Palestijnse vader gelauwerd om uitzonderlijk vredesgebaar

Toen de twaalfjarige Palestijn Ahmed Khatib doodgeschoten werd door Israëlische soldaten, stelde zijn vader een wel erg opmerkelijk gebaar: de organen van zijn zoon mochten gebruikt worden om de levens van Israëlische kinderen te redden. ‘Want kinderen hebben niets met dit conflict van doen. Ze zijn onschuldig en hebben het recht om te leven.’

Copyright Geertje De Waegeneer
Copyright Geertje De Waegeneer

Het gebeurde op een novemberdag in 2005, in het vluchtelingenkamp bij de Palestijnse stad Jenin, op de Westelijke Jordaanoever. De ramadan was net gedaan, en de twaalfjarige Ahmed Khatib ging de deur uit om een stropdas te kopen. Maar onderweg naar de winkel liep het anders. Ahmed botste op twee vriendjes en bleef in de straten van Jenin hangen om te spelen. Oorlogje spelen, want dat is wat kinderen nu eenmaal doen: ze spelen het leven na. Het leven zoals het is. Midden in zijn spel schoot een Israëlische soldaat hem in zijn been en in zijn hoofd. Omdat hij een speelgoedwapen bij zich had, dat verdacht veel op een kalashnikov leek, zo luidde het officieel. Maar vader Ismaël Khatib schudt het hoofd: ‘Niemand heeft achteraf een speelgoedwapen dat op een kalashnikov leek gevonden, omdat hij er geen bijhad. Het is een van de vele verhalen die door het Israëlische leger verzonnen worden, om het doden van Palestijnse kinderen te rechtvaardigen.’

Het laatste kind dat sterft

Ahmed was klinisch dood. Een machine hield hem kunstmatig in leven. Toen de behandelende arts aan vader Khatib vroeg of hij de organen van zijn zoontje wilde doneren aan zieke kinderen, verspreid over Israël, begon hij te huilen. Dat hij tijd mocht nemen om te overleggen met zijn vrouw, zei de dokter. Want misschien was het te veel gevraagd: ook joodse kinderen stonden immers op de wachtlijst voor een donororgaan.

Weigeren had een vorm van vergelding kunnen zijn. Maar het echtpaar Khatib stemde, na de nadrukkelijke goedkeuring van een religieuze leider én het hoofd van de Al-Aqsa-brigades, in met de donatie. ‘Kinderen hebben niets te maken met dit conflict,’ luidde Khatibs oordeel. ‘We kunnen een joods kind niet verwijten wat zijn regering aanricht. Kinderen hebben het recht om te leven. Hun afkomst doet er niet toe.’

Ehud Olmert – toen nog medewerker van premier Sharon, later zelf premier – belde Khatib op om hem te bedanken. Zijn woorden klonken nobel: ‘Ik hoop zo dat Ahmed het laatste kind is dat sterft in dit conflict.’ En prompt nodigde hij Khatib uit om Sharon te ontmoeten. ‘Dat heb ik geweigerd,’ zegt Khatib. ‘Voor mij is het niet die ene soldaat die Ahmed gedood heeft. Het was de verantwoordelijkheid van de regering. Van Sharon dus.’

Olmerts hoop op beterschap, kreeg een nasmaak van ongeloofwaardigheid. Toen in 2008 de oorlog in Gaza losbarstte, kwamen nog eens 45 kinderen om. En de teller blijft sedertdien aantikken.

Papa van vijf nieuwe kinderen

Vier kinderen – waaronder Menuha Levinson, het dochtertje van orthodoxe joden – en een volwassen vrouw kregen een nieuw leven dankzij de beslissing van de Khatibs. Een vijfde kind, een baby van acht maanden oud, overleefde de transplantatie niet. Met Samah, een druzenmeisje dat het hart van Ahmed kreeg, en Mohamed, een bedoeïnenjongen die één van Ahmeds nieren kreeg, heeft Khatib inmiddels een warm contact. ‘Het is familie geworden,’ zegt hij onomwonden. ‘Ahmed leeft voort in zoveel andere kinderen. Ik heb er vijf kinderen bij gekregen, zo zie ik het.’ Elke dag telefoneert hij met Samah en Mohamed. Tijdens alle belangrijke feesten zoeken ze elkaar op. Ze noemen hem ‘papa’.

Met de familie Levinson heeft hij geen contact meer. In ‘Das Herz von Jenin’, de bijzonder aangrijpende documentaire die de Duitse filmmakers Leon Geller en Marcus Vetter over hem maakten, zien we hoe pijnlijk stroef de enige ontmoeting tussen Khatib en de Levinsons verloopt. Het is voorspelbaar, want van bij het begin laat het orthodox-joodse gezin horen dat ze liever een donornier van een joods kind zouden gehad hebben. De familie ontmoeten, willen ze liever niet. Maar wanneer het verzoek er toch komt, wordt het ingewilligd. Er wordt een cadeautje overhandigd en een onwennige bedanking uitgesproken. Een kort gesprek, waarbij het wederzijdse ongemak en de kilte bijna tastbaar zijn.

Vredesprijs

Ismaël Khatib is een grote man met een zachtmoedige uitstraling. Hij oogt vermoeid, maar beantwoordt met geduld en overtuiging alle vragen, die hem misschien al zo vaak eerder gesteld zijn. Hij is een beroemdheid geworden, een ambassadeur van de vrede, of hij dat nu wil of niet. Deze week krijgt hij een vredesprijs van de Limburgse gemeente Houthalen. De hele week door reist hij van gastgezin naar gastgezin, vergezeld van een Duits-Palestijnse tolk.

België is het voorlopig laatste in een lange rij landen die Ismaël Khatib willen huldigen. In de Arabische wereld wordt hij op handen gedragen, maar ook elders in de wereld vindt zijn verhaal weerklank: maar liefst 28 landen nodigden hem tot nu toe uit om hem te huldigen.

Dat de reacties op zijn geste nochtans niet eensluidend positief waren, vertelt hij. Ook niet bij de Palestijnen. ‘Sommigen vonden het een mooi gebaar, en juichten het toe. Anderen vonden het onbegrijpelijk dat ik joodse kinderen wilde redden. Bij de Israëli’s heerste evenzeer verwarring. Ik heb de indruk dat sommigen beschaamd waren. Ze vinden het raar dat een Palestijn bereid is het leven van een Israëli te redden.’

In de documentaire sluipt er zelfs enige bitterheid in zijn betoog: ‘Sommigen hadden me wellicht liever als zelfmoordterrorist gezien: een Palestijn die een kind doodt in plaats van het te redden.’ Een duidelijk vijandbeeld maakt het oorlogvoeren immers een stuk gemakkelijker.

En toch was ook hij ooit zo’n Palestijn die geweld gebruikte. Geboren en opgegroeid in een vluchtelingenkamp, woedend omwille van het onrecht dat hij om zich heen zag, sloot hij zich aan bij de eerste intifada en werd een van de vele molotovcocktails- en stenengooiende jongeren. Toen hij in de gevangenis terechtkwam, smeekte zijn vader hem af te zien van verder geweld. Khatib zwichtte. Hij trouwde, kreeg zes kinderen en werd achtereenvolgens winkelier en garagist.

Cultuur als wapen

Ahmed KhatibHet geweld heeft Ismaël Khatib radicaal afgezworen. Hij heeft een andere manier gekozen om zich te verzetten. Onderwijs en opvoeding. En cultuur. Met de financiële steun van de Italiaanse stad Cueno richtte hij in Jenin het ‘Cuneo Peace Center’ op. ‘De straten van Jenin zijn onveilig voor kinderen,’ licht hij toe, ‘dus wilde ik een ruimte creëren waar kinderen in alle veiligheid kunnen spelen en leren. Waar ze zingen, musiceren, dansen, toneelspelen en schilderen. Waar ze leren hoe rijk cultuur is, hoe rijk ook andere culturen kunnen zijn. Ik geloof er rotsvast in dat cultuur bruggen bouwt. Dat het de communicatie bevordert en mensen met elkaar verbindt.’

Dankzij Duitse steun is er inmiddels ook een filmzaal in het vluchtelingenkamp: Cinema Jenin.

