Blogberichten

Bloedrood, ondraaglijk en erotiserend

Het is een nijdig beest, die liefdesjaloezie. Ze maakt blind, misschien nog blinder dan de liefde zelf. En onbezonnen. Kijk maar naar de maîtresse van ex-CIA-baas David Petraeus. Maar we hebben ze nodig, luidt het alom. Geen liefde zonder jaloezie. Of toch wel?

‘Ik probeerde mijn jaloezie te visualiseren als een geelbruine wolk die in mijn binnenste woedde, om daarna als rook langs mijn neus te ontsnappen en te veranderen in een steen die op de grond neerviel. Dat hielp een beetje. Maar in mijn visioen groeide een plant met giftige bessen uit de steen, of ik dat nu wilde of niet.’
(Het jaar van de vloed, Margaret Atwood)

Iconische grootheden die van hun sokkel vallen, spreken tot de verbeelding, en al helemaal als er passie en seks mee gemoeid zijn. Maar dat jaloezie van de ene minnares op een (misschien) tweede minnares de bom onder de carrière van CIA-baas David Petraeus deed ontploffen, gaf aanleiding tot flink wat besmuikt gegniffel en maakte de petite histoire nog een stukje interessanter. De giftige bessen uit het citaat van Margaret Atwood waren in dit geval mails van Paula Broadwell – minnares 1 en biografe van Petraeus – aan Jill Kelley – vermoedelijke minnares 2. Of die het flirten wilde laten, en meer van dat. Waarna Kelley prompt klacht indiende bij de FBI wegens stalking.

Een mens die door hevige sentimenten – en liefdesjaloezie is niet de minste van die sentimenten – gedreven wordt, zet soms waanzinnig veel op het spel. Reputaties, carrières, huwelijken, gezinnen, misschien levens.

’Ook jaloezie werd niet begrepen: de hel van de gekwetste minnaar.’
(Het paradijs verloren, John Milton)

Een bitterbijtende golf die vanuit de maag opstijgt en in een fractie van een seconde de hartslag in galop jaagt. Gonzende oren en gloeiende wangen. Treiterende warmte, ergens laag in het achterhoofd. Een vertroebelde blik en gedachten als ongeleide projectielen, radeloos en redeloos. Wie het ooit voelde, weet dat liefdesjaloezie schrijnt. Harder en venijniger dan alle andere vormen van jaloezie, misschien wel omdat de sprong in de diepte van zoveel hoger genomen wordt. En omdat het gevoel zoveel moeilijker te vatten is dan andere emoties. Een verwarrende cocktail van woede, verdriet en angst. Frustrerend omwille van de machteloosheid – we hebben geen vat op wat de ander voelt. Vernederend ook. Een vernedering die nog sterker dreigt te worden, omdat we zoals Paula Broadwell, soms geneigd zijn ons belachelijk te maken. Misschien niet voor de ogen van de hele wereld, maar dan toch voor de ogen van de geliefde die ons tot wanhoop drijft. Het geeft een pijnlijke knauw aan ons zelfbeeld. En soms verandert het ons in iemand die we niet willen zijn. Iemand die we niet willen kennen, en die we niet herkennen. Kwaad, nijdig, wantrouwig, koortsachtig op zoek naar iets – mails, Facebookberichten, sms’en, wat dan ook – dat de knagende vermoedens kan bevestigen. Hopend op een ontdekking, en tegelijk doodsbang voor die ontdekking.

‘O, hoed u voor jaloersheid, heer; zij is ’t groenogig monster, dat de spijs bespot die ’t vreet, gelukkig hij die horens draagt, maar ’t weet en van zijn krenkster niet meer houdt. Maar wat voor kwellingen doorstaat de man die mint maar twijfelt, argwaant maar aanbidt!’
(Othello, William Shakespeare)

Door Shakespeare vinden we dat jaloezie groen kleurt. Wie op zoek gaat naar teksten over jaloezie, vindt het woord er geheid een keer of vier, vijf in terug. Een dankbaar cliché, omdat groen ook aan gal doet denken. Of aan vergif: arsenicum met name. En voelt liefdesjaloezie niet een beetje als een gif dat onze ingewanden aanvreet? Toch kleurt jaloezie niet zozeer groen, luidde de conclusie van een onderzoek naar synesthesie – het vermengen van de zintuigen – tussen negatieve gevoelens en kleuren. Aan 661 deelnemers uit vijf geïndustrialiseerde landen, verspreid over de hele wereld, werd gevraagd welke kleur zij zouden toekennen aan die gevoelens. Voor één gevoel was de uitkomst duidelijker dan voor alle andere: jaloezie is rood.

’In die tijd bevredigde hij een zinnelijke nieuwsgierigheid door de genoegens te ervaren van mensen die voor de liefde leven. Hij had geloofd dat hij daar kon stoppen, dat hij niet gedwongen zou zijn ook hun zorgen te leren kennen; hoe futiel leek haar charme nu naast de verbijsterende kwelling niet op elk moment te weten wat ze gedaan had, of haar niet altijd en overal te bezitten!’
(De kant van Swann, Marcel Proust)

Ja, jaloezie is bezitterig. Het zijn enkelingen die eraan lijken te ontsnappen. Onthechte zielen, die er op een jaloersmakende – ha! – manier in slagen zelden of nooit de slaaf van hun emoties te worden. Maar het gros van de mensheid wordt vroeg of laat met de neus op een dubbele en zeer tegenstrijdige waarheid gedrukt. We zijn niet gemaakt voor levenslange monogamie; vrijwel iedereen heeft weleens zin in een ander of wordt simpelweg verliefd. Maar velen vinden de gedachte, alleen nog maar de gedáchte, dat dit ook voor hun partner geldt moeilijk te verteren.

Dat jaloezie niet per se verkeerd is, vertellen relatietherapeuten eensgezind. Wel integendeel: de liefde kan niet zonder jaloezie. Dat het een alarmbel is voor de relatie, een waarschuwing voor mogelijk gevaar. Dat het de liefde zelfs ten goede kan komen, zolang het maar gezond blijft. Binnen de perken. Want er is natuurlijk jaloezie en jaloezie. Psychologen Robert Rydell en Robert Bringle van de universiteit van Indiana (VS) maken onderscheid tussen reactieve en achterdochtige jaloezie. Uit hun onderzoek bleek dat reactieve jaloezie – jaloezie waarvoor een concrete aanleiding bestaat, zoals verliefdheid of seksueel avontuur – het heftigst is bij koppels die een diepgaande vertrouwensband en een sterke wederzijdse afhankelijkheid kennen. De tweede soort jaloezie – de achterdochtige, die puur op al of niet gegronde vermoedens gebaseerd is – zou niet zozeer verband houden met de kwaliteit van de relatie, maar wel met persoonlijkheidskenmerken als onzekerheid en een zwak gevoel van eigenwaarde. De Nederlandse psychologe Pieternel Dijkstra voegt er in haar boek ‘Jaloezie. Omgaan met jaloerse gevoelens’ nog een derde type aan toe: de preventieve jaloezie. Jezelf op je voordeligst presenteren, je partner in de watten leggen op elk vlak – en zeker ook seksueel, moet helpen om elke verleiding van buitenaf te counteren. Een boost voor de relatie, als het even meezit. Maar controlerend en verstikkend als het te ver dreigt te gaan.

’Hij was jaloers op haar toekomst, en zij op zijn verleden.’
(Venusdelta, Anaïs Nin)

Jaloers op wat zij nog aan opwindends op haar pad zal krijgen, jaloers op wat in zijn herinneringen leeft: hoe zinloos kan jaloezie zijn? En waarom we dan met dat ellendige gevoel opgescheept moeten zitten, vraagt een mens zich af. Puur evolutionair bekeken klinkt het verhaal simpel: een kwestie van de genen succesvol door te geven. De oerman was beducht voor seksuele concurrentie van andere mannen, waardoor hij riskeerde een ander kroost dan het zijne te zien geboren worden. Voor de oervrouw was het dan weer zaak ervoor te zorgen dat de kinderen hun fragiele eerste levensjaren doorkwamen. Een vader die in het levensonderhoud van het gezin kon voorzien, verhoogde de overlevingskans van de kinderen aanzienlijk. Om die reden zouden mannen ook nu nog sneller last hebben van jaloezie wanneer hun partner met een ander vrijt, terwijl vrouwen het vooral moeilijk zouden hebben wanneer hun partner een intieme, emotionele band krijgt met een andere vrouw. Maar recente studies zetten de evolutionaire waarheid op de helling. Onderzoekers van de Humboldt-universiteit in Berlijn stelden bijvoorbeeld vast dat er nauwelijks nog verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen inzake seksuele jaloezie. Sterker: bij de vrouwelijke deelnemers aan het onderzoek was de seksuele jaloezie zelfs iets groter dan bij de mannen. Het tweede luik van het evolutionaire verhaal, werd wel bevestigd: vrouwen bleven onverminderd sterker reageren op emotionele ontrouw dan mannen.
Nog meer man-vrouwweetjes? Socioloog Richard Felson van de Universteit van Pennsylvania (VS) bestudeerde moorden, aangevuurd door jaloezie. Hij stelde vast dat mannen hun jaloerse agressie vooral op hun rivaal richten, terwijl jaloerse vrouwen het veeleer op hun eigen partner gemunt hebben.

’Ik weigerde te geloven dat liefde een andere vorm kon aannemen dan die van mij: ik mat liefde af aan de omvang van mijn jaloezie, en dat betekende natuurlijk dat ze helemaal niet van mij kon houden.’
(Het einde van het spel, Graham Greene)

Een mens die gevangen zit in zijn gevoelens, heeft de neiging om zichzelf tot norm te verheffen. Vooral als dat gevoel zo knellend en onontkoombaar is als jaloezie. ‘Ik kan niet anders, dus zo werkt het nu eenmaal.’ Als we aannemen dat die veralgemening klopt, lijken we minder schamel en zwak, hoeven we ons misschien niet schuldig te voelen of te schamen voor dat bloedrode beest. Maar klopt het? Zou jaloezie ook niet, al was het maar gedeeltelijk, cultureel bepaald kunnen zijn? Sociologe Margaret Mead deed indertijd hard haar best om te bewijzen dat het ook anders kon. Ze schreef over gemeenschappen, waarin het normaal was dat een man zijn vrouw of dochter aanbood aan een andere man. Over polygame samenlevingen, waarin nieuwe vrouwen ‘verwelkomd’ werden door de anciens. Lichtend voorbeeld was de bevolking van Samoa, bij wie jaloezie zelden of nooit voorkwam, volgens Mead. Vele jaren later bleek dat ze de waarheid meer dan eens geweld had aangedaan, en dat haar beweringen over Samoa niet helemaal klopten.
Vandaag nemen onderzoekers doorgaans aan dat jaloezie van alle tijden en van overal is, maar dat de manier waarop we die invullen en de manier waarop we ermee omgaan, cultureel bepaald is. Neem nu dat oude Hebreeuwse gebruik, waarbij een weduwe kon hertrouwen met de jongere broer van haar overleden man. En zelfs bij leven van haar echtgenoot een affaire met die jongere broer mocht hebben, zonder dat dit aanleiding gaf tot jaloezie. Anders was het wanneer de vrouw een liaison zou aangaan met de oudere broer van haar man: dan stak de jaloezie onvermijdelijk de kop op.

‘Rendall’s eerst wet van de jaloezie: jaloezie maakt de pik harder en de kut natter.’
(Hoe red ik mijn eigen leven, Erica Jong)

Lang geleden schreef de Nederlandse filosoof Ger Groot een essay over hoe overspel niet alleen machteloze woede oproept, maar tegelijk een erotiserend effect kan hebben op de verbeelding van de bedrogene. Omdat we het niet kunnen laten ons keer op keer voor te stellen hoe die minnaars er samen uitzien, wat ze doen en hoe ze het doen. Een zelfkwelling, waarmee we de wonde openhouden en tegelijk onze eigen begeerte aanwakkeren. Want ‘gekwetst toezien is wat de bedrogene aan de geliefde bindt, en daarom mag die kwetsuur niet verdwijnen’.

