Iedereen krijgt van mij een nieuwe kans, telkens weer

Dijken en kreken, lange rijen canadapopulieren, uitgestrekte polders van hier tot aan de einder, vrij spel voor de wind. Het is het decor van de Kruiskenshoeve in het landelijke Sint-Laureins, de natuurlijke habitat van Robert Accoe, politieman op rust en onvermoeibare idealist. Geen dromer, maar een vent met poten aan zijn lijf. Naïef ook. Gezond naïef. En bewust naïef. ‘Anders zou ik dit nooit volhouden,’ zegt hij.

In de oude woonkeuken brandt de houtkachel uitbundig, op de plaats waar vroeger een reusachtige open haard was. ‘Uren heb ik hier gezeten, op de schoot van mijn grootmoeder,’ herinnert Accoe zich. ‘Ik zie haar nog haarscherp voor me: ze droeg zwarte kleren, en kookte karnemelk.’

Bij de familie Accoe – vader, moeder, vijf kinderen en grootmoeder – was iedereen welkom. Gulheid was vanzelfsprekend. Dat wisten ook de leurders, die rondtrokken met breiwol of schoensmeer, en toevallig altijd rond het middaguur de Kruiskenshoeve aandeden. Er stond steevast een bord soep, pap of aardappelen voor ze klaar.

robert accoeDe geest van de vorige generaties wordt hier met liefde in ere gehouden. De gulheid die er met de karnemelk werd ingelepeld, is aan de ribben blijven plakken. Want vandaag is de hoeve een plek waar jongeren in crisis terechtkunnen. Instellingsjongeren vaak, of tieners die heftig botsen met het schoolsysteem, en met zichzelf. ‘Je kunt je niet voorstellen hoeveel agressie er soms in die gasten zit,’ vertelt Robert Accoe. ‘Bij mij kunnen ze die agressie kwijt, op een gekanaliseerde manier. Ik begrijp hen. Ik was ook soms een koleriek manneke, kon moeilijk stilzitten. Ik geef hen de kans om zich fysiek te ontladen. Geen gebabbel. Ik ben een flik, een boer. Ik zal nooit de pretentie hebben om te denken dat ik therapie geef. Dat kan ik niet. Maar ik laat ze wel werken, doen. Ik hoef zelfs niet te weten wat ze op hun kerfstok hebben. Ik vraag daar nooit naar. En toch komen de verhalen vroeg of laat vanzelf los. Als zij daar behoefte aan hebben, anders niet. En wat ik dan soms hoor…’

De handen uit de mouwen

Vandaag zijn er twee jongens te gast. Ze hebben een klus gekregen, in de schuur: hout zagen. Wanneer we een kijkje gaan nemen, staan ze een beetje rond te drentelen, de handen in hun zakken. Stoer en ongenaakbaar, maar net iets minder dan ze zouden willen. Er breekt een glimlachje door en er volgt een voorzichtig vriendelijke begroeting. Wanneer we weer in de keuken zitten, licht Robert Accoe toe: ‘Dat zijn twee habitués. Allebei buitengegooid op school, wegens agressie. Angelo (de naam is fictief – red.) komt nochtans uit een gezin met ouders die hun kinderen heel graag zien. Maar ze bieden geen structuur. Ze waren zelf instellingskinderen, en de geschiedenis herhaalt zich. Hij stelt de wetten thuis. Als je twee woorden zegt die hem niet bevallen, beginnen zijn neusvleugels al te trillen. Zoveel agressie zit er in die jongen. Ik weet wel hoe het gaat, als ik mijn rug draai. In de plaats van het hout te zagen zoals het hoort, geven ze er keiharde trappen op, in kungfustijl. Af en toe ga ik ze tonen hoe het moet. Ik ga met hen aan het werk. Van op afstand commanderen, pakt niet. Die gasten moeten zien dat je zelf de handen uit de mouwen steekt, dat je niet te beroerd bent om in de kou te werken en je vuil te maken. Dat helpt, al is het maar voor even.’

Het verheerlijkte gezin

Robert Accoe heeft een lange carrière bij de unit Jeugd van de Gentse politie achter de rug. Tijdens zijn ingangsexamen moest hij een verhandeling schrijven met als onderwerp ‘Waarom ik bij de politie zou willen komen’. Hij staat nog steeds pal achter wat hij toen schreef: dat hij de politie een menselijker gelaat wilde geven. Het werd zijn handelsmerk: de flik met een hart van koekebrood, maar met de verbetenheid van een pitbull als het over ‘zijn’ jongeren gaat. Spijbelaars grabbelde hij zonder pardon bij de lurven, maar wanneer hij zag hoe ellendig hun gezinssituatie soms was, bewonderde hij in stilte het feit dat ze ‘alleen maar’ spijbelden.

Hij heeft het bewust niet over ‘marginale’ gezinnen. Dat klinkt te stigmatiserend. Zijn jongeren zijn randgroepjongeren, en – toegegeven – de gezinnen bevinden zich vaak aan de marge van de samenleving. ‘Soms denk ik dat die mensen zich te zwaar bestookt voelen door de eisen die de maatschappij hen oplegt. Zo hoor je met kinderen om te gaan, en niet anders. Doordat ze het gevoel krijgen nooit te kunnen voldoen, haken ze af. Het gezin, dat ideale plaatje, wordt toch zo verheerlijkt. Ook hulpverleners trappen wel eens in die valkuil: hun referentiekader is het enige juiste. Er wordt in technische termen over mensen en opvoeding gedacht, met als gevolg dat ze soms meer kwaad dan goed doen. Ik herinner me het verhaal van een meisje in een kraakpand. Ze was negentien en had twee kleine kinderen. Ik volgde haar al vanaf haar vijftiende. Ze had dat kraakpand – een oude brandweerkazerne – zo behoorlijk mogelijk ingericht. Er lag een propere matras met beddengoed, en de muren hingen vol met kindertekeningen. Maar de buurtbewoners hadden bij de politie geklaagd, omdat ze haar kinderen met te dunne jasjes en snottebellen over de straat hadden zien lopen. Ze reageerde fel: “Kom jij me hier de les spellen, terwijl ik vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week met mijn kinderen in de weer ben? Wat zeg je tegen ouders die voor zeven uur ‘smorgens al in de file staan, en pas meer dan twaalf uur later hun kinderen ophalen? Zijn zij betere ouders dan ik?, Heel eerlijk gezegd: ik stond met mijn mond vol tanden. We oordelen soms veel te snel over anderen. Ik probeer dat niet te doen. Ik probeer elke keer opnieuw te begrijpen waarom mensen leven zoals ze leven. En zijn zoals ze zijn.’

Leren doorzetten

robert_accoeTientallen jaren lang zag hij ze de revue passeren: mishandelde of misbruikte kinderen, kleuters van drie die gedropt werden door een moeder die nooit meer naar hen omkeek, drugsverslaafde jongeren in kraakpanden om wie geen hond nog leek te geven. Vaak was hij al opgelucht als hij zag dat de jongeren die hij kende, gewoon in leven bleven, al was dat leven die naam soms nauwelijks waard. Af en toe nam hij er eentje mee naar huis, voor een behoorlijke maaltijd en een warm bed. En beetje bij beetje dijde zijn engagement nog uit: begeleide fietstochten, naar Trier of naar Santiago de Compostela. En ten slotte ook het time-outproject op de Kruiskenshoeve, waar jongeren terechtkunnen voor een alternatieve dagbesteding, of voor een langer residentieel verblijf. ‘Jongeren leren doorzetten, ervoor zorgen dat ze hun plan kunnen trekken, dat is zo belangrijk. Ook hier probeer ik vooral aan hun zelfredzaamheid te werken. De Kruiskenshoeve is geen modelproject. Ik stel me niet voor dat ik die jongeren kan veranderen. Ik hoop alleen maar dat ze straks, over enkele weken of maanden of misschien langer, hier weggaan in de overtuiging dat ze iets kunnen.’

Respect en gelijkheid

Een-op-eencontact, dat missen we in onze omgang met probleemjongeren, vindt Accoe. Gerichte, exclusieve aandacht en tijd. Dat jongeren met een persoonlijkheidsstoornis of ernstige gedragsproblemen in leefgroepen met gelijkaardige jongeren worden gestopt, vindt hij doorgaans geen goed idee. Precies om die reden mag er ook nooit meer dan één jongere in de hoeve overnachten. ‘Vanaf het moment dat ze met zijn tweeën zijn, dreigt het negatieve weer te overheersen. Ze jutten mekaar op. Jongeren die met zichzelf in de knoop liggen, hebben eigenlijk buddy’s nodig, sterke volwassenen die er voor hen zijn. Die luisteren, hen helpen en begeleiden, maar die ook een duidelijke structuur bieden. En dat allemaal op basis van wederzijds respect en gelijkheid. In de moderne hulpverlening zijn er goede bedoelingen te over, maar ik vind het allemaal zo versnipperd. De basis zou moeten worden gelegd door Kind en Gezin en door de OCMW’s: zij zienvan in het begin waar er problemen zijn. Ideaal zou zijn dat zij ambulante thuisbegeleidingsdiensten briefen, en er tegelijk permanent zicht op houden. Problemen moet je zo vroeg mogelijk aanpakken, om erger te voorkomen. Meteen langsgaan bij de mensen thuis, en ze niet eerst twee maanden lang op een wachtlijst zetten.’

Toch een nieuwe kans

Zeven jaar bestaat het time-outproject van de Kruiskenshoeve nu al. En Robert Accoe gaat er prat op dat hij de pijnlijke incidenten op één hand kan tellen: ‘Maar die hand is wel vol’. Het voorbije jaar was wat dat betreft een triest dieptepunt geweest. ‘Er zijn twee zware conflicten geweest met jongeren, die me diep hebben gekwetst. Ik heb een blind vertrouwen in andere mensen, stop nooit iets achter slot en grendel. Maar die gasten hebben mijn vertrouwen beschaamd. Daar ga ik van kapot. Ziek ben ik daarvan. Kijk, ik zou er zo weer emotioneel van worden. Ze hebben me bestolen, en een van hen heeft de schuld in de schoenen van een ander proberen te schuiven. Dat was een jongen die ik vijf jaar lang begeleid heb, en dan gebeurt zoiets. Nachtenlang heeft het me uit mijn slaap gehouden. Wanneer zoiets gebeurt, ben ik geneigd om te zeggen: jou wil ik nooit meer zien. Maar dat lukt me niet. Als die jongen hier morgen met zijn ziel onder zijn arm voor de deur staat, laat ik hem weer binnen.’

‘Iedereen krijgt van mij een nieuwe kans, telkens opnieuw. Al zal ik ditmaal toch wat meer op mijn hoede zijn.’