Ahmed Khatib mag dan dood zijn, zijn naam reist de wereld rond. In Canada werd de wet die de relatie tussen donors en ontvangers van organen moet verbeteren, de Ahmed Khatibwet genoemd. En er worden scholen en culturele centra naar de jongen vernoemd.

Het verhaal spreekt zo sterk tot de verbeelding dat er nu ook een Duits-Amerikaanse film in de maak over het leven van Ismaël Khatib. En als een Duitse actiegroep haar zin krijgt, wordt de man in de toekomst misschien voorgedragen als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Vrede.

Khatib zelf bekijkt het allemaal nogal rustig, zonder hooggespannen verwachtingen. Voor de eer en de roem doet hij het niet. Hij wil vooral dat zijn boodschap gehoord wordt: het geweld moet stoppen, en er moet een menswaardige en rechtvaardige oplossing gezocht worden. ‘Ik ben België alvast dankbaar, omdat het vorig jaar ingestemd heeft met het Palestijnse lidmaatschap van de Unesco, en dat het nu de Palestijnse statusverhoging bij de VN steunt. Dat betekent veel voor ons.’

(Verschenen in De Standaard op 14 december 2012)

Wanneer hij in mijn ogen keek, bestond alleen ik

(Fragment uit ‘Zijdeman’, dat eind januari verschijnt. Dit is de stem van de 11-jarige Louis)

In de Rue des Boulets staat een boom. Een witte moerbei.
Het is de volmaakte boom. De enige die ik nodig heb. Hij staat bij een landhuis, achter in de tuin, maar ik kan erbij. Er zit een gat in de haag, helemaal onderaan. Net groot genoeg om mij erdoor te laten. Wie het niet weet, ziet het niet.
Het is bijna te mooi om waar te zijn.

De moerbei, Vincent Van Gogh (1889)
De moerbei, Vincent Van Gogh (1889)

Eerst herken ik hem niet. Hij lijkt me een boom als alle andere bomen. Maar wanneer ik op een oktoberochtend langs de enorme tuin loop, laat de boom zijn bladeren los. Ik loop eronder en het begint te regenen. Geen water, maar bladeren. Een regen van gele bladeren. Ik kijk omhoog tot ik duizelig word van het geel dat op me af dwarrelt. Wel een uur blijf ik staan. Tot de boom kaal is. Ik sta in een enkelhoog geel tapijt. Er is geen zuchtje wind.
Nu weet ik het zeker.
Mijn vader heeft het me verteld. Weet je, Louis, zei hij. Weet je dat er maar één boom op de hele wereld is die wacht tot de vrieskou geweken is? Hij wacht tot het laat in de lente is. Pas dan gaan zijn bladknoppen open. Zo weet hij zeker dat de vrieskou ze niet kapot laat gaan. En in de herfst houdt hij zijn bladeren lang vast. Hij wacht op de eerste vriesnacht. Als die nacht voorbij is, laat hij al zijn bladeren in één keer los. Kijk, Louis, zo ziet de witte moerbei eruit. En hij liet me plaatjes zien en wees op de knoestige stam en op de takken. Kijk eens, Louis, hoe dicht ze bij elkaar staan. Hoe ze door elkaar lopen.
En terwijl hij vertelde over het blad dat de vorm van een hart had en me wees op de gekartelde randen, prentte ik de tekening in mijn hoofd om nooit meer te vergeten. Maar misschien keek ik nog meer naar mijn vader. En wilde ik hem zijn. Wanneer hij vertelde over een boom, dan was er alleen maar een boom. Wanneer hij in een boek las, dan was er alleen maar dat boek. En wanneer hij in mijn ogen keek, dan bestond alleen ik.
Zo was mijn vader. Wat zeg ik? Zo ís mijn vader. Zo helemaal anders dan mijn moeder of Camille. Hun ogen zijn vlinders. Ze praten met mij en hun blik glijdt weg. Ze kijken naar mij, maar nooit langer dan zes seconden. Ik tel het soms en weet precies wanneer ze zullen wegkijken. En drie of vier seconden later kijken ze weer naar mij. Voor even. Ik weet dan nooit of ze me echt hebben gezien. Ik weet zeker dat ze veel dingen zien, allebei. Maar veel is te veel.
Ik zie minder, maar hoe ik zie. Niemand weet hoe ik de dingen zie. Hoe scherp ze soms zijn. Hoe diep ze lijken. Hoe hard ze aan me trekken, alsof ze licht geven en handen hebben.
Ik zou het niet anders willen.
Ik zou het niet anders kunnen.

Ik heb het onthouden. Ik heb alles onthouden wat mijn vader me heeft verteld.
De witte moerbei is een boom, slimmer dan alle andere.
Ik houd mijn armen open en vang de laatste vallende bladeren op. Ze hebben een gekartelde rand. En de vorm van een hart. Dit moet een witte moerbei zijn.
Het is echt bijna te mooi om waar te zijn.

In mijn fantasie ben ik Alice

aliceIk zou graag zeggen dat ik altijd gehouden heb van Alice’s Adventures in Wonderland en Through the Looking-glass , maar dat is een leugen.
Als kind kende ik eerst de Disneyfilm, en die was naar de zoete normen van de dromenfabriek al behoorlijk grimmig. Toen de hond met de borstelsnuit de weg naar huis letterlijk wegveegde, speelde mijn kinderlijk inlevingsvermogen heftig op en kromp ik ineen van angst. Het verhaal deed me denken aan mijn meest bange dromen: thuiskomen van school en mijn huis niet vinden. Niemand die ooit van mijn ouders gehoord had, niemand die me kende. En dan de angst dat ik wellicht niet eens bestond. Dat de werkelijkheid een droom was, en dat de droom werkelijkheid geworden was.
Ik begreep ook geen snars van alle idiote gesprekken en de kwaadwillige volwassenen of volwassen lijkende creaturen die het verhaal bevolkten. Net op het moment dat ik vat probeerde te krijgen op de wereld, gooiden ze me een zootje knotsgekke figuren voor de voeten. Kinderen houden nu eenmaal van knotsgek, luidt het misverstand.
Wég met knotsgek, vond ik als kind. Sluit al die malloten gewoon op in Wonderland en achter die spiegel, geef in één beweging Pippi Langkous – vervelend wicht, uit de pen gevloeid van de voor de rest meesterlijke Astrid Lindgren – een trap onder haar brutale kont, en leg me even snel uit hoe de wereld écht ineen zit!
Precies wat Alice zou gezegd hebben, besef ik nu.

Copyright Koen Bauters
Copyright Koen Bauters

Stilaan groeide ik uit mijn kinderlijf en kwam de kentering.
Op mijn zeventiende herontdekte ik Alice en raakte ik in de ban van het verhaal en zijn personages. Ik las het boek van begin tot eind met een glimlach – zelf gezien in de spiegel, toen ik tussendoor even naar de wc moest – en af en toe met een schaterlach. De absurditeiten hielden steek, de schepsels die het boek bevolkten waren bijwijlen ontwapenend logisch in hun waanzin.
‘Curiouser and curiouser! cried Alice , en ik met haar.
Mijn aanvankelijke afkeer van Wonderland sloeg om in een Alice-fascinatie, die zelfs op een – inmiddels tot rust gekomen – obsessie begon te lijken. Mijn woonkamer draagt er nog de sporen van: een grote Alice-poster, getekend door Sir John Tenniel, met Alice en de Cheshire-kat. Het had ook de poster met de gekke hoedenmaker en de Maartse haas kunnen zijn, maar die was uitgeput.

In mijn fantasie ben ik Alice.
Niet het onschuldige meisje in het brave blauwe jurkje met schort; ik wil het kind Kathleen niet bruuskeren. Liever ben ik een zelfbewuste, volwassen Alice. In het vuurrood.
Een Alice die nog steeds vat probeert te krijgen op de wereld, en geef toe: die heeft soms wel wat weg van Wonderland.