Los van het erotiserende effect dat Groot suggereert, is die zelfkwelling – het moeten weten, tot in de kleinste details, hoeveel pijn het ook doet – voor velen herkenbaar. In ‘Scènes uit een huwelijk’ van Ingmar Bergman wil Marianne, de bedrogen echtgenote, dat haar man haar vertelt over zijn liefje. ‘Ik wil weten hoe ze is. Het is veel erger om je iemand voor de geest te halen die geen contouren heeft.’ Ze krijgt een foto te zien – ‘Ontzettend mooie borsten, lijkt me. … Verft ze haar haar? Ze heeft een aardige glimlach. Hebben jullie het goed in bed?’ En zo krijgt ze het noodzakelijke en tegelijk ondraaglijke verhaal te horen over de verliefdheid van haar man en zijn seksuele relatie met zijn minnares. Het niet willen weten, en het tegelijk moeten weten. Omdat de jaloezie, om welke duistere reden ook, daardoor net iets hanteerbaarder wordt.

‘U hebt nooit jaloezie gevoeld, is het niet, Miss Eyre? Natuurlijk niet: ik hoef de vraag niet te stellen, omdat u nooit liefde hebt gevoeld. U moet beide gevoelens nog ervaren. De schok die ze zal wakker maken, moet nog komen.’
(Jane Eyre, Charlotte Brontë)

(Dit is de integrale versie van de tekst die ik voor De Standaard Weekblad van 24 november 2012 scheef – themanummer Jaloezie in de reeks Grote Gevoelens. Titel in het weekblad luidde ‘Jaloezie maakt de pik harder’)

Sprookjes zonder tanden

Papaatje mag niet meer slaan en Sinterklaas moet Zwarte Piet en de roe thuis laten. De populaire kindercultuur wordt steeds liever en zoeter, de kloof met de werkelijkheid almaar groter. Hoe goed we het ook bedoelen, er is een schaduwkant aan de verzoeting.

Papegaai is ziek en hij zal… eventjes aan de baxter moeten maar niet lang hoor en als hij braaf is krijgt hij een lolly en dan mag hij weer naar huis. Ik kon niet anders dan hardop lachen toen ik dit Facebookbericht van Eva Mouton las. In al zijn eenvoud illustreert het perfect de absurditeit van onze tomeloze drang om kinderen tegen zowat alles te beschermen. Tegen stoutheid, tegen de boze buitenwereld, tegen pijn en verdriet en werkelijkheidsbesef. We koesteren de illusie dat we het leven kunnen hertekenen. Dat we de wereld kunnen herscheppen in een Kinderparadijs. Een zoete, veilige cocon waarin woorden als slaan en dood niet bestaan en waarin de geringste suggestie van naaktheid of seks geweerd wordt. Het is een wereld waar iedereen altijd lief is voor kinderen, met verhalen die in de beste Disneytraditie een happy end kennen, begeleid door aanzwellende violen en triomfantelijk kleppende kerkklokken. Geen mens die eraan twijfelt dat dit allemaal gebeurt vanuit de beste bedoelingen. Er spreekt zorg en liefde uit. Maar het is niet helemaal eerlijk. De kloof tussen de populaire kindercultuur en het echte leven wordt almaar groter, en daarmee bewijzen we onze kinderen geen dienst.

Weg met de roe

Aanleiding voor het Facebookbericht van Eva Mouton was het ‘Versjes- en rijmpjesboek’ van Kaatje van Ketnet, waarin het liedje ‘Klein klein kleutertje’ nog een stuk braver wordt dan het al is. Mamaatje mag niet meer kijven, papaatje mag niet meer slaan. In de plaats daarvan wordt – net zoals in Nederland het geval is – mamaatje met aandrang gevraagd te liegen – of juister: kattenkwaad te verzwijgen – tegen papaatje. Dat liegen nu ook niet bepaald stichtend is, merkte Mieke Syryn, lector Muzische Vorming, terecht op in DS van 6 november. Bovendien suggereert het evengoed dat papaatje een bruut is.

Volgens VRT-woordvoerder Björn Verdoodt heeft de nieuwe versie van het liedje niets te maken met censuur, maar reflecteert het de tijdgeest. Over het eerste kan gediscussieerd worden, het tweede lijkt in elk geval te kloppen. Want precies rond deze tijd verschijnt ook de Sinterklaas-cd van Kathleen Aerts, beter bekend als de vroegere blonde van K3. Ook bij haar wordt alles wat kinderen enigszins kan verontrusten weggefilterd. ‘Ik wou Lewis (haar zoontje – nvdr) al wat voorbereiden op Sinterklaas en had een paar Sinterklaas-cd’s gekocht die aan de kassa lagen’, vertelt ze in Het Nieuwsblad. ‘Toen ik die liedjes hoorde, viel me toch weer op hoe schrikwekkend die teksten soms zijn. Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe… Ik werd daar als kind zelf ook bang van, van de Zwarte Pieten vooral. Daar wil ik nu liever een positieve boodschap meegeven: de Sint is een goedheilig man die voor iedereen cadeautjes brengt.’ Alle kindjes zijn dus braaf, ook de stoute. Geen roe meer om het stof uit hun ondeugende broekjes te kloppen (wat klinkt dat fout in deze tijd), geen stinkende jutezak om ze de stuipen mee op het lijf te jagen – o, wat daverde ook ik van angst voor die zak, jazeker, maar een trauma heb ik er niet aan overgehouden. En liefst geen Zwarte Pieten meer, want die zijn griezelig. (Misschien kunnen we nu meteen gaan bakkeleien over hoe politiek correct dat is. Maar dat is voor een andere keer)

Weg met pinda’s en dwergen

Is er dan echt geen sprake van censuur? Ik betwijfel het sterk. Misschien moet ik beginnen met een verhaal dat zich veilig ver van huis afspeelt. In de VS bijvoorbeeld, want in Europese ogen durven die Amerikanen hun gevoel voor maat al eens te verliezen. Vooral als het over kinderen gaat. Uitgevers van schoolboeken kunnen ervan meespreken. Het verminken van klassieke kinderverhalen is er vaste prik geworden. Geen enkel kind mag het gevoel krijgen dat het minder waard is dan een ander. Schrappen dus, dat verhaal waarin pinda’s gegeten worden, want sommige kinderen zijn daar allergisch voor. Naar de prullenmand met dat verhaal over dwergen, want dat is te pijnlijk voor kinderen die aan dwerggroei lijden. Muizen, luizen, ratten, kakkerlakken en slangen: weg ermee! Veel te eng. Kinderen krijgen er misschien wel nachtmerries van. Ook verjaardagsfeestjes kunnen niet meer, want in sommige godsdiensten worden die niet gevierd. Als die kinderen moeten toekijken hoe een ander wél cadeautjes krijgt en plezier maakt, voelen ze zich vast dubbel ellendig. Het resultaat: brave, onschadelijke schoolboeken, geen spat aanstootgevend. Maar zielloos en oeverloos saai.

Weg met piemels, uiers en slipjes

Ook alles wat zelfs maar van ver aan naaktheid of seks zou doen denken, moet eraan geloven. Europese illustratoren die af en toe voor de Amerikaanse markt werken, kunnen ervan meespreken. De Duitse Rotraut Susanne Berner weigerde ooit een minuscuul piemeltje in een kinderboek te overschilderen en zag zo een lucratieve deal met een Amerikaanse uitgeverij aan haar neus voorbijgaan. En onze eigen Ingrid Godon kreeg van haar Engelse uitgever, die ook op de Amerikaanse markt mikt, het dwingende verzoek in het prentenboek ‘What shall we do with the Boo-hoo baby?’ een koe zonder uier te tekenen. Ze gaf toe omdat het haar goed uitkwam, zo’n halve koe. Dat schiep meteen ruimte voor andere dingen. Het boek met de uierloze koe kent inmiddels 40 vertalingen. ‘Met uier zouden het er wellicht een pak minder geweest zijn’, beseft Ingrid Godon.

Het regent in Amerika, en hier doet het inmiddels meer dan alleen maar druppelen. Kinderen en seks, of zelfs maar naaktheid: het is ook bij ons een lastige evenwichtsoefening geworden. Dutroux en de verhalen over kindermisbruik in alle geledingen van de samenleving zijn hier – ik druk me voorzichtig uit – niet vreemd aan. Vorig jaar schreef ik, naar aanleiding van de dood van Marcel Marlier, voor de letterenbijlage van deze krant een column over Tiny’s slipje. Mijn zoon had zich met een groepje vrienden en vriendinnen kostelijk geamuseerd met het doorbladeren van oude Tiny-albums: al die meisjes die zich toevallig bukken, waardoor hun broekje tevoorschijn komt! De conclusie van het groepje prille twintigers was eensluidend: dat zou vandaag niet meer kunnen. Ik vrees dat ze gelijk hadden. En dat vond ik verwarrend. Porno alom, maar een getekend kinderslipje is te geil? Het symboliseert hoe groot de kloof tussen de populaire kindercultuur en de werkelijkheid is.

Als je je maar lekker voelt

Lang geleden trok de Nederlands-Israëlische historica en pedagoge Lea Dasberg in haar boek ‘Grootbrengen door kleinhouden’ van leer tegen wat ze het ‘jeugdland’ noemde, een kunstmatige parallelwereld waarin kinderen zich alleen maar met zichzelf en hun eigen genoegens hoeven bezig te houden. Niet verwonderlijk dus dat ze als jongvolwassene geen zin hebben om als betrokken burger hun intrede te doen in de grote wereld, vond ze. In 1993 vertelde ze in een interview: ‘De terechte bescherming is in deze eeuw te ver doorgeschoten in het isolement van het kind. Uit angst het kinderzieltje te beschadigen, krijgt het nu helemaal geen indrukken meer te verwerken…. De enige norm die zij meekrijgen is: als je je maar lekker voelt. Dat is onvoldoende.’

Dasberg lijkt vandaag een roepende in de woestijn. Maar ze had een punt, al denk ik dat er meer speelt dan koudwatervrees voor plicht en verantwoordelijkheid. Hoe goed onze bedoelingen ook zijn, het zonnige Kinderparadijs heeft meer dan één schaduwkant. Leren omgaan met frustraties, met tegenslagen, met pijn: het hoort bij het leven. Dit is geen pleidooi voor een terugkeer naar de stichtelijke kindercultuur van weleer, met boeken als ‘Struwwelpeter’ van Heinrich Hoffman, waarin de duimen van het hoofdpersonage afgeknipt worden omdat hij het duimzuigen niet kan laten. Zo bloederig hoeft het echt niet. Maar kinderen koste wat het kost weghouden van alles wat ze uit hun comfortzone haalt, zorgt vermoedelijk voor een lagere frustratiedrempel op het moment dat ze hun intrede moeten maken in de echte wereld. Wie de winter nooit gekend heeft, kan niet tegen de kou.

Echt leven

Maar er is ook nog die andere, bijzonder duistere schaduwvlek. Voor een aanzienlijke groep kinderen bestaat Kinderparadijs niet. In 2011 kregen de Vlaamse en Brusselse Vertrouwenscentra 7.163 meldingen – over 10.188 kinderen – van vermoedelijke mishandeling en/of verwaarlozing. Een kwart daarvan ging over seksueel misbruik. Niet alle gevallen van mishandeling of verwaarlozing worden gemeld, dus wellicht zijn de echte aantallen nog een stuk hoger. Drie tot acht procent van de kinderen wordt ernstig gepest. Bij een kleine helft van hen zal dat leiden tot blijvende emotionele littekens, die door psychologen vergeleken worden met een oorlogstrauma. Een veelvoud van die kinderen zal in de loop van zijn jonge leven een naaste verliezen of de speelbal worden in een pijnlijke echtscheiding. Ze kunnen ziek worden en heel soms zullen ze ook sterven voor ze volwassen zijn. Je zult maar zo’n kind zijn in een wereld waarin het in elk verhaal en elk liedje alleen maar feest is.