Een huisje met een tuintje

Vaak blijken jongeren die op de Kruiskenshoeve verbleven hebben, toch nog op hun pootjes terecht te komen. Op het rechte pad, al is het vaak met de nodige kronkelingen, aldus Robert Accoe. Een van hen is Shorty (bijnaam, red.), vandaag twintig jaar oud. Zijn kindertijd was weinig benijdenswaardig. Mishandeling en verwaarlozing vormden een rode draad. Een vader die na de scheiding nooit meer naar hem omkeek, een moeder die al snel te kennen gaf dat ze hem niet meer hoefde. Op zijn negende stond Shorty er moederziel alleen voor. Dus kwam hij in een instelling terecht. En via die instelling leerde hij ook Robert Accoe en de Kruiskenshoeve kennen.

‘Ik ben vaak bij Robert geweest, samen met een maat van mij. We mochten er werken, voor de dieren zorgen, en voor de moestuin. Hij heeft me enorm geholpen indertijd, stond altijd klaar als ik problemen had. Hij luisterde, gaf goede raad, maar heeft me nooit gedwongen om iets tegen mijn zin te doen. En precies omdat hij alles met manieren vroeg, omdat hij respect toonde, deed ik de dingen met plezier voor hem. Hij geeft nooit iets op. En hij geeft nooit iemand op. Toen ik de instelling verliet, ben ik hem blijven opzoeken. Ik beschouw hem nu als een hele goede vriend. Zijn leeftijd speelt geen enkele rol. Hij kan serieus zijn, en het volgende moment staat hij te lachen en te zeveren als iemand van zestien jaar. Toen een maat van mij trouwde, mocht hij zijn feest in de hoeve van Robert geven. Ik heb meegeholpen om alles op te ruimen achteraf. De laatste bak bier, heb ik cadeau gekregen (lacht). Ik ben blij dat ik nu iets terug kan doen. Ik heb geholpen toen er een nieuw dak moest worden gelegd, ik help mee bij de fietstochten en op de jaarlijkse barbecue. Ik zal Robert nooit laten schieten.’

‘Met mijn ouders heb ik geen enkel contact meer. Mijn vader heeft zich nog één keer laten horen, maar iemand die nooit naar mij heeft omgekeken toen ik in de instelling zat, hoeft bij mij niet meer aan te kloppen. Mijn moeder heb ik drie jaar geleden voor het laatst gezien. Zij wil geen contact met mij. Maar het kan me niet meer schelen. Ik trek al vanaf mijn negende mijn plan. Het lukt me prima nu. Ik heb vrienden, ik heb Robert en nog enkele andere mensen op wie ik kan rekenen. Voorlopig woon ik in bij een vriend, maar ik hoop snel werk te vinden. Liefst van al zou ik in een metaalbedrijf terechtkomen. Tot voor kort volgde ik een opleiding tot lasser, maar die heb ik stopgezet. Het duurde me te lang, ik ben ongeduldig. Schoollopen valt me ook moeilijk, ik kan absoluut niet stilzitten.’

‘Misschien moet ik het later nog eens opnieuw proberen, als ik wat ouder ben. Eerst werk vinden, daarna op eigen benen gaan staan. Eindelijk. Ik droom van een huis met een tuintje, van ruimte. Ik probeer. We zien wel.’

www.kruiskenshoeve.be

(verschenen in De Standaard van 9 april 2011)

Creativiteit als medicijn

Ze worden graag met elkaar in verband gebracht: creativiteit en waanzin. Maar de woeste, noeste kunstenaar, die in een manische stroomversnelling het beste van zichzelf geeft om daarna weg te zinken, is meer dan een mythe. En medicatie is behalve hulp soms ook hinderpaal.

stephen fry

‘Ik ben het slachtoffer van mijn eigen stemmingen, wellicht meer dan andere mensen’, vertelde de Britse acteur en schrijver Stephen Fry vorige week tijdens een tv-interview. ‘Ik heb die aandoening en moet medicijnen nemen opdat ik niet te hyper zou worden of zo neerslachtig dat ik zelfmoord wil plegen. Ik wil u zelfs vertellen dat ik het vorig jaar nog geprobeerd heb.’

De bewusteloze Fry werd net op tijd in zijn hotelkamer gevonden door zijn producer. Waarom, wilde iedereen weten. ‘Er is geen waarom, het is niet de juiste vraag. Er is geen reden. Als er een reden was, zou je iemand ervan kunnen overtuigen om niet uit het leven te stappen.’

Dat Fry aan een bipolaire stoornis lijdt – vroeger heette dat manisch-depressief – is al langer bekend. In 2006 maakte hij de tweedelige documentaire Stephen Fry – The secret life of a manic depressive, waarin hij zijn twijfels over medicatie ventileerde: hij hield van de manische periodes, die hem telkens weer een fenomenale boost gaven. ‘Ik heb ze nodig om mijn leven een avontuurlijke toets te geven, en ik denk dat ik de meeste dingen die goed zijn aan mij te danken heb aan mijn stemmingswisselingen. Mijn hele leven word ik al gekweld door de diepste depressiviteit, maar aan de andere kant heb ik er ook mijn energie en mijn creativiteit aan te danken, die wellicht aan de basis liggen van mijn carrière.’

Postume diagnose

Vincent van GoghFry is lang niet de enige creatieveling met een bipolaire stoornis. Drie jaar geleden kwam ook lachebekje Ruby Wax uit de kast. Catherine Zeta-Jones en Carrie Fisher (Prinses Leia uit Star wars) lieten zich onlangs behandelen voor de aandoening. Frank Sinatra en Mel Gibson zijn bipolair. En dan zijn er nog eens de tientallen beroemdheden die het etiket postuum opgeplakt kregen: van Charles Dickens tot Ernest Hemingway, van Virginia Woolf tot Marilyn Monroe, van Isaac Newton tot Friedrich Nietzsche. En natuurlijk mag Vincent van Gogh niet in het rijtje ontbreken, de man die het voorwerp is van wel meer postume psychiatrische diagnoses – waaronder ook schizofrenie.

Dichter bij huis getuigde acteur Ben Segers vorig jaar in De Morgen over zijn leven – mét medicatie – met bipolariteit. En maakte Sjoerd Tanghe een mooie, aangrijpende documentaire over zijn vader, theaterregisseur Dirk Tanghe.

Creativiteit en waanzin worden wel vaker aan elkaar gelinkt. In zijn boek The storytelling animal: How stories make us human schrijft de Amerikaanse literatuurwetenschapper Jonathan Gottschall onomwonden dat een grotere creativiteit ook een grotere vatbaarheid voor mentale stoornissen betekent. Kay Redfield Jamison, een Amerikaanse psychologe en zelf bipolair, komt in haar boek Touched with fire: manic-depressive illness and the artistic temperament tot een gelijkaardige conclusie: een buiten verhouding groot deel van de acteurs, kunstenaars, musici, schrijvers en performers lijdt aan de ziekte.

Volgens de medische website Health.com klopt dat, maar worden de symptomen van de aandoening bij creatievelingen vaak gecamoufleerd door de aard van het werk. Ups en downs horen nu eenmaal bij het creatieve proces.

Geen label

Een paar jaar geleden ging theatermaakster An Vanderghote door een diep dal in haar leven. Privéproblemen, een overvloed aan prikkels, slaapgebrek: ze culmineerden en mondden uit in een totaalgevoel van verdriet en ontreddering. In haar zoektocht naar een luisterend oor belandde Vanderghote bij een neuropsychiater, die vrij snel concludeerde dat ze aan een bipolaire stoornis leed.

Tot op vandaag verzet Vanderghote zich tegen de diagnose. ‘Eigenlijk heeft die psychiater me nooit concreet kunnen aantonen waarom ik bipolair zou zijn. Toen ik bij haar terechtkwam, heette ik depressief te zijn. Ik had het erg moeilijk, dat klopt. Ik huilde veel. Een paar jaar eerder had ik als alleenstaande, werkende moeder ook nog eens theaterstudies op mij genomen. Dat kon volgens haar alleen maar als ik aangedreven werd door een manische energie. Ze suggereerde dat creatieve mensen vrijwel altijd bipolair zijn.’

Vanderghote raakte gebeten door de thematiek. Ze deed opzoekwerk, bekeek de documentaire van Stephen Fry, kreeg inzage in het onderzoekswerk van haar psychiater – ontluisterend, vooral door de duidelijke link met de farmaceutische nijverheid, vond ze – en schreef een kritisch theaterstuk over bipolariteit.

‘Bij het begin van mijn behandeling was ik nog niet mondig genoeg om me te verzetten, om te stoppen met de therapie. Dus nam ik braaf mijn medicatie. Pas toen ik er met andere mensen durfde over te praten en merkte dat zij mijn ups en downs relativeerden, durfde ik de diagnose in vraag te stellen.’

‘Oké, ik heb ups en downs. Maar ik wil niet dat er een label aan me gehangen wordt. Ik ben een emotioneel mens. Ik kan blij en verdrietig zijn, en daar kan ik naarmate de jaren verstrijken steeds beter mee omgaan. Mij creatief mogen uitleven, en bij uitbreiding: dingen doen die ik graag doe, helpt me daarbij enorm. Het geeft rust.’

Cultuurdragers

Erik Thys is psychiater en een autoriteit op het vlak van bipolaire stoornissen. ‘Naar het verband tussen bipolaire stoornis en creativiteit wordt al sinds de 19de eeuw onderzoek gedaan. Men vermoedde dat ook al in de Oudheid dichters, kunstenaars, redenaars en politici vaker dan gemiddeld aan “melancholie” leden. We weten dat creativiteit vaak samengaat met een zekere gevoeligheid voor – onder andere – bipolaire stoornis en psychose. Zolang beide in lichte mate aanwezig zijn, hoeft dat geen probleem te zijn. In hun extremere vorm worden ze schadelijk.’

bipolar-disorderMedicatie is nooit vanzelfsprekend, merkt Erik Thys. Het is telkens weer een hoge drempel, telkens weer weerstand overwinnen. Maar, zo vindt hij, elke mens is uniek en verdient daarom een unieke aanpak. ‘Het is een moeilijke afweging. In de depressieve fase lijdt de patiënt zelf, maar in de manische fase lijdt de omgeving. De wens van elke patiënt moet in ieder geval zoveel mogelijk gerespecteerd worden. Sommigen weigeren medicatie, omdat ze zeer gehecht zijn aan dat bijzondere gevoel wanneer ze hypomaan zijn. Onlangs vertelde een vrouw me dat creativiteit zelf haar medicijn is: ze tekent van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, en dat helpt.’

Het boeit hem mateloos, dat verband tussen creativiteit en psychopathologie, vertelt Erik Thys. ‘Ik vind het mooi om te zien dat er ook iets nobels en belangrijks gekoppeld kan worden aan iets dat zo stigmatiserend is. Dat wie bipolair of psychotisch is tegelijk drager is van datgene wat onze cultuur gevormd heeft, mag ook eens gezegd worden. Noem het gerust een vorm van eerherstel.’