Dit was mijn antwoord op de vraag – als wie, waar en hoe, zou u zichzelf in uw stoutste verbeelding gefotografeerd willen zien? – die De Standaard der Letteren in de herfst van 2006 aan een aantal schrijvers stelde. Met de foto erbij, die uiteindelijk in de krant kwam. Dank aan Filip Huysegems, die met mij op pad ging om de juiste jurk te vinden, en aan tovenaar-fotograaf Koen Bauters.

Naakt en dampend in het gras

Een zweethutritueel.

Geen idee wat ik precies moet verwachten. Verder dan een sauna met een spiritueel sausje raakt mijn fantasie voorlopig niet. De sauna lijkt me wel wat, de spiritualiteit iets minder. Waarom zoveel mensen soelaas zoeken en schijnen te vinden in geadopteerde spiritualiteit van indianen (de Lakota in dit geval), sjamanen, of Tibetanen, is me al jaren een raadsel, maar ook hiervan wil ik graag een oefening in deemoed en verwondering maken. Wat de boer niet kent, dat vreet-ie niet, en laat ik nu net een alleseter – of op zijn minst een allesproever – zijn.

Gastvrouw Marleenzweethut en Marie-José, die straks vuurvrouw zal zijn, hoeden er zich voor zichzelf ‘sjamaan’ te noemen. Dat klinkt te hoogdravend. Maar ze vertellen wel graag en met enthousiasme wat ze zo bijzonder vinden aan het sjamanisme. ‘Het is een oeroude natuurreligie,’ legt Marie-José uit, ‘en je vindt er in zowat elke cultuur sporen van terug. Er zijn drie basisgedachten. Alles wat is, leeft. We zijn allemaal gelijk. En er is meer dan wat we zien. Als je dat laatste accepteert, kun je je openstellen voor gidsen of helpers.’

Ik mag helpen de zweethut ‘aan te kleden’: lakens en dekens worden over de naakte houten constructie gedrapeerd, net zoveel tot het binnen aardedonker is. ‘Dit is in zekere zin de baarmoeder van Moeder Aarde,’ verduidelijkt Marie-José, ‘waar je straks als klein, naakt kindje zult binnengaan.’ Krachten die we niet meer nodig hebben, zullen we loslaten, luidt het. En via de gebedsstenen die verhit worden in het vuur, krijgen we nieuwe energie van de zon binnen. ‘Je moet je wel kwetsbaar durven opstellen,’ waarschuwt ze. Ik knik. En vraag me meteen af hoe kwetsbaar, en of ik niet te zeer overspoeld zal raken door een golf van hinderlijke emoties. Maar het moet. Met een pantser van cynisme en onverschilligheid tussen mensen gaan zitten die zich helemaal geven in dit ritueel, zou getuigen van weinig respect.

Zeven vrouwen en twee mannen, tel ik. De opgelatenheid die me vaak overvalt in een groep onbekenden, houdt zich mooi gedeisd. Ik voel me merkwaardig snel op mijn gemak tussen het toch behoorlijk heterogene gezelschap. De sfeer is vriendelijk, zonder opdringerig te zijn. Ik krijg C., in het echte leven manager van een bedrijf met 130 werknemers, toegewezen als ‘beschermer’. Ik vraag me af waarom ik bescherming nodig heb, maar iedereen lijkt het een uitstekend idee te vinden: het kan heftig worden, zeker zo’n eerste keer.

We gaan rond de vuurplaats staan en mogen om beurten een steen  nemen en een gebed uitspreken, waarna de steen in het midden gelegd wordt. Dat ik niet bid, laat ik voorzichtig weten, met een half vingertje in de lucht. Maakt niets uit, zo blijkt. Bidden of wensen, noem het zoals je zelf wilt. Dus spreek ik mijn wens uit, breng de steen naar omhoog en naar mijn hart – zoals me gevraagd is – en leg hem daarna op de brandstapel. Iedere windrichting krijgt een vuurmaker. Ik mag het westen in brand steken, en dat blijkt minder evident dan ik dacht. Ik maak proppen papier, strijk lucifers aan, blaas me suf om de lachwekkend kleine vlammetjes aan te wakkeren, maar mijn talenten liggen duidelijk elders. Gelukkig profiteer ik al snel mee van het hevige vuur uit het noorden, vakkundig aangestoken door C.

Terwijl de stenen heet worden, maken we een streng met gebedszakjes, gevuld met tabak en bedoeld om mensen die we kennen kracht of andere goede dingen toe te wensen, en zoeken we in de natuur naar een krachtvoorwerp dat onze ‘aardse gidsen’ symboliseert. Dat wordt in mijn geval een gladde steen met een lichte en donkere kant, met mos omhuld. Alle voorwerpen worden op een altaar gelegd.

De kleren gaan uit, de handdoeken worden omgeslagen. Nog even de vier windrichtingen groeten, terwijl Hilde – trouwe helpster van de vuurvrouw – iedereen smudget: ze brandt salie en waaiert met een veer de rook uit over ons lichaam. Dat moet ons energetisch zuiveren. We mogen een voor een over het vuurpad lopen, knielen, en voor we de zweethut binnenkruipen – de ingang is nu eenmaal laag – zeggen we ‘voor al onze relaties’. ‘Ho, mitakuye oyasin,’ vertaalt Marleen.  Het is een zinnetje dat ik nog ontelbare keren zal horen vandaag. Ik ga zitten tussen Marleen en C. De gebedszakjes worden opgehangen in de hut, en dan is het tijd voor de eerste ronde. Hilde brengt de verhitte stenen één voor één binnen en legt ze in de vuurput in het midden. En dan wordt het, op de roodgloeiende stapel stenen na, pikdonker. Marleen giet af en toe water op de stenen, en strooit er kruiden of etherische oliën op: ceder, lavendel, salie.  Het is een ritueel dat zich tot vier keer toe zal herhalen in de loop van de komende uren. Ze slaat af en toe op een trom, spreekt tot de geesten van de verschillende windstreken en tot ons. Er wordt gezongen, en ook veel gezwegen. Het wordt bloedheet, en ik raak bedwelmd door de bijzondere sfeer en de ongewone intimiteit tussen volslagen onbekenden. Het donker maakt alles veilig.  Af en toe wordt een steen doorgegeven, en mag diegene die de steen vasthoudt om kracht en andere dingen vragen. Het gaat nogal veel over liefde, respect en verbondenheid, en het raakt me allemaal meer dan ik gedacht had. Het no nonsense-mens dat ik zo graag ben of wil zijn, raakt vreemd ontroerd. Ik denk dat ik muisstil ben, maar links en rechts wrijft iemand over mijn rug. Een paar keren gaat de flap open en mogen we afkoelen buiten. De eerste keer kruip ik behoedzaam naar buiten – zit mijn handdoek wel goed? De tweede keer kan het me geen lap meer schelen en ga ik – zonder handdoek – languit liggen in het natte gras. Mijn lijf dampt uitbundig in de herfstlucht, mijn hart gaat in galop, en ik voel mijn bloed sneller stromen. Nog even onderdompelen in een teil ijskoud water, en we gaan voor een laatste keer de hut in.

Na afloop zit ik in het gras bij het vuur. Ik voel me vol en leeg tegelijk.  Op en top sereen en verzoend met alles. Voor even tenminste. Voor de rest van de dag, en die erna ook. Het wordt donker en begint te regenen, maar ik heb geen zin om weg te gaan bij het vuur. Tot ik begin te klappertanden en bedenk dat het misschien toch wijzer zou zijn naar binnen te gaan en me aan te kleden.

De avond loopt lang uit. Iedereen heeft eten meegebracht, er wordt nagepraat en behoorlijk veel gelachen. Ik beken: ik ben enthousiast. Voor geadopteerde spiritualiteit voel ik nog steeds niet veel. Maar wat kan het me schelen: mijn hoofd is fris, mijn lijf zindert van de deugd.

(dit stuk hoort thuis in de reeks ‘De Geluksmarkt’ die ik ooit voor De Standaard Magazine  maakte, maar doordat ik uiteindelijk slechts zes in plaats van tien afleveringen mocht leveren, werd het nooit gepubliceerd)

Bloedrood, ondraaglijk en erotiserend

Het is een nijdig beest, die liefdesjaloezie. Ze maakt blind, misschien nog blinder dan de liefde zelf. En onbezonnen. Kijk maar naar de maîtresse van ex-CIA-baas David Petraeus. Maar we hebben ze nodig, luidt het alom. Geen liefde zonder jaloezie. Of toch wel?