Neen, ik wil de pret niet drukken. Ik wil geen spelbreker zijn. Ik hoor het u denken: gun ze toch wat lol, laat ze ontsnappen en wegdromen! Dat mogen ze voor mijn part, als het kan helpen. Ik wens elk kind vanuit de grond van mijn hart liedjes en verhalen met ruimte voor vrolijkheid, lichtheid, lucht en leven toe. Echt leven, als het even kan.

(verschenen in de rubriek ‘Op scherp’ in De Standaard van 10 november 2012)

Tiny’s slipje

Naar aanleiding van mijn essay in wording over de kloof tussen kindercultuur en werkelijkheid, viste ik de column op die ik na de dood van Marcel Marlier voor De Standaard der Letteren schreef.

Mijn droommeisje is dood. Mee het graf in met Marcel Marlier, de man die haar en haar karamellen wereld vormgaf.

Tiny was de ongekroonde prinses van het land van melk en honing. Lief, mooi, slim en multigetalenteerd. Een beetje een trut, dat wel. Zo braaf en volmaakt dat ze onuitstaanbaar had moeten zijn. Maar ik was gek op Tiny, bewonderde haar, wilde zijn zoals zij. Dat is vreemd, want poppen die er te zoet en te perfect uitzagen, kleedde ik genadeloos uit. Of ik gaf er een paar meppen op. Toen was ik drie of zo. Ach ja, die poppen waren ook zo leeg en stom, terwijl Tiny geweldige dingen meemaakte. Verre reizen, paardrijden! Of heel gewone dingen, zoals koken en moedertje spelen, maar dan wel in een majestueus decor.

Toen ik zeven was, moest ik voor het eerst een opstelletje schrijven. Een soort verhaaltje, had ik begrepen. Ik pleegde schaamteloos plagiaat, en schreef: ‘Het is nacht. Buiten glinsteren de sterren, de bloemen rusten en de bomen slapen.’ Het waren de beginzinnen uit Tiny in het circus, en ik vond ze hartverscheurend mooi. De juffrouw kon er niet mee lachen.

Onlangs vertelde mijn zoon hoe hij met een groepje vrienden en vriendinnen had zitten gieren om Tiny. ‘Die slipjes! Hoe ze zich altijd toevallig bukt: dat zou nu toch niet meer kunnen.’ Het is verdorie nog waar ook. Gerda Dendooven — zo ongeveer de Vlaamse meter van Tiny — merkte ooit op dat Marlier de venusheuveltjes van kleine meisjes wel goed bestudeerd moest hebben. Tiny op ballet zou vandaag wellicht geen uitgever meer vinden. Te pornografisch. Was mijn droommeisje een prikkelpop? Het bracht een andere verre herinnering terug. Hoe ik als kind keer op keer naar dat plaatje wilde kijken van Tiny op de glijbaan, met dat opwaaiende jurkje. Mijn ogen haakten zich vast aan dat slipje. Het was zo mooi en zo wit en waarom kreeg ik het toch altijd zo warm als ik het zag? Niet behaaglijk of gezellig warm. Veeleer lekker warm, ergens tussen mijn benen. En toch. Wie seks en kinderen in één zin denkt of noemt, voelt zich algauw een viespeuk.

Eerlijk? Ik ben in de war. De zoete, onschuldige Tiny, gecreëerd in zoete, onschuldige tijden, bevatte prentjes waar geen hond aanstoot aan nam. Vandaag is het mechanische pompen en hijgen van porno maar een muisklik weg, maar Tiny’s slipje is te geil. Seks is overal. Seks is nergens. Als het over kinderen gaat. Of liever: dat zouden we wel willen.

(verschenen in De Standaard der Letteren op 28 januari 2011)

Saai is het nieuwe interessant

Saai is vooral wat we niet willen zijn. We sloven ons uit om zo origineel en gepassioneerd mogelijk uit de hoek te komen. Tot de overprikkeling ons versuft en een vreemd verlangen de kop opsteekt: een verlangen naar verveling. Verveling kan nuttig en interessant zijn.

Verveling moet een kinderziekte zijn, wil de mythe. Wij, volwassenen, vervelen ons niet. Als het wél gebeurt, dan vinden we dat een beetje genant. Want zie ons zitten, te midden van die oceaan van verbluffende tentoonstellingen, meeslepende boeken, boeiende reisbestemmingen, schitterende films en theatervoorstellingen, leuke tv-programma’s en – last but not least – sociale netwerken als Facebook en Twitter die onze hersenen permanent prikkelen, op zoek naar de volgende gevatte anekdote of retweetbare quote. Wie zich in zo’n overdadige wereld verveelt, is die niet gewoon een dooie diender?

Saai is wat we vooral niet willen zijn. Dat reflecteert zich in hoe we ons in het openbaar profileren, maar ook in ons taalgebruik.

Een plezierig tijdverdrijf, een leuke job of elk ander aardigheidje waar mensen zich onledig mee houden, heet tegenwoordig standaard ‘een passie’. Wie passie heeft, geeft blijk van een sprankelende persoonlijkheid. Wie passie heeft, is interessant. Wie dat niet heeft, is een treurige plant.

En toch heeft het gevoel dat er zo ontzettend veel boeiends te zien en te beleven is soms een vervlakkend, bijna verdovend effect: alle prikkels zijn even sterk, waardoor het bijzondere banaal dreigt te worden. Het kan gebeuren tijdens het doorbladeren van het cultuuraanbod voor het komende najaar, een bezoek aan een museum van het kaliber Louvre of tijdens een zoveelste blik op Twitter: het gevoel dat het te veel wordt, dat je eigenlijk zou moeten ontsnappen. En lap, daar is ze dan. Genadeloos prangend, de leegte die je vult met een dofheid die bijna pijn doet: de verveling.

Post-coïtale tristesse

De saaie waarheid is dat we collectief aan zelfbegoocheling lijden. Verveling is geen kinderziekte, maar vermoedelijk wel een welvaartsziekte. De Nederlandse hoogleraar en filosoof A.W. Prins wees er in zijn dissertatie Over verveling terecht op dat we ons enkel vervelen wanneer het ons goed gaat. Wie met de dood bedreigd wordt, honger lijdt of in de rouw is, verveelt zich niet. Maar precies in onze overdaad en de niet-aflatende pogingen om ons te vermaken, vervelen we ons te pletter. Of, zoals de Britse schrijver en journalist Ian Sansom het mooi verwoordde: de veelheid leidt naar ‘een toestand van voortdurende post-coïtale tristesse’.

Neurologisch tekort

Verveling heeft een bijzonder slechte reputatie. Voor de eerste christenen was ze een van de zeven doodzonden. Verveling was niets meer dan luiheid, en moest bestraft worden. Volgens Kierkegaard was verveling ‘de wortel van alle kwaad’. En ook vandaag wordt ze met de vinger gewezen, als aanstichtster van vandalisme en overspel bijvoorbeeld. Volgens biologe en wetenschapsjournalist Anna Gosline dreigen we ons letterlijk dood – of, bij nader inzien, op zijn minst ziek – te vervelen. In een artikel in Scientific American betoogde ze dat wie zich chronisch verveelt een verhoogd risico loopt op depressie, angststoornissen, drugs- en alcoholverslaving, dwangmatig gokken, eetstoornissen, gevoelens van woede en vijandigheid, povere sociale vaardigheden, slechte schoolresultaten en dito werkprestaties. Een te laag dopaminegehalte in het brein zou mensen ertoe aanzetten hun toevlucht te zoeken tot genotmiddelen. Strikt genomen lijden de immer verveelden (die een saai imago hebben) en de avonturiers of sensatiezoekers (die een interessant imago hebben) aan hetzelfde neurologische tekort.

Zou het gêne zijn waardoor een universeel en in wezen interessant fenomeen als verveling zo zelden op zijn merites onderzocht is? Waardoor filosofen zich wel verwaardigden er interessante uitspraken over te doen, maar wetenschappers de verveling zo vaak achteloos links laten liggen? Waardoor we er vooral tegen willen vechten omdat we haar liever niet in de ogen willen kijken?

Ook dat laatste is trouwens van alle tijden. In het Zuid-Italiaanse stadje Benevento staat een muur met een Latijnse inscriptie uit de derde eeuw: een teken van erkentelijkheid voor Tanonius Marcellinus omdat hij ‘de bevolking redde van eindeloze verveling’. Blaise Pascal schreef in de zeventiende eeuw dat ons gevecht tegen verveling niet meer is dan een gevecht tegen het besef van sterfelijkheid. Driehonderd jaar later noemde Martin Heidegger verveling een oefening in de kunst van het leeg blijven. Wie het nietsdoen probeert te bedekken, ontloopt zichzelf. Met andere woorden: wie bang is voor verveling, is bang voor de confrontatie met zichzelf.

Afgelopen voorjaar verscheen Boredom: a lively history, waarin de classicus Peter Toohey op zoek gaat naar de ziel van verveling in de geschiedenis: in kunst, literatuur en filosofie. Verveling en verveling zijn twee, stelt hij. De simpele verveling – het soort kinderlijke verveling dat bij nietsdoen hoort – is prima: ze stelt ons in staat om te dromen en te fantaseren. Het is wat Nietzsche ‘de onaangename windstilte van de ziel’ noemde, die aan het creatieve proces voorafgaat.

Kwelling

De tweede vorm van verveling – typisch voor volwassenen – is kwalijker. Het is een kwelling. Een combinatie van chronische verveling, depressie, een gevoel van overdaad en overbodigheid, frustratie, afkeer, onverschilligheid, apathie. Het gevoel ook opgesloten te zitten in die kwelling. En misschien komen we pas in deze ziekelijke toestand van verveling terecht, als we de simpele, kinderlijke verveling negeren.

Pas als we ophouden verveling te zien als iets triviaals, als iets kinderachtigs, pas als we erkennen dat verveling een essentieel onderdeel is van de menselijke beleving, zullen we in staat zijn er constructief mee om te gaan. Verveling is een nuttig signaal: net zoals afkeer er ons bijvoorbeeld van weerhoudt rotte vis te eten, zo maakt verveling ons duidelijk dat bepaalde omstandigheden slecht zijn voor ons welbevinden. De voor de hand liggende populaire remedies wijst Toohey resoluut af: de afleiding en vergetelheid die genotmiddelen, seks of reizen kunnen bieden, vindt hij te vluchtig en oppervlakkig. Muziek, beweging en sociaal contact acht hij veel duurzamer en dus heilzamer.

Het hele verhaal over verveling door overprikkeling, schreeuwt bijna om rust en bezinning. Sabbatjaren zijn nog steeds in zwang, en dat is niet verwonderlijk. Maar A.W. Prins merkt terecht op dat zo’n sabbatical alleen maar zin heeft als de bezinning het doel is. In de praktijk is het bezinnen voor velen niet meer dan een middel, om er daarna weer dubbel zo hard tegenaan te kunnen gaan. We hebben nood aan tegengas. Aan vertraging, zonder dat we die per se inplannen. En dan is het zaak de zintuigen open te zetten en verrast te worden door wat op ons pad komt.