(verschenen in De Standaard op 12 juni 2013)

Papa Superman: held op glad voetstuk

Vaders staan onder druk. Ze werken hard, maar willen tijd voor hun kroost. Ze willen betrokken zijn. Ze zijn ook vaak betrokken. Toch blijft hun rol minder vanzelfsprekend dan die van moeders. En dat fascineert. Misschien juist daarom krijgen vaderonderzoek en vaderboeken steeds meer aandacht.

Mijn vader en ik
Mijn vader en ik

Dat ze het niet onder de markt hebben, die vaders van vandaag. Dat bleek onlangs nog maar uit een enquête van de Gezinsbond. Vaders gaan vaak evenzeer gebukt onder het jongleren tussen carrière en gezin als moeders. Maar er zitten wel meer scherpe randjes aan het hedendaagse vaderschap. Mannen moeten zich betrokken vaders tonen en dat liefst ook oprecht en doorleefd zijn, maar aan de andere kant wordt hun belang nog steeds gemakkelijker in twijfel getrokken dan dat van moeders. Moeders gaan voor alles. Ze zijn heilig en onaantastbaar. Vaders zijn leuk. Als ze ook écht leuk zijn, tenminste. Dat is maar al te vaak de teneur.

Vroeger was het simpeler, wil de populaire opvatting. In zijn toneelstuk An ideal husband legt Oscar Wilde een van zijn personages een veelzeggende repliek in de mond: ‘Vaders zouden gezien noch gehoord moeten worden.’ Vaders waren hooguit een transportmiddel voor genetisch materiaal, zo leek het. Voor het overige waren ze niet of nauwelijks betrokken bij de opvoeding van hun kinderen. Ze waren veel ‘afweziger’ dan vandaag en hun rol beperkte zich tot het disciplineren van een onwillige kroost. Lijfstraffen maakten daar vanzelfsprekend deel van uit. Maar als we Jacob Cats mogen geloven, een 17de-eeuwse dichter, jurist en politicus met een boon voor opvoeding en didactiek, klopt dat vanzelfsprekende beeld niet helemaal. ‘Een eerbaar kind is aan te jagen door eerzucht, niet door harde slagen’, meende hij. En of vaders wel zo afwezig waren als algemeen wordt aangenomen, valt ook te betwijfelen. Thuisarbeid was zeer gebruikelijk, dus vervloeiden werk en gezinsleven en verliep de opvoeding van de kinderen op een spontane, natuurlijke manier.

Vadertje spelen?

Er is alvast één ding waarover welmenende, spartelende vaders zich mogen verheugen: vaderschap is hot. Er wordt meer over gepraat, geschreven en gediscussieerd dan ooit. Niet bepaald lacherig, maar gedreven door fascinatie en empathie. ‘Vaders zijn de nieuwe moeders’, stelde Katja de Bruin, VPRO-boekenredactrice onomwonden. Ze heeft een punt. Het zoveelste getuigenisboek van een vrouw die jubelend haar moederschap bezingt, pendelend tussen trots en tranen, zal de harten links en rechts nog wel beroeren, maar echt verrassend is het allemaal niet. Het gevoel is al zo vaak benoemd en beschreven. De vaders die zich de laatste jaren uitgeleefd hebben in schrijfsels over hun vaderschap, kunnen daarentegen op meer belangstelling rekenen. De Bruin noemt onder meer Kleine dagen van Bernard Dewulf en Het zit de mannen niet mee tegenwoordig van Philippe Remarque, hoofdredacteur van de Volkskrant en echtgenoot van journaliste Sylvia Witteman.

Afgelopen jaar verscheen Sterke vaders. Hoe overleef ik het vaderschap? van journalist-docent Lars Anderson. Een boek dat de auteur schreef uit noodzaak, om de leemte te vullen. Degelijke, bruikbare boeken die mannen voorbereiden op het vaderschap, zijn immers schaars tot onvindbaar. Kleine meisjes spelen moedertje, kleine jongens spelen zelden vadertje. Vrouwen praten soms jaren over kinderen en moederschap, lang voordat ze moeder worden. Ze lezen wat erover te lezen valt en fantaseren over hoe het zal zijn. Mannen doen dat wellicht veel minder. Maar toch lijkt de behoefte aan informatie vandaag groter dan ooit.

Zacht en zorgend

De informatie die doorsijpelt is nogal versnipperd, maar een kleine speurtocht op het internet maakt al snel duidelijk dat vaderschap ook bij wetenschappers hot is. Psychologen, sociologen, neurobiologen en genetici hebben zich de afgelopen jaren op het vaderschap gestort. Vaders zijn meer dan ‘leuk’, zo blijkt. Vaderlijke zorg en emotionele ondersteuning worden gelinkt aan een sterker emotioneel en sociaal welzijn van de kinderen, een betere verstandelijke ontwikkeling, een verminderde neiging tot criminaliteit en een positiever zelfbeeld. Sterker nog: niet alleen de kinderen worden soms beter van een betrokken vader, neen, soms worden de vaders zélf er simpelweg een beter mens van. Zware jongens, die tijdens een gevangenisstraf in de mate van het mogelijke hun vaderrol mogen blijven vervullen, zouden minder snel geneigd zijn te hervallen in hun oude zonden.

In de neurobiologie draait het verhaal dan weer vooral om testosteron. Dat jonge vaders minder testosteron in hun bloed hebben dan niet-vaders, is genoegzaam bekend. Bleef de vraag over de kip of het ei: hadden mannen die voor het vaderschap kozen gemiddeld minder testosteron in hun bloed, of daalde het testosteron door de komst van het kind? Wetenschappers van de Memorial University of Newfoundland maten bij 600 mannen op hun 21ste en hun 25ste ’s ochtends en ’s avonds de hoeveelheid testosteron in het bloed. Verrassend was dat de mannen met het hoogste testosterongehalte de grootste kans hadden om een toegewijde partner en vader te worden, maar dat het hormoon drastisch daalde op het moment dat ze ook echt een kind kregen.

Maar in het hele vaderschapsverhaal is testosteron maar één van de elementen. De hoeveelheid prolactine – het hormoon dat verantwoordelijk is voor de aanmaak van moedermelk bij vrouwen – in het bloed van kersverse vaders stijgt.

Hetzelfde geldt voor oxytocine, het fameuze knuffel- of bindingshormoon. Ruth Feldman, een Israëlische professor psychologie aan de Bar-Ilan University, concludeert voorzichtig dat de hormonenveranderingen wellicht zorgen voor nieuwe verbindingen in de hersenen van jonge vaders. Ze gaan zich anders gedragen. Zachter, zorgzamer, minder viriel.

Bedreigde habitat

Paul Raeburn, een Amerikaanse wetenschapsjournalist, legt zich al acht jaar lang toe op het verzamelen van allerlei wetenswaardigheden over vaders. Hij stelt vast dat er stilaan een berg aan wetenschappelijk onderzoek verricht is naar vaderschap, maar dat de wetenschappers uit de ene discipline er meestal geen benul van hebben waar hun collega’s uit andere vakgebieden mee bezig zijn. Beetje bij beetje probeert hij de eindjes aan elkaar vast te knopen, de gaten te vullen, verbanden te leggen. Het is een ambitieus project dat moet resulteren in een lijvig boek, dat volgend jaar – ongetwijfeld tegen vaderdag – zal verschijnen onder de titel Do fathers matter? The new science of fatherhood.

In afwachting ventileert hij mondjesmaat feiten en bedenkingen. Zoals deze: vaders zijn vandaag misschien onzekerder dan vroeger, maar ze zijn vooralsnog geen bedreigde soort. Door de economische crisis is hun habitat echter wel in gevaar. Vaders floreren wanneer ze voldoende geld kunnen verdienen om in het levensonderhoud van hun gezin te voorzien. Ze floreren wanneer ze voldoende tijd hebben om met hun kinderen te spelen, ze voor te lezen, samen dingen te bouwen of te knutselen. Ze floreren wanneer ze de tijd hebben om na te denken over de zorg voor hun kinderen. En wanneer ze een goede verstandhouding hebben met hun partner. De slabakkende economie zet hen op twee manieren onder druk: dubbel hard werken om de job te houden in tijden van crisis, dus nauwelijks tijd voor de kinderen. Of job- en inkomensverlies, waardoor de bestaanszekerheid van hun gezin in gevaar komt. Daarin ongewild tekortschieten, valt vaders zwaar.

Held

Mijn vader en zijn vier dochters

Misschien willen vaders, meer dan moeders, ook een beetje de held van hun kinderen zijn. De man die sterk is, zijn kinderen tot tegen het plafond tilt, ze doet gieren van het lachen, alleen maar door gekke bekken te trekken of rare geluiden te maken. De man die slim is, een baken van wijsheid voor zijn kinderen, een levenslange mentor.

Maar het voetstuk voor helden kan glad zijn, vooral als ze vader heten. De Britse uitgever en journalist Gary Drevitch waande zich Superman, vooral toen zijn kinderen nog klein waren. Een heuse Clark Kent, die een niet-aflatende erkenning kreeg voor zijn heldenrol. Kinderen die naar hem opkeken: het moest de sleutel zijn tot een geslaagd vaderschap. Tot hij merkte dat de verlangend uitgestoken armpjes (‘Ik heb je nodig, papa’) van zijn driejarige dochter geen eeuwigheidswaarde bleken te hebben. Dat zijn grapjes niet langer grappig gevonden werden, maar flauw. En toch zou hij een held blijven, zonder dat zij het wisten. Geen Superman, maar Spiderman, die evengoed de wereld redt van al wat slecht is, zonder dat iemand hem daarvoor bedankt of erkenning biedt. Een held in het diepst van zijn gedachten, wetend dat zijn groter wordende kinderen elke ochtend veilig en wel het huis verlaten om vol goede moed hun dromen na te jagen. En zich verkneukelend in het besef dat dit deels aan hem te danken is.

(verschenen in De Standaard op 8 juni 2013)

Als denken malen wordt

Soms draait ons denken dol, en is elke zin zoek. Piekeraars weten er alles van. En piekeren we allemaal niet soms? Maar wat als er een systeem in sluipt, als het je doen en laten gaat bepalen, je nachtrust rooft? ‘Piekeren kan je ziek maken’.

worryingHet gebeurde bijna altijd ’s nachts, in het niemandsland tussen waken en slapen in. Meestal nog op het moment dat de slaap mijn vermoeide lichaam zoetjesaan lamlegde, en alles vaag en warm en doezelig werd. Een paukenslag, die het hart in razende galop liet gaan, het soezende brein genadeloos wakker schudde. Te weinig geschreven, te veel gegeten, telefoontjes uitgesteld, mails onbeantwoord gelaten en misschien wel een handvol mensen op een ondefinieerbare manier onrecht gedaan. Oog op de klok: alweer een uur later. Alweer een uur minder slaap. En morgen staat er zoveel belangrijks op het programma. Het loopt mis, natuurlijk loopt het mis. Alweer gepieker.