‘Ik probeerde mijn jaloezie te visualiseren als een geelbruine wolk die in mijn binnenste woedde, om daarna als rook langs mijn neus te ontsnappen en te veranderen in een steen die op de grond neerviel. Dat hielp een beetje. Maar in mijn visioen groeide een plant met giftige bessen uit de steen, of ik dat nu wilde of niet.’
(Het jaar van de vloed, Margaret Atwood)

Iconische grootheden die van hun sokkel vallen, spreken tot de verbeelding, en al helemaal als er passie en seks mee gemoeid zijn. Maar dat jaloezie van de ene minnares op een (misschien) tweede minnares de bom onder de carrière van CIA-baas David Petraeus deed ontploffen, gaf aanleiding tot flink wat besmuikt gegniffel en maakte de petite histoire nog een stukje interessanter. De giftige bessen uit het citaat van Margaret Atwood waren in dit geval mails van Paula Broadwell – minnares 1 en biografe van Petraeus – aan Jill Kelley – vermoedelijke minnares 2. Of die het flirten wilde laten, en meer van dat. Waarna Kelley prompt klacht indiende bij de FBI wegens stalking.

Een mens die door hevige sentimenten – en liefdesjaloezie is niet de minste van die sentimenten – gedreven wordt, zet soms waanzinnig veel op het spel. Reputaties, carrières, huwelijken, gezinnen, misschien levens.

’Ook jaloezie werd niet begrepen: de hel van de gekwetste minnaar.’
(Het paradijs verloren, John Milton)

Een bitterbijtende golf die vanuit de maag opstijgt en in een fractie van een seconde de hartslag in galop jaagt. Gonzende oren en gloeiende wangen. Treiterende warmte, ergens laag in het achterhoofd. Een vertroebelde blik en gedachten als ongeleide projectielen, radeloos en redeloos. Wie het ooit voelde, weet dat liefdesjaloezie schrijnt. Harder en venijniger dan alle andere vormen van jaloezie, misschien wel omdat de sprong in de diepte van zoveel hoger genomen wordt. En omdat het gevoel zoveel moeilijker te vatten is dan andere emoties. Een verwarrende cocktail van woede, verdriet en angst. Frustrerend omwille van de machteloosheid – we hebben geen vat op wat de ander voelt. Vernederend ook. Een vernedering die nog sterker dreigt te worden, omdat we zoals Paula Broadwell, soms geneigd zijn ons belachelijk te maken. Misschien niet voor de ogen van de hele wereld, maar dan toch voor de ogen van de geliefde die ons tot wanhoop drijft. Het geeft een pijnlijke knauw aan ons zelfbeeld. En soms verandert het ons in iemand die we niet willen zijn. Iemand die we niet willen kennen, en die we niet herkennen. Kwaad, nijdig, wantrouwig, koortsachtig op zoek naar iets – mails, Facebookberichten, sms’en, wat dan ook – dat de knagende vermoedens kan bevestigen. Hopend op een ontdekking, en tegelijk doodsbang voor die ontdekking.

‘O, hoed u voor jaloersheid, heer; zij is ’t groenogig monster, dat de spijs bespot die ’t vreet, gelukkig hij die horens draagt, maar ’t weet en van zijn krenkster niet meer houdt. Maar wat voor kwellingen doorstaat de man die mint maar twijfelt, argwaant maar aanbidt!’
(Othello, William Shakespeare)

Door Shakespeare vinden we dat jaloezie groen kleurt. Wie op zoek gaat naar teksten over jaloezie, vindt het woord er geheid een keer of vier, vijf in terug. Een dankbaar cliché, omdat groen ook aan gal doet denken. Of aan vergif: arsenicum met name. En voelt liefdesjaloezie niet een beetje als een gif dat onze ingewanden aanvreet? Toch kleurt jaloezie niet zozeer groen, luidde de conclusie van een onderzoek naar synesthesie – het vermengen van de zintuigen – tussen negatieve gevoelens en kleuren. Aan 661 deelnemers uit vijf geïndustrialiseerde landen, verspreid over de hele wereld, werd gevraagd welke kleur zij zouden toekennen aan die gevoelens. Voor één gevoel was de uitkomst duidelijker dan voor alle andere: jaloezie is rood.

’In die tijd bevredigde hij een zinnelijke nieuwsgierigheid door de genoegens te ervaren van mensen die voor de liefde leven. Hij had geloofd dat hij daar kon stoppen, dat hij niet gedwongen zou zijn ook hun zorgen te leren kennen; hoe futiel leek haar charme nu naast de verbijsterende kwelling niet op elk moment te weten wat ze gedaan had, of haar niet altijd en overal te bezitten!’
(De kant van Swann, Marcel Proust)

Ja, jaloezie is bezitterig. Het zijn enkelingen die eraan lijken te ontsnappen. Onthechte zielen, die er op een jaloersmakende – ha! – manier in slagen zelden of nooit de slaaf van hun emoties te worden. Maar het gros van de mensheid wordt vroeg of laat met de neus op een dubbele en zeer tegenstrijdige waarheid gedrukt. We zijn niet gemaakt voor levenslange monogamie; vrijwel iedereen heeft weleens zin in een ander of wordt simpelweg verliefd. Maar velen vinden de gedachte, alleen nog maar de gedáchte, dat dit ook voor hun partner geldt moeilijk te verteren.

Dat jaloezie niet per se verkeerd is, vertellen relatietherapeuten eensgezind. Wel integendeel: de liefde kan niet zonder jaloezie. Dat het een alarmbel is voor de relatie, een waarschuwing voor mogelijk gevaar. Dat het de liefde zelfs ten goede kan komen, zolang het maar gezond blijft. Binnen de perken. Want er is natuurlijk jaloezie en jaloezie. Psychologen Robert Rydell en Robert Bringle van de universiteit van Indiana (VS) maken onderscheid tussen reactieve en achterdochtige jaloezie. Uit hun onderzoek bleek dat reactieve jaloezie – jaloezie waarvoor een concrete aanleiding bestaat, zoals verliefdheid of seksueel avontuur – het heftigst is bij koppels die een diepgaande vertrouwensband en een sterke wederzijdse afhankelijkheid kennen. De tweede soort jaloezie – de achterdochtige, die puur op al of niet gegronde vermoedens gebaseerd is – zou niet zozeer verband houden met de kwaliteit van de relatie, maar wel met persoonlijkheidskenmerken als onzekerheid en een zwak gevoel van eigenwaarde. De Nederlandse psychologe Pieternel Dijkstra voegt er in haar boek ‘Jaloezie. Omgaan met jaloerse gevoelens’ nog een derde type aan toe: de preventieve jaloezie. Jezelf op je voordeligst presenteren, je partner in de watten leggen op elk vlak – en zeker ook seksueel, moet helpen om elke verleiding van buitenaf te counteren. Een boost voor de relatie, als het even meezit. Maar controlerend en verstikkend als het te ver dreigt te gaan.

’Hij was jaloers op haar toekomst, en zij op zijn verleden.’
(Venusdelta, Anaïs Nin)

Jaloers op wat zij nog aan opwindends op haar pad zal krijgen, jaloers op wat in zijn herinneringen leeft: hoe zinloos kan jaloezie zijn? En waarom we dan met dat ellendige gevoel opgescheept moeten zitten, vraagt een mens zich af. Puur evolutionair bekeken klinkt het verhaal simpel: een kwestie van de genen succesvol door te geven. De oerman was beducht voor seksuele concurrentie van andere mannen, waardoor hij riskeerde een ander kroost dan het zijne te zien geboren worden. Voor de oervrouw was het dan weer zaak ervoor te zorgen dat de kinderen hun fragiele eerste levensjaren doorkwamen. Een vader die in het levensonderhoud van het gezin kon voorzien, verhoogde de overlevingskans van de kinderen aanzienlijk. Om die reden zouden mannen ook nu nog sneller last hebben van jaloezie wanneer hun partner met een ander vrijt, terwijl vrouwen het vooral moeilijk zouden hebben wanneer hun partner een intieme, emotionele band krijgt met een andere vrouw. Maar recente studies zetten de evolutionaire waarheid op de helling. Onderzoekers van de Humboldt-universiteit in Berlijn stelden bijvoorbeeld vast dat er nauwelijks nog verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen inzake seksuele jaloezie. Sterker: bij de vrouwelijke deelnemers aan het onderzoek was de seksuele jaloezie zelfs iets groter dan bij de mannen. Het tweede luik van het evolutionaire verhaal, werd wel bevestigd: vrouwen bleven onverminderd sterker reageren op emotionele ontrouw dan mannen.
Nog meer man-vrouwweetjes? Socioloog Richard Felson van de Universteit van Pennsylvania (VS) bestudeerde moorden, aangevuurd door jaloezie. Hij stelde vast dat mannen hun jaloerse agressie vooral op hun rivaal richten, terwijl jaloerse vrouwen het veeleer op hun eigen partner gemunt hebben.