Ogenschijnlijke banaliteit

James Ward, een jonge Brit, raakte enkele jaren geleden al gefascineerd door de schoonheid van verveling. In 2009 startte hij een blog, I like boring things, waarin hij focust op ogenschijnlijke banaliteiten: de hoeveelheid balpennen die in een bepaalde winkel gebruikt worden, hoe affiches precies zijn samengesteld, op welke manier mensen het vaakst een café binnenkomen en waar ze het gemakkelijkst blijven stilstaan om te praten met anderen. Het lijkt absurd, maar Ward ziet het anders: ‘Iets kan zo ongelooflijk saai lijken, maar dan bereik je het punt waarop het kantelt en het juist fascinerend wordt.’ Als liefde en haat twee kanten van dezelfde medaille zijn, dan geldt dat ook voor saai en interessant, vindt hij. Het hangt er maar vanaf hoe je de dingen bekijkt.

Wat Ward doet, is misschien wel een vorm van meditatie. Er zit iets bijzonder rustgevends in het focussen op bijna niets. Het is een variant op het eindeloze wolken kijken dat we allemaal wel kennen: op de rug liggend staren naar de witte slierten tegen de hemel, er dieren, mensen of voorwerpen in herkennen, misschien wel verhalen verzinnen. Of andersom: met de neus in een klaverbed zoeken naar dat ene, onvindbare klavertjevier en ineens getroffen worden door de noeste arbeid van mieren die samenwerken om een reusachtige broodkruimel naar hun nest te brengen. Of een druppel uitkiezen op een beregend raam, en kijken welke route hij volgt en welke andere druppels hij meeneemt op zijn pad. Het zijn allemaal dingen die geen enkele zin hebben, behalve dat ze een weldadig soort rust teweegbrengen.

Parkingdaken

James Ward was benieuwd of hij zijn fascinatie voor verveling ook met anderen zou kunnen delen. In december 2010 organiseerde hij zijn eerste conferentie: Boring 2010. In een mum van tijd waren de 200 tickets uitverkocht. Het programma bestond uit uiteenzettingen – zeven uur in totaal – met titels als ‘De ongrijpbare schoonheid van parkingdaken’, ‘Mijn ervaring met busroutes’ en ‘Persoonlijke reflecties op het Engels ontbijt’. Een spreker bracht verslag uit over het aantal keren dat hij geniesd had de afgelopen drie jaar (2.267 keer) en een ander noemde langzaam alle 415 kleuren uit een verfcatalogus op, in alfabetische volgorde. Tussendoor mochten de deelnemers helpen bij het leggen van een duizend stukken tellende puzzel.

De deelnemers waren enthousiast: in een wereld van overprikkeling, wordt verveling opnieuw iets om bewust naar op zoek te gaan. James Ward werkt dus volop aan een volgende editie van Boring, die ergens in het najaar van 2011 zal plaatsvinden. De voorstellen stromen alvast binnen. Zoals dat van de man die dolgraag een betoog over de vierkantswortel van twee zou geven. ‘Seriously,’ voegt hij eraan toe, ‘it will be fab.

(eerder verschenen in De Standaard van 6 augustus 2011, later ook in NRC Lux)

Ik ben een gedurig ontroerbare ramptoerist

Kerkhoven en ik, het is een verhaal apart.
Van Gent tot New Orleans, ik weet hoe men zijn doden begraaft. Uren kan ik er rondlopen.
Een bezoek aan Parijs is niet compleet als ik niet even dag gezegd heb aan Simone de Beauvoir, icoon van mijn tienerjaren, op het kerkhof van Montparnasse.
Ik haat sentimentaliteit. Maar ik sta er niet boven.
Het gaat nog verder.
De ‘Lawinentote’, het vervaagde meisje met de pijpenkrullen, het oude paar dat op dezelfde dag heenging: ik wil hun verhaal kennen.
De oudste grafstenen op het kerkhof van Pierre-Perthuis in de Morvan leverden me de namen voor personages in ‘Ik denk dat het liefde was’.

Ik praat met de doden, droom hen levens. En besef dat ze in mijn rare hoofd wellicht interessanter worden dan ze in werkelijkheid waren.
Niets dat zo weemoedig stemt als al die verstilde kleine geschiedenissen, die nooit meer verteld zullen worden.
Ik ben een gedurig ontroerbare ramptoerist.
Ik schrijf.

Vandaag is het 1 november, maar ik zal geen enkel kerkhof bezoeken.
Mijn eigen doden laat ik met rust. De behoefte om ze op een dag als vandaag op te zoeken, is me vreemd. Maar vergeten doe ik niet.
Hoe mijn ene grootmoeder stierf toen ik vijf was, en ik daar bijna vrolijk over kwekte tegen mijn vader.
Hoe mijn tweede grootmoeder doodging toen ik zeventien was en ik een nieuwe en ondraaglijke pijn voelde, die vlijmde en brandde alsof mijn ziel eruit gerukt werd.
Hoe later mijn ene grootvader even stil ging als hij geleefd had.
Hoe ik een dochter op de wereld zette, precies op de dag dat mijn andere grootvader de wereld verliet. ‘Je hebt een achterkleindochter,’ fluisterde mijn moeder nog in zijn oor. We zullen nooit weten of hij het nog gehoord heeft.

Maar veel meer nog dan aan hun dood denk ik aan hun leven. Vooral aan dat van de grootmoeder die stierf toen ik zeventien was. Haar twinkelende donkere ogen. Hoe ze rook. Hoe ze zong en floot en eindeloos vertelde over haar jeugd die zoveel spannender leek dan de mijne. Hoe ze oud en jong tegelijk was. En hoe ze mij na mijn zoveelste waaromvraag lachend het zwijgen oplegde: ‘Curieuzeneuzen en vraagstaartjes!’
Het heeft niet geholpen. Nieuwsgierigheid is nu mijn job.

(Haar naam was Josephine. Zij leeft een klein beetje verder in ‘Wreed schoon’)

De dood, de job van je leven

De dood? Een donkerzwart beest, waar we liefst niet te veel bij stilstaan. Maar voor sommige mensen is het hun dagelijks brood. Een palliatief verpleegkundige, een forensisch patholoog en een directeur van een crematorium gunnen een blik in hun leefwereld.
‘Zonder humor red je het niet.’

Kathleen Vereecken, foto’s Michiel Hendryckx

Nancy Criel, palliatief verpleegkundige

Een prachtige witte labrador is het eerste wat ik zie wanneer de deur van de palliatieve eenheid in het Gentse AZ Sint-Lucas opengaat. Hij krijgt een vrolijke knuffel van een jonge vrouw, die net haar shift heeft afgerond. Uit enkele kamers klinkt rustig gepraat. Een oude man leest zijn krant op het terras. De papegaai in de zitruimte kijkt verontwaardigd om zich heen, zoals alleen een papegaai dat kan. En er is kleur. Meer dan in andere afdelingen van het ziekenhuis, zo lijkt het. Lichtheid is het woord dat meteen door mijn hoofd flitst. Vreemde, enigszins verwarrende lichtheid.

Enkele maanden geleden ontroerde Bronnie Ware, een Australische palliatief verpleegkundige, de halve wereld met haar ‘Top five regrets of the dying’.  The Guardian zette het artikel vol wijze inzichten online en in de weken die volgden werd het stuk massaal gedeeld via Facebook en Twitter. Een pakkende toverformule voor meer levensgeluk, zo leek het. Maar Nancy Criel, verantwoordelijke van de palliatieve eenheid, relativeert:  ‘Mijn ervaring leert me dat mensen zelden spontaan over spijt spreken. Ik vrees dat er veel clichés de ronde doen over het levenseinde. Alsof alles ineens goedkomt wanneer mensen gaan sterven. Alsof ze zich bijvoorbeeld willen verzoenen met diegenen met wie ze altijd in onmin geleefd hebben. Zoiets gebeurt soms, maar eerder weinig. De grote inzichten die in het licht van de dood zouden opduiken: het is een romantische gedachte, maar ze klopt niet. Meestal niet, tenminste. En toch gebeurt er iets moois. Alle maskers vallen af. Bij patiënten en familie. Ze zijn niet meer nodig. Konden mensen maar altijd en overal zo authentiek zijn als hier, denk ik soms.’

Van bij het begin stond vast dat verpleegkunde meer moest zijn dan alleen maar lichamen wassen, bedden verschonen en medicijnen toedienen. ‘Ik heb altijd dieper dan het puur fysieke gekeken. Het warm-menselijke is zo belangrijk voor mij. Jarenlang heb ik als thuisverpleegster gewerkt. Het viel me op dat mensen niet alleen de deur van hun huis voor me openzetten, maar in zekere zin ook de deur van hun leven. Ik luisterde graag naar hun verhalen en ik merkte dat zij ook blij waren wanneer ik er was. Dat ik zelfs voor mensen die stervende waren iets kon betekenen, vond ik bijzonder.’

Maar sterven kan koud zijn, ondervond Nancy Criel toen ze later op de afdeling hartchirurgie werkte. ‘Ik deed dat werk nochtans graag. Ook daar kon ik een verschil maken, voelde ik. Zo’n hartoperatie is ingrijpend, en een luisterend oor is dan meer dan welkom. Maar het af en toe getuige zijn bij een reanimatie ging na verloop van tijd zwaar wegen. Vooral de manier waarop het ging. Soms lukte de reanimatie. Heel vaak lukte ze niet. Hoe dat reanimatieteam telkens weer snel het materiaal bijeenraapte en vertrok, terwijl ik achterbleef met een pas overleden mens, daar had ik het moeilijk mee. De laatste keer staat me nog helder voor ogen. Hoe die gestorven man daar lag, abrupt achtergelaten door het team. Niet meer dan een lichaam, leek het. Terwijl ik alleen maar kon denken: een halfuur geleden leefde hij nog. En zijn familie staat nu te wachten op nieuws. Dat was voor mij een keerpunt. Ik besloot een opleiding palliatieve zorg te volgen.’

Zoals iedereen die dagelijks werkt met Grote Emoties – en bestaat er iets dat groter, intenser en emotioneler is dan doodgaan? – waakt Nancy over de balans tussen oprechte betrokkenheid en professionele afstandelijkheid. Dat lukt, zegt ze. Maar routine wordt het nooit. ‘Sommige mensen blijven langer aan me kleven dan andere. Omdat ze compleet vereenzaamd zijn. Of psychisch ziek. Omdat ze jong zijn. Of omdat ze kinderen hebben die even oud zijn als die van mij. Heel soms krijg ik het emotioneel moeilijk. Niet zozeer om het sterven zelf, maar om het overweldigende verdriet van de familie. Die machteloosheid tegenover hun lijden, vind ik een van de moeilijkste aspecten van mijn werk.’

Dat humor helpt, zegt ze. Tijdens een lastige vergadering er onopzettelijk uitflappen dat de lijken écht wel uit de kast blijven vallen. Waarna een algemeen lachsalvo volgt. Maar ook in het contact met de patiënten primeert lichtheid op zwaarte. ‘Er wordt meer over het leven dan over de dood gepraat. Het gaat over kinderen en kleinkinderen. Over het weer. Over winkelen. Over alles wat alledaags is. En er wordt gelachen, natuurlijk.’

Bij het woord stervensbegeleiding huivert ze. ‘Nooit zou ik dat woord gebruiken. Wij zijn vooral intens met het leven bezig. We zoeken naar manieren om de levenskwaliteit van mensen te verbeteren, hun leven zo zinvol mogelijk te maken. Daaraan mogen meewerken geeft mijn leven op zijn beurt veel zin. Ik heb geleerd op een andere manier naar het leven te kijken. Ik heb leren loslaten. Wat geweest is, is geweest. Alles wat ik heb meegemaakt – of het nu goed of slecht was – heeft me gemaakt tot wie ik vandaag ben. Het heeft geen zin om stil te staan bij het verleden, om terug te blikken en je af te vragen wat je anders had kunnen doen. De verhalen die mensen me vertellen, sterken me in die houding. Ze laten me voelen hoe gelijk we in wezen zijn. Hoe verbonden. Op een dag is het mijn beurt. Het onbekende houdt me bezig.  En het beklemmende besef, waar ik liever niet te lang over nadenk: er helemaal niet meer zijn. Niet meer bestaan, behalve nog een tijdlang in de herinnering van mensen die je gekend hebben.  Tot ook zij dood zijn. Ook dat is weer een oefening in loslaten. En in nederigheid.’