Al of niet vermeende nalatigheid, een drukkend geweten en een algeheel gevoel van controleverlies, van onbehagen: het heeft ooit voor doorwaakte nachten vol gepieker gezorgd. Opstaan en een lijstje maken, dat hielp wel eens. Maar de volgende nacht kon het zomaar ineens herbeginnen.

Vreemd genoeg is daar vrij radicaal verandering in gekomen. Niet doordat ik me ineens voorbeeldig en uiterst gedisciplineerd ben gaan gedragen. Nee, het was een simpele beslissing. Een streng en niet te negeren ‘stop!’, gevoed door het besef dat ik mezelf ziek aan het maken was en dat ik toch geen stap verder raakte door het piekeren. Ik gooide de deur dicht, en dat was dat. Of niet: het werd vervangen door nachtenlang tandenknarsen, tot ook dat na enige tijd stilviel. Niets om trots op te zijn, gewoon geluk dat iets simpels als dat ene woord op dat moment volstond.

Soms lukt het mensen niet om het gepieker stil te leggen. Om hen uit de eindeloze maalstroom van gedachten te helpen, is er nu de groepscursusAnders omgaan met piekeren in het UZ Gent: acht sessies, begeleid door psychiater Dirk Van den Abbeele en psycholoog Roland Rogiers. Deelnemen kan alleen na doorverwijzing door een huisarts of andere hulpverlener. Maar er is ook het praktijkgerichte boek Loslaten. Ik pieker als ik niet tegenwoordig ben (Academia Press), dat de twee samen met drie teamleden (Eva Buytaert, Evi De Lissnyder en Marianne Hendrickx) schreven.

Cirkels draaien

zorgenbabyPiekeren is niet hetzelfde als diep nadenken. Het tweede is constructief, of tenminste: kan constructief zijn. Het eerste is dat niet. Roland Rogiers: ‘Uit onderzoek blijkt dat piekeren contraproductief werkt. Had ik me op voorhand zorgen zitten maken over dit interview, dan zou dat ongetwijfeld een negatieve invloed gehad hebben op mijn antwoorden. Te zeer naar binnen gefocust zijn, helpt niet. Doordat piekeren zoveel plaats in ons werkgeheugen inneemt, blijft er minder ruimte over voor probleemoplossend denken.’

‘We vermoeden dat piekeren vooral in gang gezet wordt wanneer de situatie niet is zoals we ze kennen of zoals we verwachten dat ze is. Er is altijd een spagaat tussen verwachtingen en realiteit. Ons lichaam reageert met een zekere alertheid op die discrepantie. Het probleem ontstaat pas als er geen oplossing bestaat voor datgene waarover we nadenken. Een gezonde reactie zou zijn: het gewoon van ons afzetten, en accepteren dat er dingen zijn die je niet kan oplossen of controleren. Maar een piekeraar doet dat niet. Die gaat eindeloos cirkels draaien in zijn hoofd, repetitief dezelfde gedachten of beelden de revue laten passeren, terwijl dat lichaam onafgebroken alert blijft.’

Tijdelijk piekeren is niets om je zorgen over te maken, zegt Rogiers. ‘Iedereen doet dat wel eens. Maar wanneer het piekeren zorgt voor een onophoudelijk slecht gevoel, wanneer je vaker piekert dan de problemen daadwerkelijk aan te pakken, wanneer het gepaard gaat met een diepe bedruktheid, angst of kwaadheid, dan heb je een probleem. Een probleem dat lang onderschat gebleven is. Hoe vaker iemand piekert, hoe meer hij bepaalde hersenverbindingen traint, waardoor het piekeren bijna een vanzelfsprekendheid wordt. Intussen weten we dat piekeren ziek kan maken. Het is een kwetsbaarheidsfactor. Wie vaak piekert, ontwikkelt sneller allerlei psychische klachten, raakt moeilijker los van angsten en depressie. Bovendien is het risico op hervallen bij piekeraars aanzienlijk hoger dan bij mensen die het piekeren onder controle hebben.’

Vrijen of slapen

Zo bekeken lijkt piekeren iets wat we bewust doen: focussen op onze binnenkant, op hinderlijke beelden in ons hoofd, op genante voorvallen, op lastige confrontaties die nog in het verschiet liggen, op onoverkomelijke hindernissen of problemen. Maar het slaap-waakverhaal van daarnet, waarbij we totaal onverwacht overvallen worden door het gepieker, klinkt Rogiers bekend in de oren.

‘Piekeren heeft altijd te maken met aandacht. Het is niet toevallig dat het ons net het vaakst overvalt wanneer we ons in een mentale rusttoestand bevinden. Wanneer we stilvallen na het werk, thuis in de zetel. Of in bed, op het moment dat we zouden moeten slapen. Klassieke momenten waarop de thema’s die ons bezighouden zich aan ons presenteren. Als het bed een piekerplek geworden is, dan moet je het op Pavloviaanse wijze opnieuw conditioneren. Bij de minste piekergedachte opstaan en iets anders gaan doen, en opnieuw gaan slapen als de vermoeidheid toeslaat. Dat kan een tijdlang hard werken en weinig slapen betekenen, maar het bed zou maar twee functies mogen hebben: je ligt daar alleen maar om te vrijen of te slapen.’

Wie aan aandacht sturen denkt, denkt bijna vanzelf aan mindfulness.Maar er is meer. ‘We hebben ons gebaseerd op uitgebreid onderzoek uit het verleden, en hebben een koffer aan mogelijkheden ontworpen. Mindfulnessis er één van. Maar niet alles werkt voor iedereen. De een blijkt het meest gehad te hebben aan inzichten uit de positieve psychologie, de ander heeft ontdekt dat simpelweg opstaan en naar een andere ruimte gaan werkt, nog een ander zweert bij het maken van lijstjes. We beloven niet dat we iemand van het piekeren zullen afhelpen. We kunnen er alleen voor helpen zorgen dat het piekeren een kleinere plaats in het leven gaat innemen.’

Betrokkenheid

stop-worryingToen de Amerikaanse psychologe Susan Nolen-Hoeksema indertijdPiekerprinsessen schreef, stelde ze vast dat piekeren vooral een probleem van de laatste decennia is. Ze zag drie mogelijke oorzaken. We hebben te veel keuzemogelijkheden, we staan te veel op onze rechten (waardoor we vaak piekeren over het al dan niet denkbeeldige onrecht dat ons aangedaan wordt) en we leven in een cultuur van navelstaren, waardoor we elk gevoel meteen op de ontleedtafel willen leggen.

Volgens Roland Rogiers leert piekeren ons altijd iets over datgene wat we belangrijk vinden in het leven. ‘Soms moeten we daar nu eenmaal in gaan schoffelen, om te kijken of al die dingen écht zo belangrijk zijn. Sommige mensen willen het piekeren echter niet loslaten, omdat ze vrezen daardoor de controle te zullen verliezen. Het geeft hen het gevoel dat ze zich verantwoordelijk gedragen. Bij koppels zie je dat weleens: doordat de vader bijvoorbeeld weigert te piekeren over een probleem met een van de kinderen, zal de moeder zich juist suf piekeren. Dat is haar manier om zich betrokken te tonen, ook al zet het geen zoden aan de dijk. Wat alvast niet helpt, is op zo’n moment tegen die vrouw zeggen dat ze niet mág piekeren. Maar je kunt wel technieken proberen toe te passen, die je kunnen helpen. Er is een Chinees gezegde dat het perfect samenvat: Dat de piekervogels over je hoofd vliegen, kun je niet veranderen. Maar je kunt wel verhinderen dat ze nesten bouwen.’

(verschenen in De Standaard van 29 april 2013)

Het hoofd in de wolken

wolken_zwartwitWat dromerige types allang wisten en fanatieke doeners al even lang weglachen, is ook wetenschappelijk bewezen: dagdromen heeft zin. Dagdromers zijn creatiever, en dus op hun manier misschien productiever dan niet-dromers. Eerherstel voor de lanterfanters van deze wereld.

In het klassieke economische denken zijn dagdromers saboteurs. Want is dagdromen geen eufemisme voor luieren? Voor nietsdoen en profiteren? In een wereld waarin tijd geld is en alles draait om duidelijke en meetbare resultaten zetten hun zalige landerigheid en gebrek aan discipline kwaad bloed. Dagdromers passen als een tang op een varken in het kortetermijndenken dat tegenwoordig zo in zwang is.

Voor dit begint te lijken op misplaatste nostalgie: vroeger was het geen haar beter. Honderd jaar geleden gold ledigheid al als het oorkussen van de duivel. En een dikke vijftig jaar geleden waarschuwden ontwikkelingspsychologen ouders voor de gevaren van dagdromen bij hun kinderen: ze zouden er de kans op een latere neurose en zelfs psychose aanzienlijk mee verhogen.

meisje_dagdromenDe glorieuze hoofdrol

Voor Freud was dagdromen niet meer dan een volwassen versie van het fantasierijke kinderspel. Kinderen spelen wat ze zouden willen zijn, stelde hij. Volwassenen durven dat niet meer en beleven het spel enkel nog in hun hoofd. En precies dat is dagdromen. Een kleine complicatie: volgens Freud schamen volwassenen zich voor hun dagdromen, omdat ze weten dat die kinderlijk of ontoelaatbaar zijn. De dagdroom als bewust gestuurde fantasie, waar hij het vermoedelijk over had, is natuurlijk maar één vorm van dagdromen. Als we ons daar al voor schamen, dan is dat wellicht omdat de inhoud ervan zelden altruïstisch is. Aspirant-missen die beweren dat ze dagdromen over wereldvrede, liegen dat ze zwart zien. De Grote Thema’s in onze dagdromen hebben niet zoveel met idealisme van doen. Het draait om lekkere seks of zwijmelende romantiek. Om ijdelheid en eerzucht. De glorieuze hoofdrol is daarbij meestal weggelegd voor onszelf. Natuurlijk droomt u er wel eens van een kinderleven te redden. Maar vergeet vooral niet de — ongetwijfeld knappe — dankbare moeder en de applaudisserende menigte aan de zijlijn te vermelden.

Maar laat dit soort dagdromen — hoe glorierijk of opwindend ook — nu net tot de categorie behoren waarvan wetenschappers nog niet zeker weten of ze wel zo nuttig zijn. Zij zien vooral heil in de mentale omzwervingen die we bijna onbewust ondernemen: het heel even van de wereld af zijn, zonder dat we het goed en wel beseffen.

Eureka!

Arthur Fry was ingenieur en gelegenheidskoorzanger in de presbyteriaanse kerk. Het moet op een zondagmorgen in 1974 geweest zijn. Fry had de gewoonte kleine briefjes tussen de pagina’s van zijn koorboek te stoppen zodat hij telkens snel naar de juiste hymne kon doorbladeren. Maar de briefjes vielen er voortdurend tussenuit. Tijdens de preek dwaalden zijn gedachten af. Tegen de tijd dat de kerkdienst erop zat, was de post-it geboren.
In zijn hoofd, tenminste.