’Ik weigerde te geloven dat liefde een andere vorm kon aannemen dan die van mij: ik mat liefde af aan de omvang van mijn jaloezie, en dat betekende natuurlijk dat ze helemaal niet van mij kon houden.’
(Het einde van het spel, Graham Greene)

Een mens die gevangen zit in zijn gevoelens, heeft de neiging om zichzelf tot norm te verheffen. Vooral als dat gevoel zo knellend en onontkoombaar is als jaloezie. ‘Ik kan niet anders, dus zo werkt het nu eenmaal.’ Als we aannemen dat die veralgemening klopt, lijken we minder schamel en zwak, hoeven we ons misschien niet schuldig te voelen of te schamen voor dat bloedrode beest. Maar klopt het? Zou jaloezie ook niet, al was het maar gedeeltelijk, cultureel bepaald kunnen zijn? Sociologe Margaret Mead deed indertijd hard haar best om te bewijzen dat het ook anders kon. Ze schreef over gemeenschappen, waarin het normaal was dat een man zijn vrouw of dochter aanbood aan een andere man. Over polygame samenlevingen, waarin nieuwe vrouwen ‘verwelkomd’ werden door de anciens. Lichtend voorbeeld was de bevolking van Samoa, bij wie jaloezie zelden of nooit voorkwam, volgens Mead. Vele jaren later bleek dat ze de waarheid meer dan eens geweld had aangedaan, en dat haar beweringen over Samoa niet helemaal klopten.
Vandaag nemen onderzoekers doorgaans aan dat jaloezie van alle tijden en van overal is, maar dat de manier waarop we die invullen en de manier waarop we ermee omgaan, cultureel bepaald is. Neem nu dat oude Hebreeuwse gebruik, waarbij een weduwe kon hertrouwen met de jongere broer van haar overleden man. En zelfs bij leven van haar echtgenoot een affaire met die jongere broer mocht hebben, zonder dat dit aanleiding gaf tot jaloezie. Anders was het wanneer de vrouw een liaison zou aangaan met de oudere broer van haar man: dan stak de jaloezie onvermijdelijk de kop op.

‘Rendall’s eerst wet van de jaloezie: jaloezie maakt de pik harder en de kut natter.’
(Hoe red ik mijn eigen leven, Erica Jong)

Lang geleden schreef de Nederlandse filosoof Ger Groot een essay over hoe overspel niet alleen machteloze woede oproept, maar tegelijk een erotiserend effect kan hebben op de verbeelding van de bedrogene. Omdat we het niet kunnen laten ons keer op keer voor te stellen hoe die minnaars er samen uitzien, wat ze doen en hoe ze het doen. Een zelfkwelling, waarmee we de wonde openhouden en tegelijk onze eigen begeerte aanwakkeren. Want ‘gekwetst toezien is wat de bedrogene aan de geliefde bindt, en daarom mag die kwetsuur niet verdwijnen’.

Los van het erotiserende effect dat Groot suggereert, is die zelfkwelling – het moeten weten, tot in de kleinste details, hoeveel pijn het ook doet – voor velen herkenbaar. In ‘Scènes uit een huwelijk’ van Ingmar Bergman wil Marianne, de bedrogen echtgenote, dat haar man haar vertelt over zijn liefje. ‘Ik wil weten hoe ze is. Het is veel erger om je iemand voor de geest te halen die geen contouren heeft.’ Ze krijgt een foto te zien – ‘Ontzettend mooie borsten, lijkt me. … Verft ze haar haar? Ze heeft een aardige glimlach. Hebben jullie het goed in bed?’ En zo krijgt ze het noodzakelijke en tegelijk ondraaglijke verhaal te horen over de verliefdheid van haar man en zijn seksuele relatie met zijn minnares. Het niet willen weten, en het tegelijk moeten weten. Omdat de jaloezie, om welke duistere reden ook, daardoor net iets hanteerbaarder wordt.

‘U hebt nooit jaloezie gevoeld, is het niet, Miss Eyre? Natuurlijk niet: ik hoef de vraag niet te stellen, omdat u nooit liefde hebt gevoeld. U moet beide gevoelens nog ervaren. De schok die ze zal wakker maken, moet nog komen.’
(Jane Eyre, Charlotte Brontë)

(Dit is de integrale versie van de tekst die ik voor De Standaard Weekblad van 24 november 2012 scheef – themanummer Jaloezie in de reeks Grote Gevoelens. Titel in het weekblad luidde ‘Jaloezie maakt de pik harder’)

Sprookjes zonder tanden

Papaatje mag niet meer slaan en Sinterklaas moet Zwarte Piet en de roe thuis laten. De populaire kindercultuur wordt steeds liever en zoeter, de kloof met de werkelijkheid almaar groter. Hoe goed we het ook bedoelen, er is een schaduwkant aan de verzoeting.

Papegaai is ziek en hij zal… eventjes aan de baxter moeten maar niet lang hoor en als hij braaf is krijgt hij een lolly en dan mag hij weer naar huis. Ik kon niet anders dan hardop lachen toen ik dit Facebookbericht van Eva Mouton las. In al zijn eenvoud illustreert het perfect de absurditeit van onze tomeloze drang om kinderen tegen zowat alles te beschermen. Tegen stoutheid, tegen de boze buitenwereld, tegen pijn en verdriet en werkelijkheidsbesef. We koesteren de illusie dat we het leven kunnen hertekenen. Dat we de wereld kunnen herscheppen in een Kinderparadijs. Een zoete, veilige cocon waarin woorden als slaan en dood niet bestaan en waarin de geringste suggestie van naaktheid of seks geweerd wordt. Het is een wereld waar iedereen altijd lief is voor kinderen, met verhalen die in de beste Disneytraditie een happy end kennen, begeleid door aanzwellende violen en triomfantelijk kleppende kerkklokken. Geen mens die eraan twijfelt dat dit allemaal gebeurt vanuit de beste bedoelingen. Er spreekt zorg en liefde uit. Maar het is niet helemaal eerlijk. De kloof tussen de populaire kindercultuur en het echte leven wordt almaar groter, en daarmee bewijzen we onze kinderen geen dienst.

Weg met de roe

Aanleiding voor het Facebookbericht van Eva Mouton was het ‘Versjes- en rijmpjesboek’ van Kaatje van Ketnet, waarin het liedje ‘Klein klein kleutertje’ nog een stuk braver wordt dan het al is. Mamaatje mag niet meer kijven, papaatje mag niet meer slaan. In de plaats daarvan wordt – net zoals in Nederland het geval is – mamaatje met aandrang gevraagd te liegen – of juister: kattenkwaad te verzwijgen – tegen papaatje. Dat liegen nu ook niet bepaald stichtend is, merkte Mieke Syryn, lector Muzische Vorming, terecht op in DS van 6 november. Bovendien suggereert het evengoed dat papaatje een bruut is.

