is het niet eerlijk, dat leven, dat wisten we allang.

‘Of ik het ga missen, weet ik niet. Voor mij stopt het leven echt bij de dood. Maar ik ben wel ontzettend blij dat ik het gehad heb.’ En dan vertelt hij enthousiast over Tortilla Flat van John Steinbeck, het volgende boek dat op het programma van zijn leesclub staat. De bijeenkomst in maart zal hij wellicht niet meer halen, maar dat maakt het lezen daarom niet minder rijk.

Of hij zich dan verzoend heeft met die nakende dood? ‘Ja. Laten we wel wezen: de wereld heeft zo lang gedraaid voor ik er was, en zal nog heel lang draaien na mij. We weten allemaal dat onze passage hier maar beperkt is. Maar het doet soms zeer, hoor. Het doet zeer. Vooral omdat ik zo graag leef, hé. Godverdomme.’

(verschenen in De Standaard op 22 december 2012)

Intens leven

Ik doe datgene wat zovelen doen in deze tijd van het jaar. Dromen en plannen. Terugblikken ook. Maar mijn terugblik reikt verder dan het afgelopen jaar. Al de hele week lang denk ik na over de vele vraaggesprekken die ik in de loop van de jaren gevoerd heb. Met kunstenaars, schrijvers, filosofen, politici of anderszins bekenden. En even vaak met mensen die een leven in de luwte leiden, maar wel een bijzonder verhaal te vertellen hebben. Sommigen waren teleurstellend, anderen hebben een diepe indruk nagelaten. Ik zal het nooit vanzelfsprekend vinden: dat voorrecht met boeiende mensen te mogen praten over wat hen gemaakt heeft tot wie ze zijn, wat hen passioneert, hoe ze tegen leven en dood aankijken, hoe ze werken, hoe ze liefhebben.

Zes mannen en vier vrouwen over de liefde, met een filmfragment als kapstok: dat was niet werken. Dat was spelen, lachen, verwonderd en ontroerd zijn.

Octave Landuyt, in 2007 gefotografeerd door Marco Mertens
Octave Landuyt, in 2007 gefotografeerd door Marco Mertens

Kort daarna sprak ik met zes grijsaards – Octave Landuyt, Jef Geeraerts, Paula Semer, Will Ferdy, Godfried Danneels en Clara Haesaert – over wat hen aan de gang hield in dit leven. Eén rode draad: ze hadden allemaal hun nieuwsgierigheid en het vermogen tot verwondering bewaard.
Paula Semer heeft toen voorgoed mijn hart veroverd, maar het was vooral bij kunstenaar Octave Landuyt dat ik een knik in mijn knieën voelde. Ik had uren, dagen naar hem kunnen luisteren en kijken. Zoveel bevlogenheid in één mens. En ja, zoveel charme ook. Het was de eerste keer dat ik bij een tachtiger dacht: ‘Ik zou verliefd kunnen worden op u.’

Octave Landuyt is onlangs 91 geworden. Ik hoop dat zijn geest vandaag nog even sterk is als op die lentedag in 2007, toen hij mij rondleidde op zijn tentoonstelling in de Gentse Sint-Pietersabdij en me vertelde over zijn grootvader, over verwondering en over intens leven.

Een fragment:

‘Het was een tijd waarin kleine dingen groot gevonden werden. ‘Die heeft de zee gezien,’ zei men met veel ontzag. Ook iemand die Frans kon spreken was bijzonder. Of iemand die in de opera zong, zoals mijn grootvader. Hij was er voorzanger.

Mijn grootvader heeft een sterke invloed op me gehad. Hij was een anti-racist in hart en nieren. Een anarchist ook, want ook al konden we ons maar één keer in de week vlees veroorloven, het moest op vrijdag zijn. Zo contrair was hij. Degelijk onderwijs voor de werkmens was ook een van zijn stokpaardjes. Over al die dingen kon hij eindeloos praten, discussiëren met jan en alleman. Het maakte hem soms ongezellig. Maar ik herken het. Ik heb dat ook, en het maakt mij ook soms ongezellig.

 De opera van mijn grootvader was intens. Diezelfde intensiteit zit in mijn werk. Het gaat niet over mooi of lelijk, het is energie. Die intensiteit is levensnoodzakelijk. Het is een manier van zijn. Ik beleef alles, alsof het de laatste keer zal zijn. Een geur van een bloem die in bloei komt, wil ik intens opsnuiven, in het besef dat het straks weer gedaan zal zijn. Ik wil intens kijken, want nog even en de bloem zal uitgebloeid zijn. Muziek beluister ik alsof het de enige keer is dat ze ooit zal horen. Ik heb lief alsof het mijn eerste en laatste keer is. Ik ben als het jongetje in Le ballon rouge, de film van Lamorisse: ik volg vol verwondering die rode ballon en de ballon volgt mij.

Als je dat gevoel kent, als je intens leeft, dan weet je wat gedrevenheid is. Daarom kan er ook geen sprake zijn van een pensioen. Je stopt toch niet met mensen in nood te helpen als je 65 wordt? Waarom zou je dan van de ene dag op de andere met al het andere stoppen? Het is iets wat ik met veel kunstenaars deel: de overtuiging dat ik, als ik niet meer kan werken, dood ben. Dat is geen holle retoriek. Het is de waarheid. Als je geen lucht meer krijgt, ga je dood. Mijn werk is mijn adem.’

Verschenen in De Standaard Magazine op 2 juni 2007