Verhalen over geniale ingevingen tijdens het nietsdoen — of het nu over Archimedes in zijn bad gaat, of over Einstein die, ogenschijnlijk suffend op zijn werk, de relativiteitstheorie bedenkt — krijgen misschien juist door hun alledaagsheid een soort mythisch aura. Ze klinken te simpel om waar te zijn (en zijn dat wellicht ook). Maar ze zijn wel een mooie illustratie van het nut van dagdromen.

Jarenlang was het onderzoek naar dagdromen nattevingerwerk, want gebaseerd op oncontroleerbare antwoorden van proefpersonen. Vragenlijsten leveren zelden betrouwbaar materiaal op, omdat mensen geneigd zijn onder druk van de sociale controle de werkelijkheid een beetje te verfraaien. Zo bleek uit een bepaald onderzoek dat mannen die routineus werk uitvoeren — bij uitstek geschikt om de gedachten te laten afdwalen — wel veel dagdromen, maar dat die dagdromen in minder dan vijf procent van de gevallen seksueel getint waren. Wat dan weer tot enig wenkbrauwengefrons leidde bij andere onderzoekers.

Nog meer nattevingerwerk. Toen Teresa Belton, een onderzoekster aan de Engelse East Anglia University, een bundel verhalen van lagere schoolkinderen las, was ze ontsteld over het gebrek aan fantasie dat uit de verhalen sprak. De kinderen waren nochtans aangemoedigd geweest in hun creativiteit, die ze — zo was hen verteld — helemaal de vrije loop mochten laten. Belton besloot een paar maanden lang de dagindeling van de kinderen te bestuderen. Daaruit bleek vooral dat er geen ruimte was voor leegte en verveling. En dagdromen doe je nu eenmaal sneller wanneer je niets omhanden hebt. ‘Dagdromen veronderstelt een meer ontspannen manier van denken’, stelt ze, ‘waarbij je sneller bereid bent rare of vergezochte ideeën in overweging te nemen.’

Vangen en bewaren

Die rare en vergezochte ideeën vormen vaak de basis voor creatieve inzichten, zo blijkt uit onderzoek van Jonathan Schooler, psycholoog aan de University of California en een prominent onderzoeker op het vlak van dagdromen.

In 2005 onderzocht Schooler hoe vaak onze gedachten afdwalen tijdens een opdracht. Een groep studenten moest de eerste hoofdstukken van Tolstojs Oorlog en vrede lezen. Telkens wanneer hun gedachten afdwaalden, moesten ze daar melding van maken. Dat gebeurde gemiddeld vier tot vijf keer in een tijdspanne van 45 minuten. Op basis van soortgelijke experimenten stelden andere wetenschappers vast dat we tijdens een ons opgelegde taak tot de helft van de tijd met onze gedachten elders zitten.

vrouw_dagdroomIntussen weten we ook wat er in onze hersenen gebeurt tijdens zo’n mentaal uitstapje. Uit hersenscans blijkt dat bij een brein in rust — met andere woorden: wanneer de gedachten vrijelijk alle kanten mogen uitwaaieren — een soort ‘default’ netwerk actief wordt.

Bij een gerichte taak neemt het hoofdnetwerk de zaken weer over, en wordt het ‘default’ netwerk onderdrukt. Maar tijdens bepaalde fases van het dagdromen blijken beide netwerken tegelijk actief te worden. Over wat dan precies gebeurt, zijn wetenschappers het nog niet eens. Een van de hypotheses, onder meer ondersteund door Schooler en zijn team, is dat beide netwerken zich gezamenlijk gaan bezighouden met dingen die verder reiken dan een welomlijnde taak. Wellicht worden daardoor minder voor de hand liggende verbindingen gelegd, waardoor het creatieve denkproces op gang komt.

Schooler gelooft dat het mogelijk is dit creatieve proces aan te zwengelen door eenvoudige, routineuze of meditatieve bezigheden: wandelen, lopen, fietsen, breien, strijken, doedelen, noem maar op. Tegelijk benadrukt hij dat dagdromen niet genoeg is. Je gedachten laten afdrijven, is het gemakkelijke gedeelte. Daarna komt het lastigste: tijdens het afdwalen toch voldoende alertheid aan de dag leggen om een plotseling opduikend idee te herkennen. Zo’n creatief inzicht moet met beide handen gevangen en bewaard worden.

Want net zoals een nachtelijke droom vervliegt als hij niet meteen bij het ontwaken in een verhaal gegoten wordt, geldt dat ook voor ingevingen tijdens het dagdromen.

(eerder verschenen in De Standaard van 24 juli 2010)

Liefde zonder logica

Dat liefde op de ontleedtafel van de wetenschap niet meer is dan een allegaartje van chemische stoffen, weten we intussen wel. Maar wetenschap alleen is niet genoeg. Om de liefde een beetje te begrijpen, hebben we ook fantasie en verhalen nodig.

Bij minnaars en gekken kolkt het in de hersenen
En slaat de rede zo op hol dat juist hun inzicht
Groter is dan wat de koele rede vatten kan

From here to eternityMet deze woorden van Theseus in Midzomernachtsdroom legt Shakespeare alvast een stuk ziel van de liefde – of liever: verliefdheid – bloot: het obsederende, gekmakende verlangen, waardoor een mens tijdelijk zichzelf niet meer is en tegelijk de diepe overtuiging koestert dat hij meer dan ooit zichzelf is. Sterker en levender dan alle anderen en in staat tot nooit geziene grootsheid.

En daar is het dan: het onvermijdelijke roet in het eten, de vermanende vinger van elke relatietherapeut. Dat die romantische, geïdealiseerde kijk op de liefde nefast is voor een langdurige relatie. Dat liefde een werkwoord is, en dat we maar best ons hoofd erbij houden wanneer het erop aankomt de liefde te laten duren.
Allemaal terechte bedenkingen, jazeker. Maar we blijven verliefd worden, want weten en voelen zijn twee, en zelfs zij die een broertje dood hebben aan romantische zwijmelarij worden misschien vroeg of laat door de bliksem getroffen.

Gelukkig kunnen we rationaliseren. Of dat tenminste proberen. Want kom, wat is die fameuze liefde nu eigenlijk meer dan een paar chemische reacties in het brein? Feromonen, dopamines, oxytocine, noem maar op: leg de liefde op de ontleedtafel en dan blijkt ze al snel even opwindend en romantisch als de inhoud van een goedgevuld apotheekkastje.

Maar is dat neurobiologische verhaal niet al te beperkend? Als al die neurotransmitters en hormonen ons alleen maar zo gek maken, omdat we ons zouden voortplanten, hoe zit het dan met homoseksuele relaties en met mensen van zestig die stapelverliefd worden? Wetenschap alleen is ontoereikend. Om te begrijpen of inzichten te verwerven hebben we ook nood aan verhalen, kunst en filosofie. Laten we dus het recht opeisen om heel even, al was het alleen maar vandaag, een middelvinger op te steken naar heel dat wetenschappelijke discours, dat ons determineert en kooit en ons het recht op fantasie ontneemt.

Hevig en eindig

Liefde is de emotie die wellicht het meest tot de verbeelding spreekt. Haar naam wordt wel eens misbruikt, er wordt een beetje smalend of lacherig over haar gedaan, maar in de grond kunnen we haar maar moeilijk missen. Misschien fascineert ze ons zo omdat ze elke andere emotie in haar zog meesleept: blijdschap, verdriet, angst, woede, haat, jaloezie. Maar ook omdat ze zich nooit helemaal laat vangen in woorden. Omdat de erotische, seksueel geladen liefde, die verliefdheid nu eenmaal is, nooit kan blijven duren, want de hevigheid bestaat maar bij gratie van de eindigheid. En omdat de verliefdheid misschien wel verdwijnt, maar het onbestemde verlangen niet. Het verlangen om diezelfde intensiteit nog eens opnieuw te beleven, ook al weten we dat zo’n sterke emotie ons leven niet alleen verrijkt, maar ook overschaduwt.

Toen hij amper 24 was, begon de filosoof Alain de Botton zijn boek Essays in love (in het Nederlands verschenen als Proeven van liefde ) met de woorden: ‘Het verlangen naar een lotsbestemming is nergens sterker dan in ons romantische leven.’ Het boek is een intrigerend relaas vanaf het prille begin van zijn verliefdheid op Chloe, tot het einde van hun relatie.
Zonder iets af te doen aan de oprechtheid en intensiteit van die grote liefde, onderzoekt hij de waarachtigheid van het verhaal dat verliefde mensen elkaar en zichzelf voortdurend vertellen. Zoals de magie van de voorbestemdheid. Want hoe toevallig kan het zijn dat hij en zijn geliefde rond dezelfde tijd geboren werden, in hetzelfde toneelstuk meespeelden op een andere middelbare school, gelijkaardige moedervlekken op een van hun tenen hebben en, ja, zelfs allebei moeten niezen als ze in de zon zitten? Door toevalligheden te mythologiseren, al vertellende een logica te vinden in wat niet logisch is, groeit de overtuiging dat het zo moest zijn. Dat het universum vanaf hun beider geboorte alles op alles gezet heeft om de twee samen te brengen.

Tweelingzielen

Liefde maakt blind, zegt men. Maar niet alleen voor de mindere kanten van de geliefde. We gooien natuurlijk een soort cordon sanitaire op rondom de geliefde: een veilige ruimte, waarbinnen niets van de slechtheid die we soms bij onszelf zien, terug te vinden is. Door een te worden met die geliefde, niet meer te weten waar onze huid eindigt en de huid van de ander begint, hopen we ook een betere versie van onszelf te worden.

Maar er is meer. Het gevoel dat die ene liefde uniek en niet te evenaren is, terwijl we – in het besef dat miljoenen mensen ter wereld elke dag weer precies hetzelfde meemaken – liever niet horen dat het allemaal nogal banaal is. Even banaal als de bewering dat iemand ‘de liefde van je leven’ is. Maar alleen wanneer we terugblikken in het aanschijn van de dood, zullen we dat weten. Heel misschien.

Ondanks het verlangen naar de intensiteit van de verliefdheid, is de behoefte aan een soulmate of een tweelingziel al even menselijk en van alle tijden. Plato beschreef die drang al in zijn mythe over het ontstaan van de liefde. En de rationele Simone de Beauvoir schreef over haar ontmoeting met Sartre in haar Mémoires d’une jeune fille rangée : ‘Sartre kwam exact overeen met de droomgezel naar wie ik al sinds mijn vijftiende verlangde. Hij was de dubbelganger waarin al mijn brandende verlangens tot zinderende hitte oplaaiden. Ik zou altijd alles met hem kunnen delen. Ik wist dat hij nooit meer uit mijn leven zou kunnen verdwijnen.’
Waarom we ervan overtuigd zijn dat iemand onze soulmate is, valt moeilijk te begrijpen. Psychologen zoeken het in sjablonen die we in onze kindertijd meegekregen hebben, en waardoor we in opeenvolgende liefdes op zoek gaan naar variaties op een thema.