Volgens VRT-woordvoerder Björn Verdoodt heeft de nieuwe versie van het liedje niets te maken met censuur, maar reflecteert het de tijdgeest. Over het eerste kan gediscussieerd worden, het tweede lijkt in elk geval te kloppen. Want precies rond deze tijd verschijnt ook de Sinterklaas-cd van Kathleen Aerts, beter bekend als de vroegere blonde van K3. Ook bij haar wordt alles wat kinderen enigszins kan verontrusten weggefilterd. ‘Ik wou Lewis (haar zoontje – nvdr) al wat voorbereiden op Sinterklaas en had een paar Sinterklaas-cd’s gekocht die aan de kassa lagen’, vertelt ze in Het Nieuwsblad. ‘Toen ik die liedjes hoorde, viel me toch weer op hoe schrikwekkend die teksten soms zijn. Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe… Ik werd daar als kind zelf ook bang van, van de Zwarte Pieten vooral. Daar wil ik nu liever een positieve boodschap meegeven: de Sint is een goedheilig man die voor iedereen cadeautjes brengt.’ Alle kindjes zijn dus braaf, ook de stoute. Geen roe meer om het stof uit hun ondeugende broekjes te kloppen (wat klinkt dat fout in deze tijd), geen stinkende jutezak om ze de stuipen mee op het lijf te jagen – o, wat daverde ook ik van angst voor die zak, jazeker, maar een trauma heb ik er niet aan overgehouden. En liefst geen Zwarte Pieten meer, want die zijn griezelig. (Misschien kunnen we nu meteen gaan bakkeleien over hoe politiek correct dat is. Maar dat is voor een andere keer)

Weg met pinda’s en dwergen

Is er dan echt geen sprake van censuur? Ik betwijfel het sterk. Misschien moet ik beginnen met een verhaal dat zich veilig ver van huis afspeelt. In de VS bijvoorbeeld, want in Europese ogen durven die Amerikanen hun gevoel voor maat al eens te verliezen. Vooral als het over kinderen gaat. Uitgevers van schoolboeken kunnen ervan meespreken. Het verminken van klassieke kinderverhalen is er vaste prik geworden. Geen enkel kind mag het gevoel krijgen dat het minder waard is dan een ander. Schrappen dus, dat verhaal waarin pinda’s gegeten worden, want sommige kinderen zijn daar allergisch voor. Naar de prullenmand met dat verhaal over dwergen, want dat is te pijnlijk voor kinderen die aan dwerggroei lijden. Muizen, luizen, ratten, kakkerlakken en slangen: weg ermee! Veel te eng. Kinderen krijgen er misschien wel nachtmerries van. Ook verjaardagsfeestjes kunnen niet meer, want in sommige godsdiensten worden die niet gevierd. Als die kinderen moeten toekijken hoe een ander wél cadeautjes krijgt en plezier maakt, voelen ze zich vast dubbel ellendig. Het resultaat: brave, onschadelijke schoolboeken, geen spat aanstootgevend. Maar zielloos en oeverloos saai.

Weg met piemels, uiers en slipjes

Ook alles wat zelfs maar van ver aan naaktheid of seks zou doen denken, moet eraan geloven. Europese illustratoren die af en toe voor de Amerikaanse markt werken, kunnen ervan meespreken. De Duitse Rotraut Susanne Berner weigerde ooit een minuscuul piemeltje in een kinderboek te overschilderen en zag zo een lucratieve deal met een Amerikaanse uitgeverij aan haar neus voorbijgaan. En onze eigen Ingrid Godon kreeg van haar Engelse uitgever, die ook op de Amerikaanse markt mikt, het dwingende verzoek in het prentenboek ‘What shall we do with the Boo-hoo baby?’ een koe zonder uier te tekenen. Ze gaf toe omdat het haar goed uitkwam, zo’n halve koe. Dat schiep meteen ruimte voor andere dingen. Het boek met de uierloze koe kent inmiddels 40 vertalingen. ‘Met uier zouden het er wellicht een pak minder geweest zijn’, beseft Ingrid Godon.

Het regent in Amerika, en hier doet het inmiddels meer dan alleen maar druppelen. Kinderen en seks, of zelfs maar naaktheid: het is ook bij ons een lastige evenwichtsoefening geworden. Dutroux en de verhalen over kindermisbruik in alle geledingen van de samenleving zijn hier – ik druk me voorzichtig uit – niet vreemd aan. Vorig jaar schreef ik, naar aanleiding van de dood van Marcel Marlier, voor de letterenbijlage van deze krant een column over Tiny’s slipje. Mijn zoon had zich met een groepje vrienden en vriendinnen kostelijk geamuseerd met het doorbladeren van oude Tiny-albums: al die meisjes die zich toevallig bukken, waardoor hun broekje tevoorschijn komt! De conclusie van het groepje prille twintigers was eensluidend: dat zou vandaag niet meer kunnen. Ik vrees dat ze gelijk hadden. En dat vond ik verwarrend. Porno alom, maar een getekend kinderslipje is te geil? Het symboliseert hoe groot de kloof tussen de populaire kindercultuur en de werkelijkheid is.

Als je je maar lekker voelt

Lang geleden trok de Nederlands-Israëlische historica en pedagoge Lea Dasberg in haar boek ‘Grootbrengen door kleinhouden’ van leer tegen wat ze het ‘jeugdland’ noemde, een kunstmatige parallelwereld waarin kinderen zich alleen maar met zichzelf en hun eigen genoegens hoeven bezig te houden. Niet verwonderlijk dus dat ze als jongvolwassene geen zin hebben om als betrokken burger hun intrede te doen in de grote wereld, vond ze. In 1993 vertelde ze in een interview: ‘De terechte bescherming is in deze eeuw te ver doorgeschoten in het isolement van het kind. Uit angst het kinderzieltje te beschadigen, krijgt het nu helemaal geen indrukken meer te verwerken…. De enige norm die zij meekrijgen is: als je je maar lekker voelt. Dat is onvoldoende.’

Dasberg lijkt vandaag een roepende in de woestijn. Maar ze had een punt, al denk ik dat er meer speelt dan koudwatervrees voor plicht en verantwoordelijkheid. Hoe goed onze bedoelingen ook zijn, het zonnige Kinderparadijs heeft meer dan één schaduwkant. Leren omgaan met frustraties, met tegenslagen, met pijn: het hoort bij het leven. Dit is geen pleidooi voor een terugkeer naar de stichtelijke kindercultuur van weleer, met boeken als ‘Struwwelpeter’ van Heinrich Hoffman, waarin de duimen van het hoofdpersonage afgeknipt worden omdat hij het duimzuigen niet kan laten. Zo bloederig hoeft het echt niet. Maar kinderen koste wat het kost weghouden van alles wat ze uit hun comfortzone haalt, zorgt vermoedelijk voor een lagere frustratiedrempel op het moment dat ze hun intrede moeten maken in de echte wereld. Wie de winter nooit gekend heeft, kan niet tegen de kou.

Echt leven

Maar er is ook nog die andere, bijzonder duistere schaduwvlek. Voor een aanzienlijke groep kinderen bestaat Kinderparadijs niet. In 2011 kregen de Vlaamse en Brusselse Vertrouwenscentra 7.163 meldingen – over 10.188 kinderen – van vermoedelijke mishandeling en/of verwaarlozing. Een kwart daarvan ging over seksueel misbruik. Niet alle gevallen van mishandeling of verwaarlozing worden gemeld, dus wellicht zijn de echte aantallen nog een stuk hoger. Drie tot acht procent van de kinderen wordt ernstig gepest. Bij een kleine helft van hen zal dat leiden tot blijvende emotionele littekens, die door psychologen vergeleken worden met een oorlogstrauma. Een veelvoud van die kinderen zal in de loop van zijn jonge leven een naaste verliezen of de speelbal worden in een pijnlijke echtscheiding. Ze kunnen ziek worden en heel soms zullen ze ook sterven voor ze volwassen zijn. Je zult maar zo’n kind zijn in een wereld waarin het in elk verhaal en elk liedje alleen maar feest is.

Neen, ik wil de pret niet drukken. Ik wil geen spelbreker zijn. Ik hoor het u denken: gun ze toch wat lol, laat ze ontsnappen en wegdromen! Dat mogen ze voor mijn part, als het kan helpen. Ik wens elk kind vanuit de grond van mijn hart liedjes en verhalen met ruimte voor vrolijkheid, lichtheid, lucht en leven toe. Echt leven, als het even kan.