Michel Piette, patholoog

Dat hij aan de kost komt als forensisch patholoog, is toevallig, zegt Michel Piette, hoofddocent in de Gerechtelijke Geneeskunde aan de UGent. Als pas afgestudeerde arts droomde hij van leven en werken in de tropen. Maar bij gebrek aan een geschikte job in den vreemde, volgde hij een opleiding specialist in inwendige ziekten. Hij werkte nog enkele jaren in een polikliniek, tot zijn oom, een Brugse onderzoeksrechter, hem polste.Of hij geen autopsies wilde doen, want er was een gebrek aan forensisch pathologen. Niet lang daarna bood de gerenommeerde gerechtsarts Jacques Timperman hem een job als assistent aan.  ‘Ik heb een paar maanden getwijfeld. Een dokter is in de eerste plaats bezig met het geven van leven. De stap naar werken met de dood was niet evident. Maar als arts inwendige ziekten vond ik het vaak frustrerend dat ik het bestuderen van het ziektebeeld zelf – het wetenschappelijke en labowerk – aan anderen moest overlaten. Het interessantste ging aan mijn neus voorbij, terwijl ik niets liever deed dan onderzoeken en leren. Als patholoog zou ik de kans hebben voortdurend nieuwe dingen bij te leren. Dus besloot ik op het voorstel van professor Timperman in te gaan.’

‘De eerste tijd had ik het niet gemakkelijk. Het onderzoekswerk op zich vond ik geweldig interessant. Maar aan het werken tussen dode lichamen kon ik maar moeilijk wennen. Wanneer ik hier ’s avonds laat in mijn eentje aan mijn doctoraat werkte en toevallig langs de koelkasten met lijken liep, bekroop me altijd een gevoel van onbehagen. Een irrationele angst, ja. En dan was er die steeds weerkerende nachtmerrie. Ik droomde dat ik een autopsie had uitgevoerd bij een man. Ik moest alleen nog zijn lichaam opnieuw dichtmaken. Ineens ging hij rechtop zitten en liep naar me toe. Rénnen dat ik kon in die droom (lacht). Het heeft lang geduurd voor de nachtmerries ophielden. Jaren. Maar ik heb nooit overwogen te stoppen met dit werk. Ik was rationeel genoeg om te beseffen dat zo’n droom niet meer dan een constructie is. De uiting van mijn angstige fantasie.’

Zijn angst is Michel Piette inmiddels kwijt, gelukkig maar. De gezicht van de dood is niet langer akelig. Het is rustgevend. ‘Het lijden is voorbij. Hoe hevig of gruwelijk de doodsstrijd ook was, een dode straalt gelatenheid uit. Tijdens de fase van de lijkstijfheid verkrampen de lachspieren soms, waardoor je de illusie van een glimlach krijgt. Het is artificieel, maar het versterkt wel de indruk van vredigheid.’

‘Een autopsie is eindeloos boeiend. Het is puzzelen. Soms letterlijk, wanneer iemand voor de trein gesprongen is bijvoorbeeld. Maar vaak houdt het speurwerk niet op bij de autopsie. Veel ziekten worden pas zichtbaar na bacteriologisch of toxicologisch onderzoek. Ik hou van dat multidisciplinaire werk. Iedereen leert voortdurend bij. En ik ben nu eenmaal een eeuwige student.
In ongeveer vijf procent van de gevallen moeten we het antwoord schuldig blijven. Meestal is dat bij lijken in verregaande staat van ontbinding . We nemen ons telkens weer voor daar het beste van te maken, in het besef dat de kans op succes zeer klein is. Een gevorderde dood heeft geen menselijk gelaat meer. Geen naam, geen gezicht, vaak zelfs geen herkenbaar geslacht. Je kunt niet anders dan je daarvan distantiëren. Ik ben ertegen gehard. Maar alleen daartegen. Want voor de rest ben ik juist gevoeliger geworden.’

‘Toen ik jonger was, draaide alles om weten en leren. Onderzoek, wetenschap, techniek: ik vond het mateloos fascinerend. Maar naarmate ik ouder word, komt de emotionele, menselijke kant meer bovendrijven. Misschien omdat het werk routine geworden is en ik meer tijd heb om na te denken. Misschien ook omdat een mens zich naarmate hij meer gezien heeft meer vragen gaat stellen. Over de wreedheid en de kwaadaardigheid van de sommige mensen. Jonge mensen die gefolterd en vermoord zijn, dat vind ik het moeilijkste. Ik kan me goed inbeelden hoe vreselijk hun doodsstrijd moet geweest zijn. Waarom, vraag ik me nu af. Waarom moest dit gebeuren? Waar ben ik in hemelsnaam mee bezig? Waar moet het naartoe met deze wereld? Maar het meest aangrijpende wat ik ooit heb meegemaakt, is het blootleggen van de massagraven in Kosovo tien jaar geleden. Dat waren kinderen, oude mensen, onschuldige burgers. We waren er met een internationaal gezelschap, en moesten elkaar overeind houden.’

Ondanks alles noemt Piette zichzelf een optimist. ‘Anders deed ik dit werk allang niet meer. Ik besef dat ik in mijn werk voortdurend met het slechtste van de mens geconfronteerd word. Maar ik zie om me heen nog zoveel mensen die een kern van goedheid in zich hebben. Dat stemt me hoopvol. Stoïcijns denken helpt me om afstand te nemen van het slechte. Ik blijf me afvragen waarom mensen slecht zijn. De lijn tussen goed en slecht is dun. Betere omstandigheden hadden er misschien voor gezorgd dat wie slecht is goed zou geweest zijn. Een naïeve gedachte allicht, maar ze biedt me houvast.’

Kris Coenegrachts, directeur crematorium

Het crematorium Westlede in Lochristi ligt op een uitgestrekt, royaal groen domein. Rouwende gezelschappen stromen toe in de grote ontvangsthal en schuiven aan. Boven de ingang van elke zaal staat op een digitaal scherm de naam van een overledene. De dag is nog maar net begonnen. Wanneer hij voorbij is zal het crematorium tussen de 3000 en 4000 bezoekers over de vloer hebben gehad.
‘De tijd dat cremeren uitsluitend iets voor een kleine, vrijzinnige elite was, is definitief voorbij,’ zegt directeur Kris Coenegrachts. Vandaag kiest meer dan de helft van de Belgen voor crematie. In steden als Antwerpen, Gent en Brugge ligt dat aantal zelfs beduidend hoger.

Toen Coenegrachts 25 jaar geleden de overstap vanuit de welzijnssector maakte, deed hij dat om twee redenen: ‘Het is mooi om zo’n belangrijke verandering in een mensenleven gade te slaan. Hoe mensen omgaan met afscheid, is me onverminderd blijven boeien. Maar ook mijn belangstelling voor technieken en milieu speelt een rol. Onder de invloed van drukkingsgroepen – het nimby-syndroom, weet u wel – is het gerucht gelanceerd dat crematoria milieuonvriendelijk zouden zijn. Klinkklare nonsens. Het menselijk lichaam bestaat grotendeels uit water. En we hebben gesofisticeerde filterinstallaties, waardoor onze uitstoot veel schoner is dan die van uw open haard. De grote verkeersstromen naar de crematoria, die kunnen wel voor vervuiling zorgen. Ons streefdoel is: meer crematoria, zodat niemand meer dan vijftien kilometer moet afleggen om er te geraken.’

Als manager van een middelgroot bedrijf komt Coenegrachts niet meer dagelijks in aanraking met rouwende familieleden. Maar de mensen die dat wél doen, zij die plechtigheden verzorgen bijvoorbeeld, hebben één ding gemeen: ‘Het zijn allemaal mensen met een optimistische levensvisie en het nodige relativeringsvermogen. Levenslustige mensen met gevoel voor humor. Wie dat niet heeft, kan niet met de dood werken. Wie een fascinatie voor de dood heeft en zichzelf als ervaringsdeskundige beschouwt omdat hij bijvoorbeeld een kind verloren heeft, is niet geschikt voor dit werk. Die gaat er binnen de kortste keren onderdoor. Maar wie daar goed mee omgaat, doet dit werk doorgaans bijzonder graag. Dat zie je wel vaker bij mensen die met de dood werken. Ook bij grafmakers. Die merkwaardige liefde voor hun werk, omdat ze het gevoel hebben dat ze iets kunnen betekenen voor mensen in een moeilijke levensfase.’

Trends komen en gaan in de uitvaartwereld. Elk jaar weer duiken spectaculaire nieuwigheden op tijdens vakbeurzen, maar volgens Coenegrachts zijn er maar twee echte trends: ‘De verschuiving van verstrooiing naar begraving van de urne, zodat er iets blijft om naar terug te keren. Maar vooral: plechtigheden worden steeds persoonlijker. Daar waar rituelen vroeger verbondenheid symboliseerden, draaien ze nu vooral om individualiteit. Wij zijn daar zeer ruimdenkend in. Alle muziekgenres kunnen, al frons ik ook wel eens de wenkbrauwen. ‘Tiritomba’ bij het binnendragen van de kist bijvoorbeeld, klinkt nogal potsierlijk. Je ziet ook hoe de aanwezigen zich daar onwennig bij voelen. Het vertalen van oude symboliek naar iets hedendaags werkt ook niet altijd: een erehaag van kinderen met tennisrackets mag dan goedbedoeld zijn, ze werkt op de lachspieren. We proberen daarin bij te sturen, maar uiteindelijk kiezen de mensen zelf. Ook multimedia worden steeds vaker gebruikt. Twee dingen kunnen voor ons absoluut niet: toespraken waarin men afrekent met anderen of politieke boodschappen verkondigt, lezen wij niet zelf voor. Ook verboden symbolen weigeren we.’

‘Bijzonder intens is wanneer de overledene zelf het laatste woord neemt in een filmpje of een stemopname die kort voor de dood gemaakt werd. Ik weet niet of dat altijd zo’n goed idee is. Het kan voor familieleden té emotioneel worden.’

‘Kinderen. Dat is een verhaal apart. Het blijft moeilijk. We hebben altijd aangedrongen op meer aandacht voor doodgeboren kinderen, voor foetussen zelfs. Vroeger werden die gewoon meegegeven met het ziekenhuisafval. Maar nu staan ze hier regelmatig: jonge koppeltjes met een kistje, een schoendoos of een sigarenkistje en een overweldigend verdriet – woede ook, waar ze in hun omgeving soms niet de volle erkenning voor krijgen. Ook mijn medewerkers weten zich daar soms geen raad mee. De heftigheid van de emoties bij kindercrematies raakt iedereen.’

‘De laatste jaren moet ik steeds vaker naar plechtigheden van kennissen en vrienden. Los daarvan ga ik wel eens kijken naar andere plechtigheden, om te zien hoe mijn mensen het doen. Maar ze helemaal uitzitten doe ik nooit meer. Het raakt me te diep. Dat is de keerzijde van die persoonlijke plechtigheden: je krijgt een zodanig duidelijk beeld van de overledene dat je onvermijdelijk wordt aangestoken door het grote verdriet. Ik ken vooraanstaand politici met een enorme kennissenkring, die hier twee tot drie keer per week een crematie kwamen bijwonen. Ik zag hoe het emotioneel aan hen vrat. Niemand houdt dat vol.’