Maar niet alleen de vonk tussen twee mensen speelt een rol. Ook de timing moet juist zitten. De man of vrouw die ons in een welbepaalde periode van ons leven in vuur en vlam zet en ons doet geloven dat we voor elkaar bestemd zijn, zouden we enkele jaren eerder of later misschien nauwelijks opmerken. Omdat onze amoureuze behoeften op dat moment vervuld zijn, bijvoorbeeld. Of omdat andere emoties onze energie wegzuigen. En dan is er de onromantische en tegelijk geruststellende gedachte dat er wel meer tweelingzielen op deze aardkloot rondlopen.

Aan het eind van zijn Essays in love geeft Alain de Botton toe dat hij zijn voorbestemdheid voor Chloe verwarde met zijn voorbestemdheid om verliefd te worden. Hij noemt het zijn vergissing: niet zij, maar de liefde was onvermijdelijk.

‘Jij bent niet verliefd op die jongen, maar op de liefde, zoals alle tieners’, zei mijn moeder ooit tegen me. Misschien had ze gelijk, behalve hierin: zijn we uiteindelijk niet allemaal – of bijna allemaal – verliefd op de liefde, en zoeken we daarbij niet naar iemand die in ons verhaal past?

(verschenen in De Standaard op 14 februari 2013)

In mijn fantasie ben ik Alice

aliceIk zou graag zeggen dat ik altijd gehouden heb van Alice’s Adventures in Wonderland en Through the Looking-glass , maar dat is een leugen.
Als kind kende ik eerst de Disneyfilm, en die was naar de zoete normen van de dromenfabriek al behoorlijk grimmig. Toen de hond met de borstelsnuit de weg naar huis letterlijk wegveegde, speelde mijn kinderlijk inlevingsvermogen heftig op en kromp ik ineen van angst. Het verhaal deed me denken aan mijn meest bange dromen: thuiskomen van school en mijn huis niet vinden. Niemand die ooit van mijn ouders gehoord had, niemand die me kende. En dan de angst dat ik wellicht niet eens bestond. Dat de werkelijkheid een droom was, en dat de droom werkelijkheid geworden was.
Ik begreep ook geen snars van alle idiote gesprekken en de kwaadwillige volwassenen of volwassen lijkende creaturen die het verhaal bevolkten. Net op het moment dat ik vat probeerde te krijgen op de wereld, gooiden ze me een zootje knotsgekke figuren voor de voeten. Kinderen houden nu eenmaal van knotsgek, luidt het misverstand.
Wég met knotsgek, vond ik als kind. Sluit al die malloten gewoon op in Wonderland en achter die spiegel, geef in één beweging Pippi Langkous – vervelend wicht, uit de pen gevloeid van de voor de rest meesterlijke Astrid Lindgren – een trap onder haar brutale kont, en leg me even snel uit hoe de wereld écht ineen zit!
Precies wat Alice zou gezegd hebben, besef ik nu.

Copyright Koen Bauters
Copyright Koen Bauters

Stilaan groeide ik uit mijn kinderlijf en kwam de kentering.
Op mijn zeventiende herontdekte ik Alice en raakte ik in de ban van het verhaal en zijn personages. Ik las het boek van begin tot eind met een glimlach – zelf gezien in de spiegel, toen ik tussendoor even naar de wc moest – en af en toe met een schaterlach. De absurditeiten hielden steek, de schepsels die het boek bevolkten waren bijwijlen ontwapenend logisch in hun waanzin.
‘Curiouser and curiouser! cried Alice , en ik met haar.
Mijn aanvankelijke afkeer van Wonderland sloeg om in een Alice-fascinatie, die zelfs op een – inmiddels tot rust gekomen – obsessie begon te lijken. Mijn woonkamer draagt er nog de sporen van: een grote Alice-poster, getekend door Sir John Tenniel, met Alice en de Cheshire-kat. Het had ook de poster met de gekke hoedenmaker en de Maartse haas kunnen zijn, maar die was uitgeput.

In mijn fantasie ben ik Alice.
Niet het onschuldige meisje in het brave blauwe jurkje met schort; ik wil het kind Kathleen niet bruuskeren. Liever ben ik een zelfbewuste, volwassen Alice. In het vuurrood.
Een Alice die nog steeds vat probeert te krijgen op de wereld, en geef toe: die heeft soms wel wat weg van Wonderland.

Dit was mijn antwoord op de vraag – als wie, waar en hoe, zou u zichzelf in uw stoutste verbeelding gefotografeerd willen zien? – die De Standaard der Letteren in de herfst van 2006 aan een aantal schrijvers stelde. Met de foto erbij, die uiteindelijk in de krant kwam. Dank aan Filip Huysegems, die met mij op pad ging om de juiste jurk te vinden, en aan tovenaar-fotograaf Koen Bauters.

Bloedrood, ondraaglijk en erotiserend

Het is een nijdig beest, die liefdesjaloezie. Ze maakt blind, misschien nog blinder dan de liefde zelf. En onbezonnen. Kijk maar naar de maîtresse van ex-CIA-baas David Petraeus. Maar we hebben ze nodig, luidt het alom. Geen liefde zonder jaloezie. Of toch wel?

‘Ik probeerde mijn jaloezie te visualiseren als een geelbruine wolk die in mijn binnenste woedde, om daarna als rook langs mijn neus te ontsnappen en te veranderen in een steen die op de grond neerviel. Dat hielp een beetje. Maar in mijn visioen groeide een plant met giftige bessen uit de steen, of ik dat nu wilde of niet.’
(Het jaar van de vloed, Margaret Atwood)

Iconische grootheden die van hun sokkel vallen, spreken tot de verbeelding, en al helemaal als er passie en seks mee gemoeid zijn. Maar dat jaloezie van de ene minnares op een (misschien) tweede minnares de bom onder de carrière van CIA-baas David Petraeus deed ontploffen, gaf aanleiding tot flink wat besmuikt gegniffel en maakte de petite histoire nog een stukje interessanter. De giftige bessen uit het citaat van Margaret Atwood waren in dit geval mails van Paula Broadwell – minnares 1 en biografe van Petraeus – aan Jill Kelley – vermoedelijke minnares 2. Of die het flirten wilde laten, en meer van dat. Waarna Kelley prompt klacht indiende bij de FBI wegens stalking.

Een mens die door hevige sentimenten – en liefdesjaloezie is niet de minste van die sentimenten – gedreven wordt, zet soms waanzinnig veel op het spel. Reputaties, carrières, huwelijken, gezinnen, misschien levens.

’Ook jaloezie werd niet begrepen: de hel van de gekwetste minnaar.’
(Het paradijs verloren, John Milton)

Een bitterbijtende golf die vanuit de maag opstijgt en in een fractie van een seconde de hartslag in galop jaagt. Gonzende oren en gloeiende wangen. Treiterende warmte, ergens laag in het achterhoofd. Een vertroebelde blik en gedachten als ongeleide projectielen, radeloos en redeloos. Wie het ooit voelde, weet dat liefdesjaloezie schrijnt. Harder en venijniger dan alle andere vormen van jaloezie, misschien wel omdat de sprong in de diepte van zoveel hoger genomen wordt. En omdat het gevoel zoveel moeilijker te vatten is dan andere emoties. Een verwarrende cocktail van woede, verdriet en angst. Frustrerend omwille van de machteloosheid – we hebben geen vat op wat de ander voelt. Vernederend ook. Een vernedering die nog sterker dreigt te worden, omdat we zoals Paula Broadwell, soms geneigd zijn ons belachelijk te maken. Misschien niet voor de ogen van de hele wereld, maar dan toch voor de ogen van de geliefde die ons tot wanhoop drijft. Het geeft een pijnlijke knauw aan ons zelfbeeld. En soms verandert het ons in iemand die we niet willen zijn. Iemand die we niet willen kennen, en die we niet herkennen. Kwaad, nijdig, wantrouwig, koortsachtig op zoek naar iets – mails, Facebookberichten, sms’en, wat dan ook – dat de knagende vermoedens kan bevestigen. Hopend op een ontdekking, en tegelijk doodsbang voor die ontdekking.

‘O, hoed u voor jaloersheid, heer; zij is ’t groenogig monster, dat de spijs bespot die ’t vreet, gelukkig hij die horens draagt, maar ’t weet en van zijn krenkster niet meer houdt. Maar wat voor kwellingen doorstaat de man die mint maar twijfelt, argwaant maar aanbidt!’
(Othello, William Shakespeare)

Door Shakespeare vinden we dat jaloezie groen kleurt. Wie op zoek gaat naar teksten over jaloezie, vindt het woord er geheid een keer of vier, vijf in terug. Een dankbaar cliché, omdat groen ook aan gal doet denken. Of aan vergif: arsenicum met name. En voelt liefdesjaloezie niet een beetje als een gif dat onze ingewanden aanvreet? Toch kleurt jaloezie niet zozeer groen, luidde de conclusie van een onderzoek naar synesthesie – het vermengen van de zintuigen – tussen negatieve gevoelens en kleuren. Aan 661 deelnemers uit vijf geïndustrialiseerde landen, verspreid over de hele wereld, werd gevraagd welke kleur zij zouden toekennen aan die gevoelens. Voor één gevoel was de uitkomst duidelijker dan voor alle andere: jaloezie is rood.

’In die tijd bevredigde hij een zinnelijke nieuwsgierigheid door de genoegens te ervaren van mensen die voor de liefde leven. Hij had geloofd dat hij daar kon stoppen, dat hij niet gedwongen zou zijn ook hun zorgen te leren kennen; hoe futiel leek haar charme nu naast de verbijsterende kwelling niet op elk moment te weten wat ze gedaan had, of haar niet altijd en overal te bezitten!’
(De kant van Swann, Marcel Proust)

Ja, jaloezie is bezitterig. Het zijn enkelingen die eraan lijken te ontsnappen. Onthechte zielen, die er op een jaloersmakende – ha! – manier in slagen zelden of nooit de slaaf van hun emoties te worden. Maar het gros van de mensheid wordt vroeg of laat met de neus op een dubbele en zeer tegenstrijdige waarheid gedrukt. We zijn niet gemaakt voor levenslange monogamie; vrijwel iedereen heeft weleens zin in een ander of wordt simpelweg verliefd. Maar velen vinden de gedachte, alleen nog maar de gedáchte, dat dit ook voor hun partner geldt moeilijk te verteren.