(verschenen in de rubriek ‘Op scherp’ in De Standaard van 10 november 2012)

Tiny’s slipje

Naar aanleiding van mijn essay in wording over de kloof tussen kindercultuur en werkelijkheid, viste ik de column op die ik na de dood van Marcel Marlier voor De Standaard der Letteren schreef.

Mijn droommeisje is dood. Mee het graf in met Marcel Marlier, de man die haar en haar karamellen wereld vormgaf.

Tiny was de ongekroonde prinses van het land van melk en honing. Lief, mooi, slim en multigetalenteerd. Een beetje een trut, dat wel. Zo braaf en volmaakt dat ze onuitstaanbaar had moeten zijn. Maar ik was gek op Tiny, bewonderde haar, wilde zijn zoals zij. Dat is vreemd, want poppen die er te zoet en te perfect uitzagen, kleedde ik genadeloos uit. Of ik gaf er een paar meppen op. Toen was ik drie of zo. Ach ja, die poppen waren ook zo leeg en stom, terwijl Tiny geweldige dingen meemaakte. Verre reizen, paardrijden! Of heel gewone dingen, zoals koken en moedertje spelen, maar dan wel in een majestueus decor.

Toen ik zeven was, moest ik voor het eerst een opstelletje schrijven. Een soort verhaaltje, had ik begrepen. Ik pleegde schaamteloos plagiaat, en schreef: ‘Het is nacht. Buiten glinsteren de sterren, de bloemen rusten en de bomen slapen.’ Het waren de beginzinnen uit Tiny in het circus, en ik vond ze hartverscheurend mooi. De juffrouw kon er niet mee lachen.

Onlangs vertelde mijn zoon hoe hij met een groepje vrienden en vriendinnen had zitten gieren om Tiny. ‘Die slipjes! Hoe ze zich altijd toevallig bukt: dat zou nu toch niet meer kunnen.’ Het is verdorie nog waar ook. Gerda Dendooven — zo ongeveer de Vlaamse meter van Tiny — merkte ooit op dat Marlier de venusheuveltjes van kleine meisjes wel goed bestudeerd moest hebben. Tiny op ballet zou vandaag wellicht geen uitgever meer vinden. Te pornografisch. Was mijn droommeisje een prikkelpop? Het bracht een andere verre herinnering terug. Hoe ik als kind keer op keer naar dat plaatje wilde kijken van Tiny op de glijbaan, met dat opwaaiende jurkje. Mijn ogen haakten zich vast aan dat slipje. Het was zo mooi en zo wit en waarom kreeg ik het toch altijd zo warm als ik het zag? Niet behaaglijk of gezellig warm. Veeleer lekker warm, ergens tussen mijn benen. En toch. Wie seks en kinderen in één zin denkt of noemt, voelt zich algauw een viespeuk.

Eerlijk? Ik ben in de war. De zoete, onschuldige Tiny, gecreëerd in zoete, onschuldige tijden, bevatte prentjes waar geen hond aanstoot aan nam. Vandaag is het mechanische pompen en hijgen van porno maar een muisklik weg, maar Tiny’s slipje is te geil. Seks is overal. Seks is nergens. Als het over kinderen gaat. Of liever: dat zouden we wel willen.

(verschenen in De Standaard der Letteren op 28 januari 2011)

Saai is het nieuwe interessant

Saai is vooral wat we niet willen zijn. We sloven ons uit om zo origineel en gepassioneerd mogelijk uit de hoek te komen. Tot de overprikkeling ons versuft en een vreemd verlangen de kop opsteekt: een verlangen naar verveling. Verveling kan nuttig en interessant zijn.

Verveling moet een kinderziekte zijn, wil de mythe. Wij, volwassenen, vervelen ons niet. Als het wél gebeurt, dan vinden we dat een beetje genant. Want zie ons zitten, te midden van die oceaan van verbluffende tentoonstellingen, meeslepende boeken, boeiende reisbestemmingen, schitterende films en theatervoorstellingen, leuke tv-programma’s en – last but not least – sociale netwerken als Facebook en Twitter die onze hersenen permanent prikkelen, op zoek naar de volgende gevatte anekdote of retweetbare quote. Wie zich in zo’n overdadige wereld verveelt, is die niet gewoon een dooie diender?

Saai is wat we vooral niet willen zijn. Dat reflecteert zich in hoe we ons in het openbaar profileren, maar ook in ons taalgebruik.

Een plezierig tijdverdrijf, een leuke job of elk ander aardigheidje waar mensen zich onledig mee houden, heet tegenwoordig standaard ‘een passie’. Wie passie heeft, geeft blijk van een sprankelende persoonlijkheid. Wie passie heeft, is interessant. Wie dat niet heeft, is een treurige plant.

En toch heeft het gevoel dat er zo ontzettend veel boeiends te zien en te beleven is soms een vervlakkend, bijna verdovend effect: alle prikkels zijn even sterk, waardoor het bijzondere banaal dreigt te worden. Het kan gebeuren tijdens het doorbladeren van het cultuuraanbod voor het komende najaar, een bezoek aan een museum van het kaliber Louvre of tijdens een zoveelste blik op Twitter: het gevoel dat het te veel wordt, dat je eigenlijk zou moeten ontsnappen. En lap, daar is ze dan. Genadeloos prangend, de leegte die je vult met een dofheid die bijna pijn doet: de verveling.

Post-coïtale tristesse

De saaie waarheid is dat we collectief aan zelfbegoocheling lijden. Verveling is geen kinderziekte, maar vermoedelijk wel een welvaartsziekte. De Nederlandse hoogleraar en filosoof A.W. Prins wees er in zijn dissertatie Over verveling terecht op dat we ons enkel vervelen wanneer het ons goed gaat. Wie met de dood bedreigd wordt, honger lijdt of in de rouw is, verveelt zich niet. Maar precies in onze overdaad en de niet-aflatende pogingen om ons te vermaken, vervelen we ons te pletter. Of, zoals de Britse schrijver en journalist Ian Sansom het mooi verwoordde: de veelheid leidt naar ‘een toestand van voortdurende post-coïtale tristesse’.

Neurologisch tekort

Verveling heeft een bijzonder slechte reputatie. Voor de eerste christenen was ze een van de zeven doodzonden. Verveling was niets meer dan luiheid, en moest bestraft worden. Volgens Kierkegaard was verveling ‘de wortel van alle kwaad’. En ook vandaag wordt ze met de vinger gewezen, als aanstichtster van vandalisme en overspel bijvoorbeeld. Volgens biologe en wetenschapsjournalist Anna Gosline dreigen we ons letterlijk dood – of, bij nader inzien, op zijn minst ziek – te vervelen. In een artikel in Scientific American betoogde ze dat wie zich chronisch verveelt een verhoogd risico loopt op depressie, angststoornissen, drugs- en alcoholverslaving, dwangmatig gokken, eetstoornissen, gevoelens van woede en vijandigheid, povere sociale vaardigheden, slechte schoolresultaten en dito werkprestaties. Een te laag dopaminegehalte in het brein zou mensen ertoe aanzetten hun toevlucht te zoeken tot genotmiddelen. Strikt genomen lijden de immer verveelden (die een saai imago hebben) en de avonturiers of sensatiezoekers (die een interessant imago hebben) aan hetzelfde neurologische tekort.

Zou het gêne zijn waardoor een universeel en in wezen interessant fenomeen als verveling zo zelden op zijn merites onderzocht is? Waardoor filosofen zich wel verwaardigden er interessante uitspraken over te doen, maar wetenschappers de verveling zo vaak achteloos links laten liggen? Waardoor we er vooral tegen willen vechten omdat we haar liever niet in de ogen willen kijken?

Ook dat laatste is trouwens van alle tijden. In het Zuid-Italiaanse stadje Benevento staat een muur met een Latijnse inscriptie uit de derde eeuw: een teken van erkentelijkheid voor Tanonius Marcellinus omdat hij ‘de bevolking redde van eindeloze verveling’. Blaise Pascal schreef in de zeventiende eeuw dat ons gevecht tegen verveling niet meer is dan een gevecht tegen het besef van sterfelijkheid. Driehonderd jaar later noemde Martin Heidegger verveling een oefening in de kunst van het leeg blijven. Wie het nietsdoen probeert te bedekken, ontloopt zichzelf. Met andere woorden: wie bang is voor verveling, is bang voor de confrontatie met zichzelf.