‘Door alles wat ik hier zie, heb ik een nog grotere gevoeligheid voor mijn familie gekregen. Maar mijn angst is navenant. Ik zie hier zoveel verkeersslachtoffers, dat ik de neiging heb mijn kinderen en kleinkinderen te overbeschermen. Ik maak me verschrikkelijk kwaad in die banalisering van het gevaar op de weg, in de discussies over het opheffen van de maximumsnelheid.’

Vooruitdenken naar zijn eigen dood doet Kris Coenegrachts niet. ‘Ik ben een hevige atheïst. Ik geloof dat het leven dan gewoon gedaan is. En verder leef ik in het nu en probeer ik op mijn gezondheid te letten. Hoe mijn afscheid eruit moet zien? Couldn’t care less. Ze doen maar. Mijn ijdelheid reikt niet ver genoeg om me daarmee bezig te houden. Mensen willen soms te zeer te regisseur van hun eigen afscheid zijn. Ik vind dat een foute inschatting. Het enige wat écht telt is de behoefte van degenen die achterblijven.’

(verschenen in De Standaard Weekblad van 27 oktober 2012)

Hier zal ik wonen. U mag me twee minuten uitlachen.

Drie dagen en nachten lang. Dobberend op de Leie in een authentieke Bengaalse sloep, hartje Gent. Er is geen verwarming, elektriciteit of sanitair. Mijn computer, gsm en boeken (ja, zélfs boeken) laat ik thuis. Alleen mijn schriftjes en pen gaan mee.
De boot is afgedekt, gelukkig maar. Daar hebben eerstejaarsstudenten architectuur in 2009 – toen liep de eerste editie van dit Belmundo-festival – voor gezorgd.

Oké, u mag me twee minuten uitlachen. Ik weet het: ik ren gejurkt en hooggehakt door het leven. Ben verzot op dampende baden met aromatische oliën, potjes en flesjes met geurige smeersels. Op praten, lachen, eten, drinken. Op lezen en bewegen. Op warmte. O ja, warmte!
Het zal me leren, verwend nest.
Net als vijf andere schrijvers na mij, zal ik aan den lijve moeten ondervinden hoe sober en armoedig veel mensen in Bangladesh leven. En precies de soberheid zou me moeten inspireren om te creëren.

Ach, laten we maar eerlijk zijn: dit is een luxe-afzondering. Ik zal sober eten, maar ik weet zeker dat er eten zal zijn. Ik zal alleen zijn, maar ik weet zeker dat ik terugkeer naar de bewoonde wereld. Ik hoef, in tegenstelling tot de Bengalen, geen dagelijks gevecht te voeren om te overleven. Ik hoef niet bang te zijn dat mijn kinderen van honger zullen sterven, dat elke tegenslag meteen het einde kan betekenen, van alles. Mijn grootste zorgen zullen banaal zijn. Zal ik geen last hebben van het gebrek aan beweging? Zal ik me vervelen? Zal ik het warm genoeg hebben? En hoe zit het met het lawaai van de werken aan de Grasbrug? Toch maar oordopjes meenemen, misschien?
Verder hoef ik alleen maar na te denken en te schrijven.
Ik zei het al: ik ben een verwend nest.

Lachyoga: één-twee-drie, hahaha!

Foto: Katrijn Van Giel

Ooit leverde het me, samen met mijn beste vriendin, een strafstudie op wegens ‘verstoring van de les, zelfs na herhaaldelijke waarschuwingen.’ De slappe lach. Zo’n heerlijke, irritante, uitputtende, maar absoluut onbedwingbare, dwaze lach, begonnen om niks. Of toch: om een paar oorclips die we op minder evidente plekken op ons gezicht en ons lichaam vastgezet hadden. En toen was er geen houden meer aan. Dertien waren we. Terwijl de rest van de klas ons met een weifelend glimlachje om één mondhoek aankeek en de lerares van geïrriteerd over boos naar woest evolueerde, kregen we het alleen maar kwader. Hikken, gieren, naar adem happen, naar elkaar wijzen, tranen wegvegen, onze buik vastgrijpen, kreunen, even inademen, naar elkaar kijken en weer van voren af aan beginnen. We wilden heus ophouden, maar het wilde echt niet lukken.

LACHEN ZONDER GRAP

Om maar te zeggen: ik lach graag. Nog steeds. Logisch geredeneerd zou een sessie lachyoga een kolfje naar mijn hand moeten zijn, al lijkt de gedachte op commando te moeten lachen een beetje vreemd. Ik voel enige gêne en een lichte opstandigheid, ben die dag niet meteen in de juiste stemming, maar wil niet onsportief zijn. Lachleraar Luc Van Imschoot is immers een joviale en sympathieke man – hoe kan het ook anders? – en de grote groep deelnemers lijkt mee te vallen. Het zijn voornamelijk vrouwen van alle leeftijden, naast enkele mannen en twee kinderen.

Het was de Indiase dokter Madan Kataria die in 1995 op het idee kwam mensen samen te brengen om niets meer te doen dan te lachen, gewoon omdat het fijn is. Gevoel voor humor is niet nodig, schijnt het, je hoeft zelfs niet gelukkig te zijn. Wie wil lachen, zal lachen, omdat het nu eenmaal aanstekelijk werkt. Over de hele wereld bestaan inmiddels ruim vijfduizend lachclubs, waarvan dertig in België. Luc Van Imschoot, in het gewone leven manager, volgde zijn opleiding tot lachleraar bij Kataria zelf.

Lachen is gezond, zegt de volksmond. Nu durft de volksmond wel eens prietpraat te verkopen, maar in deze geeft wetenschappelijk onderzoek hem gelijk. Een flinke lachbui helpt tegen stress, versterkt het immuunsysteem, ontspant en slankt af, stilt pijn en zou zelfs beschermen tegen een hartaanval. En het bevordert het groepsgevoel. Dat blijkt: de meeste deelnemers schijnen elkaar al goed te kennen en begroeten elkaar uitbundig. De sfeer zit er meteen in.

HO HO, HAHAHA

We gaan in een grote kring staan voor een paar ontspanningsoefeningen. Armen en schouders moeten losgeschud worden en we mogen stevig in- en uitademen. Bij twee of drie mensen heeft dat al een effect – links een langgerekte hoge giechel, rechts een diepe, ritmische bulderlach.

De volgende stap is ‘gemaakt’ lachen. Lachen is aanstekelijk, vertelt Luc, en door te doen alsof zullen we vroeg of laat écht gaan lachen. We moeten een mantra aan elkaar doorgeven, ho ho hahaha. We lopen kriskras door elkaar, klappen op de maat van het mantra in de handen en kijken iedereen diep in de ogen terwijl we lachen. Of doen alsof, want ik raak voorlopig niet verder dan dat stadium. Daarna moeten we bij ‘hahaha’ met onze handen tegen die van een ander klappen.

Tussen onze mantra’s door vraagt Luc ons in te leven in allerlei rollen. ‘We zijn een kikker’, zegt hij, ‘en we springen vooruit, twee keer. En bij de tweede sprong láchen we!’ Een kikker? Welja, gewoon doen. Ik adem diep in en zet mijn gêne opzij. Buig door mijn benen, spring en spring nog een keer. En lach. Of doe alsof, alweer, want mijn ‘hahaha’ klinkt mat en steriel. Even later zitten we op de rug van een kameel en moeten we alweer lachen. Ik lach. Of doe alsof. Ik voel een pijnlijke frons in mijn voorhoofd trekken, mijn wangen voelen onnatuurlijk stram, mijn ene mondhoek wil zelfs niet meer mee. Een vrouw kijkt me vragend aan en ik schud vertwijfeld het hoofd. ‘Het gaat niet.’ ‘Niets van aantrekken’, zegt ze, ‘bij mij lukte het ook niet de eerste keer.’ In de lach schieten mogen we ook doen, letterlijk dan. We maken een sprong, zoeken oogcontact met een ander en beschieten elkaar met een denkbeeldig pistool, waarna meteen weer een lachsalvo volgt.

STEEK MIJ DAN AAN!

Ik doe mijn best, eerlijk waar, maar begin me af te vragen wanneer ‘het’ nu eindelijk zal komen. Misschien lukt het wel met de lachmilkshake die we even later mogen maken. Met wijde armbewegingen gooien we er allerlei denkbeeldige ingrediënten in, door de groep aangebracht. Chocolade! Aardbei! Banaan! We schudden hevig in de lucht en gieten de brij in één slok naar binnen. Waarna we weer lachen. Of – ik val in herhaling – doen alsof.

Tijd voor de vrije lach. We mogen een matje nemen, gaan in een wijde kring zitten en mogen alle remmen losgooien. Lachen, gieren, brullen. Ik probeer. En probeer. En probeer. Zoek vertwijfeld oogcontact met een verwante ziel die dit ook moeilijk vindt. Maar ik zie alleen mensen die almaar harder op hun dijen slaan, omver rollen van het lachen, rood aanlopen, naar adem happen, tranen wegvegen, naar hun buik grijpen. Dit moest toch aanstekelijk zijn? Steek mij dan aan!

Maar hoe harder ik probeer, en hoe luider de lachsalvo’s door de ruimte galmen, hoe gefrustreerder ik me voel. Het is bevreemdend. Helemaal eerlijk? Het huilen staat me op de duur nader dan het lachen. Alleen de twee kinderen kijken af en toe zoals ik wellicht kijk: met een weifelend glimlachje om één mondhoek. Het duurt lang. Vijf minuten, tien minuten, een kwartier. Of lijkt het alleen maar zo?

Eindelijk is het gedaan en mogen we gaan liggen. Ik geniet van de stilte. Luc zet een cd op met ontspannende muziek. Daarna gaan we rechtop zitten en mogen we vertellen wat we ervan vonden. Ik antwoord naar waarheid. Maar op het dertienjarige meisje dat naast me zit na, ben ik de enige die het moeilijk gehad heeft. ‘Heerlijk’, ‘fantastisch’, ‘ik voelde me vanmorgen slecht, maar nu is dat helemaal over’, ‘ongelooflijk deugddoend’ – dat is de algemene teneur.

Conclusie? Lachyoga schijnt bijzonder prettig te zijn en helpt echt, zeggen velen. Ik geloof hen, heb het met mijn eigen ogen gezien. Maar misschien moet je toch een klein beetje in de stemming zijn. Of misschien ligt het me gewoon minder. Laat me doldwaas lachen, al wat ik geven kan. Maar zeg me niet dat het moet.

(ik maakte voor De Standaard Magazine de reeks ‘De Geluksmarkt’: een scepticus op reis in een landschap van alternatieve therapieën)

Beterschap in boekvorm

De stellige, opgeklopte toon van sommige zelfhulpboeken, gaat weleens tegenstaan. Net zoals de mythe van de maakbaarheid van alles. Maar de School of Life gooit het over een andere boeg en verschaft de lezer op een volwassen manier boeiende inzichten.

In drie stappen naar de job van je dromen! In zeven stappen naar de liefde van je leven! In tien stappen naar eeuwig geluk! Laat ik maar meteen een bekentenis doen: ik ben doorgaans niet zo tuk op zelfhulpboeken. Of preciezer: op een bepaald type zelfhulpboeken, vaak op Amerikaanse leest geschoeid. Enthousiast en tegelijk bazig van teneur, brandend van geloof in de absolute maakbaarheid van alles.

Heb ik er dan nooit eentje gekocht? Welzeker. Omdat ik nieuwsgierig was, maar ook: omdat ik oprecht geloofde dat ik er iets aan zou kunnen hebben. De liefde was echter van korte duur. Ik begon er nochtans met de nodige gretigheid aan, aangestoken door de stellige, wervende toon die zo typisch is voor veel van die boeken. Maar net die toon ging naarmate de lectuur vorderde, tegenstaan. Die rotsvaste overtuiging van het eigen grote gelijk, de vele ferme antwoorden die geen tegenspraak duldden, gekruid met de nodige sentimentaliteit. Terwijl boeken en bij uitbreiding mensen op hun interessantst zijn als ze vragen stellen.