Dat jaloezie niet per se verkeerd is, vertellen relatietherapeuten eensgezind. Wel integendeel: de liefde kan niet zonder jaloezie. Dat het een alarmbel is voor de relatie, een waarschuwing voor mogelijk gevaar. Dat het de liefde zelfs ten goede kan komen, zolang het maar gezond blijft. Binnen de perken. Want er is natuurlijk jaloezie en jaloezie. Psychologen Robert Rydell en Robert Bringle van de universiteit van Indiana (VS) maken onderscheid tussen reactieve en achterdochtige jaloezie. Uit hun onderzoek bleek dat reactieve jaloezie – jaloezie waarvoor een concrete aanleiding bestaat, zoals verliefdheid of seksueel avontuur – het heftigst is bij koppels die een diepgaande vertrouwensband en een sterke wederzijdse afhankelijkheid kennen. De tweede soort jaloezie – de achterdochtige, die puur op al of niet gegronde vermoedens gebaseerd is – zou niet zozeer verband houden met de kwaliteit van de relatie, maar wel met persoonlijkheidskenmerken als onzekerheid en een zwak gevoel van eigenwaarde. De Nederlandse psychologe Pieternel Dijkstra voegt er in haar boek ‘Jaloezie. Omgaan met jaloerse gevoelens’ nog een derde type aan toe: de preventieve jaloezie. Jezelf op je voordeligst presenteren, je partner in de watten leggen op elk vlak – en zeker ook seksueel, moet helpen om elke verleiding van buitenaf te counteren. Een boost voor de relatie, als het even meezit. Maar controlerend en verstikkend als het te ver dreigt te gaan.

’Hij was jaloers op haar toekomst, en zij op zijn verleden.’
(Venusdelta, Anaïs Nin)

Jaloers op wat zij nog aan opwindends op haar pad zal krijgen, jaloers op wat in zijn herinneringen leeft: hoe zinloos kan jaloezie zijn? En waarom we dan met dat ellendige gevoel opgescheept moeten zitten, vraagt een mens zich af. Puur evolutionair bekeken klinkt het verhaal simpel: een kwestie van de genen succesvol door te geven. De oerman was beducht voor seksuele concurrentie van andere mannen, waardoor hij riskeerde een ander kroost dan het zijne te zien geboren worden. Voor de oervrouw was het dan weer zaak ervoor te zorgen dat de kinderen hun fragiele eerste levensjaren doorkwamen. Een vader die in het levensonderhoud van het gezin kon voorzien, verhoogde de overlevingskans van de kinderen aanzienlijk. Om die reden zouden mannen ook nu nog sneller last hebben van jaloezie wanneer hun partner met een ander vrijt, terwijl vrouwen het vooral moeilijk zouden hebben wanneer hun partner een intieme, emotionele band krijgt met een andere vrouw. Maar recente studies zetten de evolutionaire waarheid op de helling. Onderzoekers van de Humboldt-universiteit in Berlijn stelden bijvoorbeeld vast dat er nauwelijks nog verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen inzake seksuele jaloezie. Sterker: bij de vrouwelijke deelnemers aan het onderzoek was de seksuele jaloezie zelfs iets groter dan bij de mannen. Het tweede luik van het evolutionaire verhaal, werd wel bevestigd: vrouwen bleven onverminderd sterker reageren op emotionele ontrouw dan mannen.
Nog meer man-vrouwweetjes? Socioloog Richard Felson van de Universteit van Pennsylvania (VS) bestudeerde moorden, aangevuurd door jaloezie. Hij stelde vast dat mannen hun jaloerse agressie vooral op hun rivaal richten, terwijl jaloerse vrouwen het veeleer op hun eigen partner gemunt hebben.

’Ik weigerde te geloven dat liefde een andere vorm kon aannemen dan die van mij: ik mat liefde af aan de omvang van mijn jaloezie, en dat betekende natuurlijk dat ze helemaal niet van mij kon houden.’
(Het einde van het spel, Graham Greene)

Een mens die gevangen zit in zijn gevoelens, heeft de neiging om zichzelf tot norm te verheffen. Vooral als dat gevoel zo knellend en onontkoombaar is als jaloezie. ‘Ik kan niet anders, dus zo werkt het nu eenmaal.’ Als we aannemen dat die veralgemening klopt, lijken we minder schamel en zwak, hoeven we ons misschien niet schuldig te voelen of te schamen voor dat bloedrode beest. Maar klopt het? Zou jaloezie ook niet, al was het maar gedeeltelijk, cultureel bepaald kunnen zijn? Sociologe Margaret Mead deed indertijd hard haar best om te bewijzen dat het ook anders kon. Ze schreef over gemeenschappen, waarin het normaal was dat een man zijn vrouw of dochter aanbood aan een andere man. Over polygame samenlevingen, waarin nieuwe vrouwen ‘verwelkomd’ werden door de anciens. Lichtend voorbeeld was de bevolking van Samoa, bij wie jaloezie zelden of nooit voorkwam, volgens Mead. Vele jaren later bleek dat ze de waarheid meer dan eens geweld had aangedaan, en dat haar beweringen over Samoa niet helemaal klopten.
Vandaag nemen onderzoekers doorgaans aan dat jaloezie van alle tijden en van overal is, maar dat de manier waarop we die invullen en de manier waarop we ermee omgaan, cultureel bepaald is. Neem nu dat oude Hebreeuwse gebruik, waarbij een weduwe kon hertrouwen met de jongere broer van haar overleden man. En zelfs bij leven van haar echtgenoot een affaire met die jongere broer mocht hebben, zonder dat dit aanleiding gaf tot jaloezie. Anders was het wanneer de vrouw een liaison zou aangaan met de oudere broer van haar man: dan stak de jaloezie onvermijdelijk de kop op.

‘Rendall’s eerst wet van de jaloezie: jaloezie maakt de pik harder en de kut natter.’
(Hoe red ik mijn eigen leven, Erica Jong)

Lang geleden schreef de Nederlandse filosoof Ger Groot een essay over hoe overspel niet alleen machteloze woede oproept, maar tegelijk een erotiserend effect kan hebben op de verbeelding van de bedrogene. Omdat we het niet kunnen laten ons keer op keer voor te stellen hoe die minnaars er samen uitzien, wat ze doen en hoe ze het doen. Een zelfkwelling, waarmee we de wonde openhouden en tegelijk onze eigen begeerte aanwakkeren. Want ‘gekwetst toezien is wat de bedrogene aan de geliefde bindt, en daarom mag die kwetsuur niet verdwijnen’.

Los van het erotiserende effect dat Groot suggereert, is die zelfkwelling – het moeten weten, tot in de kleinste details, hoeveel pijn het ook doet – voor velen herkenbaar. In ‘Scènes uit een huwelijk’ van Ingmar Bergman wil Marianne, de bedrogen echtgenote, dat haar man haar vertelt over zijn liefje. ‘Ik wil weten hoe ze is. Het is veel erger om je iemand voor de geest te halen die geen contouren heeft.’ Ze krijgt een foto te zien – ‘Ontzettend mooie borsten, lijkt me. … Verft ze haar haar? Ze heeft een aardige glimlach. Hebben jullie het goed in bed?’ En zo krijgt ze het noodzakelijke en tegelijk ondraaglijke verhaal te horen over de verliefdheid van haar man en zijn seksuele relatie met zijn minnares. Het niet willen weten, en het tegelijk moeten weten. Omdat de jaloezie, om welke duistere reden ook, daardoor net iets hanteerbaarder wordt.

‘U hebt nooit jaloezie gevoeld, is het niet, Miss Eyre? Natuurlijk niet: ik hoef de vraag niet te stellen, omdat u nooit liefde hebt gevoeld. U moet beide gevoelens nog ervaren. De schok die ze zal wakker maken, moet nog komen.’
(Jane Eyre, Charlotte Brontë)

(Dit is de integrale versie van de tekst die ik voor De Standaard Weekblad van 24 november 2012 scheef – themanummer Jaloezie in de reeks Grote Gevoelens. Titel in het weekblad luidde ‘Jaloezie maakt de pik harder’)

Sprookjes zonder tanden

Papaatje mag niet meer slaan en Sinterklaas moet Zwarte Piet en de roe thuis laten. De populaire kindercultuur wordt steeds liever en zoeter, de kloof met de werkelijkheid almaar groter. Hoe goed we het ook bedoelen, er is een schaduwkant aan de verzoeting.

Papegaai is ziek en hij zal… eventjes aan de baxter moeten maar niet lang hoor en als hij braaf is krijgt hij een lolly en dan mag hij weer naar huis. Ik kon niet anders dan hardop lachen toen ik dit Facebookbericht van Eva Mouton las. In al zijn eenvoud illustreert het perfect de absurditeit van onze tomeloze drang om kinderen tegen zowat alles te beschermen. Tegen stoutheid, tegen de boze buitenwereld, tegen pijn en verdriet en werkelijkheidsbesef. We koesteren de illusie dat we het leven kunnen hertekenen. Dat we de wereld kunnen herscheppen in een Kinderparadijs. Een zoete, veilige cocon waarin woorden als slaan en dood niet bestaan en waarin de geringste suggestie van naaktheid of seks geweerd wordt. Het is een wereld waar iedereen altijd lief is voor kinderen, met verhalen die in de beste Disneytraditie een happy end kennen, begeleid door aanzwellende violen en triomfantelijk kleppende kerkklokken. Geen mens die eraan twijfelt dat dit allemaal gebeurt vanuit de beste bedoelingen. Er spreekt zorg en liefde uit. Maar het is niet helemaal eerlijk. De kloof tussen de populaire kindercultuur en het echte leven wordt almaar groter, en daarmee bewijzen we onze kinderen geen dienst.

Weg met de roe

Aanleiding voor het Facebookbericht van Eva Mouton was het ‘Versjes- en rijmpjesboek’ van Kaatje van Ketnet, waarin het liedje ‘Klein klein kleutertje’ nog een stuk braver wordt dan het al is. Mamaatje mag niet meer kijven, papaatje mag niet meer slaan. In de plaats daarvan wordt – net zoals in Nederland het geval is – mamaatje met aandrang gevraagd te liegen – of juister: kattenkwaad te verzwijgen – tegen papaatje. Dat liegen nu ook niet bepaald stichtend is, merkte Mieke Syryn, lector Muzische Vorming, terecht op in DS van 6 november. Bovendien suggereert het evengoed dat papaatje een bruut is.