Maar de toon was maar één afknapper. Er was meer. De illusie dat verandering in wezen nogal simpel is, en dat anders denken de sleutel tot succes is. En die niet-aflatende dwang om  diep in jezelf te kijken, te graven, te wroeten. Om je bij elke bobbel in het wegdek af te moeten vragen: hoe voel ik me nu? Wat doet dit met mij? En wat moet ik tegen mezelf vertellen opdat alles beter zou gaan? Het belang dat aan voortdurende introspectie werd gehecht , kreeg al snel iets navelstaarderigs. Waarom voortdurend naar binnen kijken, terwijl er buiten zoveel interessantere dingen te zien zijn? Dus vloog het boek  aan de kant, om nooit meer open te gaan.

Tijd voor nuance nu. En voor zelfonderzoek (introspectie!). Want uit mijn snelle oordeel over dat ene bepaalde type zelfhulpboek, gevolgd door een veralgemeende afkeer van het genre, sprak wellicht enig snobisme. De laatdunkende overtuiging dat dit soort boeken voor een ander doelpubliek geschreven waren dan datgene waar ik me toe rekende: zelfhulpboeken waren voor het type Oprah-vrouwen. Zelfhulpboeken waren voor mensen die zich graag mee laten drijven op de golven van hypes en modieuze ziektes van deze tijd, al of niet ingebeeld. Hieruit sprak niet alleen snobisme, maar zelfontkenning bovendien: ik keek immers stiekem naar Oprah, balancerend tussen ergernis over de hysterische sfeer van het programma en fascinatie voor de vaak zeer interessante thema’s die aan bod kwamen.

Zelfhulp uit de Oudheid

Mijn kijk op het genre veranderde toen ik ‘Flow’ van Mihalyi Csikszentmihalyi – een naam die een steevast een copy-paste vergt – las: een verhelderend boek over creativiteit, over doelgerichtheid en concentratie, over het verlies van tijdsbesef tijdens een scheppend proces. Wat dit boek zo anders maakte dan de klassieke, rechtlijnige zelfhulpboeken waren de vele verwijzingen naar de filosofie, geschiedenis, kunst en literatuur. De adrenalinestoot die bijna elk zelfhulpboek bij het begin geeft, liet ditmaal geen teleurstellende leegte achter. Hetzelfde had ik toen ik vorig jaar ‘Het nieuwe zwart’ van Darian Leader las: een inspirerende collage van alles wat de wereld aan moois voortgebracht heeft door de eeuwen heen, verweven met inzichten over het omgaan met rouw en verdriet. Geen antwoorden, maar handvatten.

Misschien sluit dit type zelfhulpboeken wel het nauwst aan bij de allereerste zelfhulpboeken uit de geschiedenis. Niet bij Dale Carnegie, die met het in 1936 verschenen ‘How to win friends and influence people’ – nog steeds een hoog gewaardeerd en goedverkocht boek – als de vader van de moderne zelfhelpcultuur wordt beschouwd. Wél bij de klassieken. Bij de grote filosofen uit de Oudheid. Epicurus schreef talloze boeken over liefde, leven en rechtvaardigheid. Seneca liet zijn licht schijnen over woede, en hoe die onder controle te krijgen. En Ovidius schreef in zijn ‘Ars Amatoria’  over verleiding, seks en relaties, al doen zijn simpele, gedecideerde tips dan weer eerder denken aan hoe het er nu soms aan toe gaat. Zijn onverholen, onbedoeld grappige pleidooi voor manipulatie, zou hem vandaag geheid een stevige tegenwind bezorgen: ‘Bedenk dat iedere vrouw veroverd kan worden. Sta op goede voet met haar kamermeisje. Kies het goede moment. Schrijf haar een brief vol vleierijen en beloften. Verzorg je voorkomen, maar wees niet verwijfd. Wees matig met wijn. Hou haar minnaar te vriend. Zorg dat je er bleek en mager uitziet.’

Wat de klassieken wel gemeen hadden, is dat ze blijkbaar begrepen dat niemand gebaat is bij loze peptalk. Eerder integendeel: de beste manier om iemand zich beter te laten voelen, was toe te geven dat de dingen echt wel zo erg zijn als we denken dat ze zijn, wellicht zelfs nog erger. Niet echt bemoedigend dus.

Zelfhulp voor vandaag

Gelukkig is er ook een tussenweg.

In 2008 richtte filosoof Alain de Botton samen met enkele gelijkgezinde collega’s in Londen de ‘School of life’ op: een academie voor levenskunst, als het ware. Hoofdthema’s die in de lessen aan bod komen zijn filosofie, werk, liefde, status, reizen, architectuur, literatuur en religie. En nu zijn er ook zes boeken, elk geschreven door een andere auteur, waarin nagedacht wordt – en raad gegeven wordt, het zijn tenslotte zelfhulpboeken – over de grote uitdagingen van het leven van vandaag. De School of Life-boeken pretenderen geen antwoorden te geven, maar ideeën aan te rijken. Wetenswaardigheden uit de filosofie, literatuur, psychologie en beeldende kunsten passeren de revue. Bedoeling is niet de lezer te overstelpen met pasklare antwoorden en mirakeloplossingen, maar wel om hem te ‘stimuleren, uitdagen, voeden, troosten’.

Het moet gezegd: deze boeken zijn een waar plezier om te lezen. Om te beginnen is de toon waarop de lezer aangesproken wordt bijzonder aangenaam: rustig, degelijk, intelligent, respectvol. En toegankelijk bovendien. Tijdens het lezen krijg je het gevoel een gesprek te voeren met een slimme vriend met veel levenservaring, die bereid is zichzelf in vraag te stellen en je tegelijk een inkijk te bieden in zijn persoonlijke ervaringen en zielenroerselen. Bij sommigen valt meteen een groot vermogen tot zelfrelativering op.

Verder dan de cafétoog

Neem nu Philippa Perry, de psychotherapeute die ‘Bij je verstand blijven. Hoe doe je dat?’ voor haar rekening nam. Haar boek is een pleidooi voor een bepaalde manier van denken over wat er in de hersenen gebeurt, hoe ze zich hebben ontwikkeld en hoe ze zich blijven ontwikkelen. Ze laat aan de hand van concrete voorbeelden een helder licht schijnen op de wederzijdse invloed van nature en nurture. Ze geeft geen specifieke aanwijzingen over hoe een mens behoort te denken, hoe hij zich zou moeten gedragen, wat hij zou moeten voelen. Dat is niet zinvol, schrijft ze. Haar verhaal is doorspekt met woorden en uitdrukkingen als ‘volgens mij’, ‘het zou kunnen’ en ‘misschien’. Precies daardoor krijg je de indruk dat ze een respectvolle dialoog met de lezer aangaat, en ga je haar vanzelf ernstig nemen. De illusie van confectie verwerpt ze: ‘Wat voor de een werkt, werkt voor de ander niet’. Natuurlijk zitten er ook voorspelbare wetenswaardigheden in het boek: dat ik-boodschappen beter werken dan jij-boodschappen is niet nieuw, maar daarom niet minder waar. Aan het eind van het boek volgt een uitgebreide reeks oefeningen. Nuttig voor wie daarvan houdt, over te slaan voor diegenen aan wie dat minder besteed is.

Een andere titel uit de reeks is ‘De wereld veranderen. Hoe doe je dat?’ van John Paul Flintoff. Alleen al het ambitieuze idealisme dat uit de titel spreekt, het totaal achterwege blijven van cynisme, is hartveroverend. En toch is het geen naïef boek. Aan de hand van talloze voorbeelden uit de wereldgeschiedenis en persoonlijke anekdotes probeert Flintoff de lezer diets te maken dat de geschiedenis niet alleen gaat over de handelingen van dominante individuen. Het is een boek dat hoop en moed geeft, een onomwonden pleidooi voor actief idealisme, dat zich niet beperkt tot wereldverbeteren aan de cafétoog. Om dat te illustreren citeert Flintoff onder anderen schrijfster en activiste Rebecca Solnit: ‘Hoop is niet een loterijbriefje waarmee je op de sofa gaat zitten om je gelukkig te voelen. Hoop is een bijl waarmee je deuren kunt openen. Hoop roept op tot actie.’

Ook de overige boeken in de reeks – ‘Meer denken over seks’, ‘Minder piekeren over geld’, ‘Floreren in het digitale tijdperk’ en ‘Werk vinden dat bij je past’ – bieden op dezelfde manier boeiende stof tot nadenken. Het boek dat qua stijl het meest afwijkt van de andere is dat van Alain de Botton zelf, over seks. Geen enkele persoonlijke anekdote hier, maar wel het uitgangspunt dat we allemaal in zekere zin abnormaal zijn als het over seks gaat. Veel aandacht gaat naar neuroses, fobieën en ontwrichtende verlangens, naar onverschilligheid en walging zelfs. De Botton neemt ons verwrongen ideaalbeeld van seks onder de loep, en vraagt zich af of we – los van de voortplanting – beter af zouden zijn zonder geslachtsdrift, omdat die ons zo onzeker en kwetsbaar maakt. Maar tegelijk maakt die kwetsbaarheid ons juist menselijk, besluit hij. En wie zou de extase en de grote ontdekkingen willen missen? Seks verbreedt onze interesses en verlegt onze referentiepunten. Ze dwingt ons onze eigen dwaasheid en menselijkheid onder ogen te zien, en brengt noodzakelijke – en interessante – chaos in de heersende hiërarchie van macht, status, geld en intelligentie.

De School of Life-boeken hebben de grote verdienste dat ze lang blijven nazinderen. Stof geven voor discussies, met jezelf of met anderen. En hoop, zonder de stellige belofte op beterschap.

(verschenen in De Standaard der Letteren op 7 september 2012)

Creativiteit: voor losers of genieën?

Als we de Amerikaanse econoom Richard Florida mogen geloven, behoort België tot de creatiefste landen ter wereld. Daarvoor baseert hij zich op het hoge percentage creatieve professionals: bijna dertig procent van onze werkende bevolking is artiest, muzikant, wetenschapper, ingenieur, architect, manager of vervult een conceptuele of creatieve functie. Op wereldvlak staan alleen de VS op een hoger schavotje. Maar wat is creatief?

Een cynicus kan stellen dat bovengenoemde feiten niet pleiten voor onze intrinsieke kwaliteiten. Dat het betekent dat we zwak en wanhopig zijn, en dat onze creativiteit een noodzaak is om het hoofd boven water te houden tussen andere landen die veel sterker zijn dan wij, op welk vlak ook. Of zoals de bioloog Simon Reader het stelt: ,,Creativiteit is de laatste toevlucht van de losers in de natuur.”

Puur biologisch bekeken heeft Reader gelijk. De homo sapiens haalde het als mensensoort wellicht op de Neanderthaler, precies omdat hij fysiek zoveel zwakker was. Om te overleven moest hij zijn hersenen op een ongebruikelijke manier laten werken, anders denken, de gebruikelijke denkpatronen verlaten. Anders gezegd: creatief zijn. En dat is, volgens de psycholoog Edward de Bono, tegennatuurlijk: ,,De bedoeling van onze hersenen is routinepatronen uitzetten en gebruiken, en niets anders.” Zeven creatieve gedachten over creativiteit.