Volgens VRT-woordvoerder Björn Verdoodt heeft de nieuwe versie van het liedje niets te maken met censuur, maar reflecteert het de tijdgeest. Over het eerste kan gediscussieerd worden, het tweede lijkt in elk geval te kloppen. Want precies rond deze tijd verschijnt ook de Sinterklaas-cd van Kathleen Aerts, beter bekend als de vroegere blonde van K3. Ook bij haar wordt alles wat kinderen enigszins kan verontrusten weggefilterd. ‘Ik wou Lewis (haar zoontje – nvdr) al wat voorbereiden op Sinterklaas en had een paar Sinterklaas-cd’s gekocht die aan de kassa lagen’, vertelt ze in Het Nieuwsblad. ‘Toen ik die liedjes hoorde, viel me toch weer op hoe schrikwekkend die teksten soms zijn. Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe… Ik werd daar als kind zelf ook bang van, van de Zwarte Pieten vooral. Daar wil ik nu liever een positieve boodschap meegeven: de Sint is een goedheilig man die voor iedereen cadeautjes brengt.’ Alle kindjes zijn dus braaf, ook de stoute. Geen roe meer om het stof uit hun ondeugende broekjes te kloppen (wat klinkt dat fout in deze tijd), geen stinkende jutezak om ze de stuipen mee op het lijf te jagen – o, wat daverde ook ik van angst voor die zak, jazeker, maar een trauma heb ik er niet aan overgehouden. En liefst geen Zwarte Pieten meer, want die zijn griezelig. (Misschien kunnen we nu meteen gaan bakkeleien over hoe politiek correct dat is. Maar dat is voor een andere keer)

Weg met pinda’s en dwergen

Is er dan echt geen sprake van censuur? Ik betwijfel het sterk. Misschien moet ik beginnen met een verhaal dat zich veilig ver van huis afspeelt. In de VS bijvoorbeeld, want in Europese ogen durven die Amerikanen hun gevoel voor maat al eens te verliezen. Vooral als het over kinderen gaat. Uitgevers van schoolboeken kunnen ervan meespreken. Het verminken van klassieke kinderverhalen is er vaste prik geworden. Geen enkel kind mag het gevoel krijgen dat het minder waard is dan een ander. Schrappen dus, dat verhaal waarin pinda’s gegeten worden, want sommige kinderen zijn daar allergisch voor. Naar de prullenmand met dat verhaal over dwergen, want dat is te pijnlijk voor kinderen die aan dwerggroei lijden. Muizen, luizen, ratten, kakkerlakken en slangen: weg ermee! Veel te eng. Kinderen krijgen er misschien wel nachtmerries van. Ook verjaardagsfeestjes kunnen niet meer, want in sommige godsdiensten worden die niet gevierd. Als die kinderen moeten toekijken hoe een ander wél cadeautjes krijgt en plezier maakt, voelen ze zich vast dubbel ellendig. Het resultaat: brave, onschadelijke schoolboeken, geen spat aanstootgevend. Maar zielloos en oeverloos saai.

Weg met piemels, uiers en slipjes

Ook alles wat zelfs maar van ver aan naaktheid of seks zou doen denken, moet eraan geloven. Europese illustratoren die af en toe voor de Amerikaanse markt werken, kunnen ervan meespreken. De Duitse Rotraut Susanne Berner weigerde ooit een minuscuul piemeltje in een kinderboek te overschilderen en zag zo een lucratieve deal met een Amerikaanse uitgeverij aan haar neus voorbijgaan. En onze eigen Ingrid Godon kreeg van haar Engelse uitgever, die ook op de Amerikaanse markt mikt, het dwingende verzoek in het prentenboek ‘What shall we do with the Boo-hoo baby?’ een koe zonder uier te tekenen. Ze gaf toe omdat het haar goed uitkwam, zo’n halve koe. Dat schiep meteen ruimte voor andere dingen. Het boek met de uierloze koe kent inmiddels 40 vertalingen. ‘Met uier zouden het er wellicht een pak minder geweest zijn’, beseft Ingrid Godon.

Het regent in Amerika, en hier doet het inmiddels meer dan alleen maar druppelen. Kinderen en seks, of zelfs maar naaktheid: het is ook bij ons een lastige evenwichtsoefening geworden. Dutroux en de verhalen over kindermisbruik in alle geledingen van de samenleving zijn hier – ik druk me voorzichtig uit – niet vreemd aan. Vorig jaar schreef ik, naar aanleiding van de dood van Marcel Marlier, voor de letterenbijlage van deze krant een column over Tiny’s slipje. Mijn zoon had zich met een groepje vrienden en vriendinnen kostelijk geamuseerd met het doorbladeren van oude Tiny-albums: al die meisjes die zich toevallig bukken, waardoor hun broekje tevoorschijn komt! De conclusie van het groepje prille twintigers was eensluidend: dat zou vandaag niet meer kunnen. Ik vrees dat ze gelijk hadden. En dat vond ik verwarrend. Porno alom, maar een getekend kinderslipje is te geil? Het symboliseert hoe groot de kloof tussen de populaire kindercultuur en de werkelijkheid is.

Als je je maar lekker voelt

Lang geleden trok de Nederlands-Israëlische historica en pedagoge Lea Dasberg in haar boek ‘Grootbrengen door kleinhouden’ van leer tegen wat ze het ‘jeugdland’ noemde, een kunstmatige parallelwereld waarin kinderen zich alleen maar met zichzelf en hun eigen genoegens hoeven bezig te houden. Niet verwonderlijk dus dat ze als jongvolwassene geen zin hebben om als betrokken burger hun intrede te doen in de grote wereld, vond ze. In 1993 vertelde ze in een interview: ‘De terechte bescherming is in deze eeuw te ver doorgeschoten in het isolement van het kind. Uit angst het kinderzieltje te beschadigen, krijgt het nu helemaal geen indrukken meer te verwerken…. De enige norm die zij meekrijgen is: als je je maar lekker voelt. Dat is onvoldoende.’

Dasberg lijkt vandaag een roepende in de woestijn. Maar ze had een punt, al denk ik dat er meer speelt dan koudwatervrees voor plicht en verantwoordelijkheid. Hoe goed onze bedoelingen ook zijn, het zonnige Kinderparadijs heeft meer dan één schaduwkant. Leren omgaan met frustraties, met tegenslagen, met pijn: het hoort bij het leven. Dit is geen pleidooi voor een terugkeer naar de stichtelijke kindercultuur van weleer, met boeken als ‘Struwwelpeter’ van Heinrich Hoffman, waarin de duimen van het hoofdpersonage afgeknipt worden omdat hij het duimzuigen niet kan laten. Zo bloederig hoeft het echt niet. Maar kinderen koste wat het kost weghouden van alles wat ze uit hun comfortzone haalt, zorgt vermoedelijk voor een lagere frustratiedrempel op het moment dat ze hun intrede moeten maken in de echte wereld. Wie de winter nooit gekend heeft, kan niet tegen de kou.

Echt leven

Maar er is ook nog die andere, bijzonder duistere schaduwvlek. Voor een aanzienlijke groep kinderen bestaat Kinderparadijs niet. In 2011 kregen de Vlaamse en Brusselse Vertrouwenscentra 7.163 meldingen – over 10.188 kinderen – van vermoedelijke mishandeling en/of verwaarlozing. Een kwart daarvan ging over seksueel misbruik. Niet alle gevallen van mishandeling of verwaarlozing worden gemeld, dus wellicht zijn de echte aantallen nog een stuk hoger. Drie tot acht procent van de kinderen wordt ernstig gepest. Bij een kleine helft van hen zal dat leiden tot blijvende emotionele littekens, die door psychologen vergeleken worden met een oorlogstrauma. Een veelvoud van die kinderen zal in de loop van zijn jonge leven een naaste verliezen of de speelbal worden in een pijnlijke echtscheiding. Ze kunnen ziek worden en heel soms zullen ze ook sterven voor ze volwassen zijn. Je zult maar zo’n kind zijn in een wereld waarin het in elk verhaal en elk liedje alleen maar feest is.

Neen, ik wil de pret niet drukken. Ik wil geen spelbreker zijn. Ik hoor het u denken: gun ze toch wat lol, laat ze ontsnappen en wegdromen! Dat mogen ze voor mijn part, als het kan helpen. Ik wens elk kind vanuit de grond van mijn hart liedjes en verhalen met ruimte voor vrolijkheid, lichtheid, lucht en leven toe. Echt leven, als het even kan.

(verschenen in de rubriek ‘Op scherp’ in De Standaard van 10 november 2012)

Tiny’s slipje

Naar aanleiding van mijn essay in wording over de kloof tussen kindercultuur en werkelijkheid, viste ik de column op die ik na de dood van Marcel Marlier voor De Standaard der Letteren schreef.

Mijn droommeisje is dood. Mee het graf in met Marcel Marlier, de man die haar en haar karamellen wereld vormgaf.

Tiny was de ongekroonde prinses van het land van melk en honing. Lief, mooi, slim en multigetalenteerd. Een beetje een trut, dat wel. Zo braaf en volmaakt dat ze onuitstaanbaar had moeten zijn. Maar ik was gek op Tiny, bewonderde haar, wilde zijn zoals zij. Dat is vreemd, want poppen die er te zoet en te perfect uitzagen, kleedde ik genadeloos uit. Of ik gaf er een paar meppen op. Toen was ik drie of zo. Ach ja, die poppen waren ook zo leeg en stom, terwijl Tiny geweldige dingen meemaakte. Verre reizen, paardrijden! Of heel gewone dingen, zoals koken en moedertje spelen, maar dan wel in een majestueus decor.

Toen ik zeven was, moest ik voor het eerst een opstelletje schrijven. Een soort verhaaltje, had ik begrepen. Ik pleegde schaamteloos plagiaat, en schreef: ‘Het is nacht. Buiten glinsteren de sterren, de bloemen rusten en de bomen slapen.’ Het waren de beginzinnen uit Tiny in het circus, en ik vond ze hartverscheurend mooi. De juffrouw kon er niet mee lachen.

Onlangs vertelde mijn zoon hoe hij met een groepje vrienden en vriendinnen had zitten gieren om Tiny. ‘Die slipjes! Hoe ze zich altijd toevallig bukt: dat zou nu toch niet meer kunnen.’ Het is verdorie nog waar ook. Gerda Dendooven — zo ongeveer de Vlaamse meter van Tiny — merkte ooit op dat Marlier de venusheuveltjes van kleine meisjes wel goed bestudeerd moest hebben. Tiny op ballet zou vandaag wellicht geen uitgever meer vinden. Te pornografisch. Was mijn droommeisje een prikkelpop? Het bracht een andere verre herinnering terug. Hoe ik als kind keer op keer naar dat plaatje wilde kijken van Tiny op de glijbaan, met dat opwaaiende jurkje. Mijn ogen haakten zich vast aan dat slipje. Het was zo mooi en zo wit en waarom kreeg ik het toch altijd zo warm als ik het zag? Niet behaaglijk of gezellig warm. Veeleer lekker warm, ergens tussen mijn benen. En toch. Wie seks en kinderen in één zin denkt of noemt, voelt zich algauw een viespeuk.

Eerlijk? Ik ben in de war. De zoete, onschuldige Tiny, gecreëerd in zoete, onschuldige tijden, bevatte prentjes waar geen hond aanstoot aan nam. Vandaag is het mechanische pompen en hijgen van porno maar een muisklik weg, maar Tiny’s slipje is te geil. Seks is overal. Seks is nergens. Als het over kinderen gaat. Of liever: dat zouden we wel willen.

(verschenen in De Standaard der Letteren op 28 januari 2011)