1. Creativiteit is geen kinderspel

Creativiteit is een ernstige zaak, meent De Bono, hoe paradoxaal het ook klinkt. Creativiteit is al helemaal geen kinderspel. Zeggen dat kinderen ons op dat vlak tot voorbeeld zouden moeten strekken, gaat maar ten dele op. Knotsgekke ideeën, onmogelijke situaties, pure fantasieverhalen die leuk gevonden zijn, maar verder nergens op slaan, hebben weinig met creativiteit te maken. Echte creativiteit moet zin hebben. Het enige voordeel van kinderen is dat ze doorgaans onschuldig en onwetend zijn, waardoor ze een probleem soms op een verfrissende manier benaderen. We kunnen proberen onze kinderlijke onschuld en verwondering opnieuw aan te spreken, en dat zal ons ongetwijfeld een beetje creatiever maken, maar een dergelijke ,,natuurlijke” creativiteit is uiterst beperkt als het om complexere problemen gaat. Dan gaat het om zwoegen, uittesten, het idee toetsen aan onze ervaring en desnoods verwerpen en herbeginnen. Eén procent inspiratie en 99 procent transpiratie: clichés kunnen o zo waar zijn.

2. Saaie Da Vinci, kleurloze Edison

Creativiteit mag dan in het comfortabele alledaagse leven niet altijd nodig of zelfs wenselijk zijn — stel je voor dat we voor dagelijkse handelingen als koffiezetten of naar het toilet gaan een originele, creatieve invalshoek zouden willen vinden, we zouden bezig blijven en ons bovendien grenzeloos belachelijk maken, toch wil iedereen graag creatief gevonden worden. Creatief zijn is in. Het wordt niet langer als middel gezien, maar is een doel op zich. Creatieve mensen worden immers geacht boeiende persoonlijkheden te zijn, smaakvol en eigenzinnig aangeklede enthousiastelingen die altijd wel een originele oneliner hebben en over elke maatschappelijke en culturele kwestie hun interessante meningen ventileren. Een beetje creatieveling straalt dat ook uit, zo hoort het. Of tenminste, zo wil de mythe het.

Grappig is dat we hier voorbijgaan aan het feit dat biografen van grote creatieve genieën zich tijdens het schrijven van hun boek soms de haren uit het hoofd rukken, omdat ze er maar al te vaak niet in slagen een boeiend portret van hun genie in het dagelijkse leven te schetsen. Leonardo da Vinci, misschien wel het archetype van het creatieve genie, leidde een nogal teruggetrokken leven, was op zijn kleurrijkst een beetje een dwingeland, maar zou voor het overige een vrij saaie man geweest zijn in de omgang. Isaac Newton en Thomas Edison waren nogal kleurloze werkmieren. Michelangelo, Beethoven, Picasso en Einstein leverden elk op hun terrein verbijsterende prestaties, maar waren bijzonder doorsnee mensen in hun dagelijkse handelingen en ideeën. Johann Sebastian Bach was een brave, rustige huisvader, die zijn meesterwerken niet spontaan liet opborrelen vanuit een soort goddelijke inspiratie, maar die netjes op een bijna ambtelijke — maar daarom niet minder magistrale — wijze muziek schreef op vraag van zijn opdrachtgevers. En een journalist die vol verwachting John Bardeen, de tweevoudige Nobelprijswinnaar Natuurkunde, interviewde, keerde ietwat teleurgesteld terug. Van zo’n creatief meesterbrein verwachtte hij toch iets meer inzicht in of belangstelling voor ,,de dingen des levens”.

3. De mythe van de geniale ingeving

Maar hoe zit het dan met de creatieve persoonlijkheden? Zijn het allemaal grijze muizen in hun dagelijkse bestaan? Bestaat er überhaupt zoiets als het prototype van een creatieve persoonlijkheid?

De Amerikaanse psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi probeert in zijn boek Creativiteit. Over flow, schepping en ontdekking een antwoord te geven. Als eerste in de geschiedenis deed hij onderzoek naar nog levende creatievelingen: schrijvers, wetenschappers, filosofen en dergelijke die in hun vakgebied elk tot de top behoren, lieten zich gewillig doorlichten.

Een van zijn bedoelingen was creativiteit van haar franjes te ontdoen, van het aura van goddelijkheid, van de mythe van de geniale ingeving. Het klinkt allemaal te simpel, zo stelt hij. Edison vond de elektriciteit uit. Einstein vond de relativiteit uit. We houden van de heroïek in die verhalen over geniale wetenschappers die in hun achterafkamertje ineens het licht zien. Maar, zo benadrukt hij, al die creatieve verwezenlijkingen waren onmogelijk zonder de op dat moment al bestaande kennis, zonder een sociaal en intellectueel stimulerend netwerk, zonder de mechanismen nodig voor erkenning en verspreiding.

Bovendien moet je behoorlijk wat geluk hebben met het tijdstip waarop en de plek waar je geboren wordt. Het Griekenland van de vijfde eeuw voor Christus, het vijftiende-eeuwse Firenze en het negentiende-eeuwse Parijs waren een droom voor creatieve geesten: de welvaart en de overvloed aan vrijetijd — althans, voor het welvarendste deel van de bevolking — schiepen een klimaat waarin ruimte was voor leren en experimenteren, voor creatieve uitingen van welke aard ook.

4. Geniaal of gestoord?

Csikszentmihalyi noemt zichzelf een naïeve optimist. Hij verwondert zich oprecht over het feit dat er zo weinig onderzoek verricht wordt naar het abnormaal-zijn in positieve zin. Al decennia onderzoeken psychiaters en psychologen bijvoorbeeld het verband tussen creativiteit en psychose, en hun conclusies zijn duidelijk: creatieve geesten zijn vatbaarder voor een psychose. Een voor de hand liggend voorbeeld is Vincent van Gogh. Had hij na zijn dood niet die overweldigende erkenning gekregen vanuit de kunstwereld en later ook van het brede publiek, dan was hij hoogstens bij de mensen die hem persoonlijk gekend hebben, nog even in de herinnering blijven hangen als die psychisch gestoorde man die vreemde, drukke schilderijen maakte. Om daarna voorgoed in de vergetelheid te geraken. Iets wat ongetwijfeld vele anderen die misschien evenveel talent hadden, maar niet op het juiste moment op de juiste plaats waren, overkwam.

Alleen al in de Verenigde Staten verschijnen elk jaar honderdduizend boeken en staan er vijfhonderdduizend mensen geregistreerd als kunstenaar. Het gros van hen zal hiervoor nooit de erkenning krijgen. De reputatie van een creatieve geest is altijd onderhevig aan de grillen van de sociale erkenning, en die zijn totaal onvoorspelbaar. Zo is iedereen het er vandaag over eens dat Bach een creatief genie was op muzikaal vlak, terwijl hij tegen het einde van zijn leven en nog lang na zijn dood bestempeld werd als ,,ouderwets”.

5. Opportunisme of hoog EQ?

Csikszentmihalyi houdt zich niet bezig met de duistere kanten van creativiteit. Bij hem geen verhalen over psychose, maar vooral bruisend enthousiasme over de vaststelling dat de meeste creatievelingen ronduit optimistisch zijn. Daarmee geeft hij meteen tegengas voor de wijdverbreide opvatting dat creativiteit — vooral artistieke creativiteit — moet ingebed zijn in pijn en lijden. Het gekwelde genie is een mythe die we te danken hebben aan de romantische school. Gekwelde zielen als Tolstoj en Dostojevski bestonden/bestaan natuurlijk, maar de reden voor die gekweldheid heeft niets met hun creativiteit te maken. Wat Tolstoj en Dostojevski betreft: zij leefden en werkten op het moment dat de Russische samenleving op instorten stond, en die onzekerheid en somberheid reflecteert zich daardoor onvermijdelijk in hun werk. De vele verhalen over kunstenaars die, gekweld door de pijnlijke kronkels die hun creatieve geest maakt, naar drank, drugs of pillen grijpen, hebben dan ook minder te maken met nevenverschijnselen van hun creativiteit, dan wel met een schrijnend gebrek aan waardering en erkenning.

Interactie met de omgeving blijkt een cruciale rol te spelen in creatieve verwezenlijkingen, daar zijn de meeste onderzoekers het stilaan over eens. Creativiteit moet, wil ze ten volle tot ontplooiing komen, gepamperd en goedgekeurd worden door de sociale en professionele omgeving. Talent is maar een kleine eerste stap. Wie geen toegang krijgt tot het gebied waarin dat talent zich verder kan ontwikkelen, zal met zijn creativiteit op dat vlak nooit iets kunnen betekenen. Elk getalenteerd kind — of het nu op wiskundig, wetenschappelijk of artistiek vlak is — moet de regels leren kennen, om ze toe te passen en om ze misschien uiteindelijk te kunnen overtreden. En iedereen die talent heeft en de regels kent, moet aan de slag kunnen gaan ,,in het veld”. Het is uiteindelijk dat veld dat erover beslist of er sprake is van echte creativiteit, van verwezenlijkingen die steek houden, nut hebben, de mensheid iets bijbrengen. Maar ook daarin kan de creatieveling een rol spelen. Wie, behalve talent én kennis én schitterende ideeën, ook over het vermogen beschikt zich vlot aan te passen aan de verwachtingen van zijn omgeving en alles wat op zijn weg komt, weet te gebruiken om zijn doelen te bereiken, zal ongetwijfeld veel sneller erkenning krijgen dan zijn iets minder sociaal begaafde collega. Opportunisme, roept de ene. Emotionele intelligentie, oordeelt de andere. En het liefst meer dan dat.

6. Hoogbegaafdheid, een vloek?

Het lijkt voor de hand liggend dat zinvolle creativiteit niet mogelijk is zonder intelligentie. Mensen die iets betekenen in hun vakgebied, of het nu over architectuur, scheikunde of literatuur gaat, zijn zonder uitzondering intelligent. Minstens gemiddeld intelligent, vaak heel intelligent. Vreemd genoeg blijken mensen die superintelligent zijn, het doorgaans minder ver te schoppen op creatief gebied dan de subtoppers. De vloek die op hoogbegaafde kinderen lijkt te rusten tijdens hun schoolcarrière, zou zich weleens kunnen doortrekken naar hun latere leven. Omdat alles te gemakkelijk en te vanzelfsprekend is, dreigt het heilige vuur uit te doven. Elk sprankje creativiteit wordt al snel gedoofd door verveling en een zekere zelfgenoegzaamheid. Het is geen toeval dat bijvoorbeeld rekenwonders zelden uitblinkers worden op professioneel vlak.

7. Schoonheid doodt creativiteit

Meer dan één creatieveling ontdekte in de loop van zijn leven de weldadige invloed van de natuur. In een mooie, rustgevende omgeving — de bossen, de bergen, de zee: u kiest — lijken ideeën sneller tot ontwikkeling te komen, lijken stukjes van een schijnbaar onoplosbare puzzel ineens verbazend vlot ineen te passen. Kortom: de inspiratie ligt er voor het rapen. Nogal wat schrijvers en kunstenaars meenden dan ook hun grijze geboortestreek te moeten verlaten, om in hun Tuin van Eden hun creativiteit de vrije loop te kunnen laten. Soms werkte de verhuizing, vaak bleek het een tragische vergissing. De Britse dichteres Elisabeth Barrett-Browning was maar een van de velen die zozeer overspoeld werden door de poëtische kracht van het landschap, dat haar werk teleurstellend prozaïsch werd. Je kunt niet eeuwig jubelen over het Toscaanse licht dat een sluier van goud over de heuvels drapeert.

De remedie blijkt simpel: inspiratie opdoen in het paradijs, maar werken in een vertrouwde, misschien wel saaie omgeving. Beethoven componeerde prachtige muziek in een vrij duistere kamer in een bescheiden huis. En Einstein zette zijn relativiteitstheorie op papier gezeten aan de keukentafel. Precies om die reden zouden monniken hun kloosters met Spartaans ingerichte cellen gebouwd hebben op de schitterendste plekken van de wereld: hun één procent inspiratie kregen ze cadeau zodra ze hun neus buitenstaken. En werken deden ze in soberheid, zonder franje.

(verschenen in De Standaard Magazine in 2005)