Afgelopen voorjaar verscheen Boredom: a lively history, waarin de classicus Peter Toohey op zoek gaat naar de ziel van verveling in de geschiedenis: in kunst, literatuur en filosofie. Verveling en verveling zijn twee, stelt hij. De simpele verveling – het soort kinderlijke verveling dat bij nietsdoen hoort – is prima: ze stelt ons in staat om te dromen en te fantaseren. Het is wat Nietzsche ‘de onaangename windstilte van de ziel’ noemde, die aan het creatieve proces voorafgaat.

Kwelling

De tweede vorm van verveling – typisch voor volwassenen – is kwalijker. Het is een kwelling. Een combinatie van chronische verveling, depressie, een gevoel van overdaad en overbodigheid, frustratie, afkeer, onverschilligheid, apathie. Het gevoel ook opgesloten te zitten in die kwelling. En misschien komen we pas in deze ziekelijke toestand van verveling terecht, als we de simpele, kinderlijke verveling negeren.

Pas als we ophouden verveling te zien als iets triviaals, als iets kinderachtigs, pas als we erkennen dat verveling een essentieel onderdeel is van de menselijke beleving, zullen we in staat zijn er constructief mee om te gaan. Verveling is een nuttig signaal: net zoals afkeer er ons bijvoorbeeld van weerhoudt rotte vis te eten, zo maakt verveling ons duidelijk dat bepaalde omstandigheden slecht zijn voor ons welbevinden. De voor de hand liggende populaire remedies wijst Toohey resoluut af: de afleiding en vergetelheid die genotmiddelen, seks of reizen kunnen bieden, vindt hij te vluchtig en oppervlakkig. Muziek, beweging en sociaal contact acht hij veel duurzamer en dus heilzamer.

Het hele verhaal over verveling door overprikkeling, schreeuwt bijna om rust en bezinning. Sabbatjaren zijn nog steeds in zwang, en dat is niet verwonderlijk. Maar A.W. Prins merkt terecht op dat zo’n sabbatical alleen maar zin heeft als de bezinning het doel is. In de praktijk is het bezinnen voor velen niet meer dan een middel, om er daarna weer dubbel zo hard tegenaan te kunnen gaan. We hebben nood aan tegengas. Aan vertraging, zonder dat we die per se inplannen. En dan is het zaak de zintuigen open te zetten en verrast te worden door wat op ons pad komt.

Ogenschijnlijke banaliteit

James Ward, een jonge Brit, raakte enkele jaren geleden al gefascineerd door de schoonheid van verveling. In 2009 startte hij een blog, I like boring things, waarin hij focust op ogenschijnlijke banaliteiten: de hoeveelheid balpennen die in een bepaalde winkel gebruikt worden, hoe affiches precies zijn samengesteld, op welke manier mensen het vaakst een café binnenkomen en waar ze het gemakkelijkst blijven stilstaan om te praten met anderen. Het lijkt absurd, maar Ward ziet het anders: ‘Iets kan zo ongelooflijk saai lijken, maar dan bereik je het punt waarop het kantelt en het juist fascinerend wordt.’ Als liefde en haat twee kanten van dezelfde medaille zijn, dan geldt dat ook voor saai en interessant, vindt hij. Het hangt er maar vanaf hoe je de dingen bekijkt.

Wat Ward doet, is misschien wel een vorm van meditatie. Er zit iets bijzonder rustgevends in het focussen op bijna niets. Het is een variant op het eindeloze wolken kijken dat we allemaal wel kennen: op de rug liggend staren naar de witte slierten tegen de hemel, er dieren, mensen of voorwerpen in herkennen, misschien wel verhalen verzinnen. Of andersom: met de neus in een klaverbed zoeken naar dat ene, onvindbare klavertjevier en ineens getroffen worden door de noeste arbeid van mieren die samenwerken om een reusachtige broodkruimel naar hun nest te brengen. Of een druppel uitkiezen op een beregend raam, en kijken welke route hij volgt en welke andere druppels hij meeneemt op zijn pad. Het zijn allemaal dingen die geen enkele zin hebben, behalve dat ze een weldadig soort rust teweegbrengen.

Parkingdaken

James Ward was benieuwd of hij zijn fascinatie voor verveling ook met anderen zou kunnen delen. In december 2010 organiseerde hij zijn eerste conferentie: Boring 2010. In een mum van tijd waren de 200 tickets uitverkocht. Het programma bestond uit uiteenzettingen – zeven uur in totaal – met titels als ‘De ongrijpbare schoonheid van parkingdaken’, ‘Mijn ervaring met busroutes’ en ‘Persoonlijke reflecties op het Engels ontbijt’. Een spreker bracht verslag uit over het aantal keren dat hij geniesd had de afgelopen drie jaar (2.267 keer) en een ander noemde langzaam alle 415 kleuren uit een verfcatalogus op, in alfabetische volgorde. Tussendoor mochten de deelnemers helpen bij het leggen van een duizend stukken tellende puzzel.

De deelnemers waren enthousiast: in een wereld van overprikkeling, wordt verveling opnieuw iets om bewust naar op zoek te gaan. James Ward werkt dus volop aan een volgende editie van Boring, die ergens in het najaar van 2011 zal plaatsvinden. De voorstellen stromen alvast binnen. Zoals dat van de man die dolgraag een betoog over de vierkantswortel van twee zou geven. ‘Seriously,’ voegt hij eraan toe, ‘it will be fab.

(eerder verschenen in De Standaard van 6 augustus 2011, later ook in NRC Lux)

Ik ben een gedurig ontroerbare ramptoerist

Kerkhoven en ik, het is een verhaal apart.
Van Gent tot New Orleans, ik weet hoe men zijn doden begraaft. Uren kan ik er rondlopen.
Een bezoek aan Parijs is niet compleet als ik niet even dag gezegd heb aan Simone de Beauvoir, icoon van mijn tienerjaren, op het kerkhof van Montparnasse.
Ik haat sentimentaliteit. Maar ik sta er niet boven.
Het gaat nog verder.
De ‘Lawinentote’, het vervaagde meisje met de pijpenkrullen, het oude paar dat op dezelfde dag heenging: ik wil hun verhaal kennen.
De oudste grafstenen op het kerkhof van Pierre-Perthuis in de Morvan leverden me de namen voor personages in ‘Ik denk dat het liefde was’.

Ik praat met de doden, droom hen levens. En besef dat ze in mijn rare hoofd wellicht interessanter worden dan ze in werkelijkheid waren.
Niets dat zo weemoedig stemt als al die verstilde kleine geschiedenissen, die nooit meer verteld zullen worden.
Ik ben een gedurig ontroerbare ramptoerist.
Ik schrijf.

Vandaag is het 1 november, maar ik zal geen enkel kerkhof bezoeken.
Mijn eigen doden laat ik met rust. De behoefte om ze op een dag als vandaag op te zoeken, is me vreemd. Maar vergeten doe ik niet.
Hoe mijn ene grootmoeder stierf toen ik vijf was, en ik daar bijna vrolijk over kwekte tegen mijn vader.
Hoe mijn tweede grootmoeder doodging toen ik zeventien was en ik een nieuwe en ondraaglijke pijn voelde, die vlijmde en brandde alsof mijn ziel eruit gerukt werd.
Hoe later mijn ene grootvader even stil ging als hij geleefd had.
Hoe ik een dochter op de wereld zette, precies op de dag dat mijn andere grootvader de wereld verliet. ‘Je hebt een achterkleindochter,’ fluisterde mijn moeder nog in zijn oor. We zullen nooit weten of hij het nog gehoord heeft.

Maar veel meer nog dan aan hun dood denk ik aan hun leven. Vooral aan dat van de grootmoeder die stierf toen ik zeventien was. Haar twinkelende donkere ogen. Hoe ze rook. Hoe ze zong en floot en eindeloos vertelde over haar jeugd die zoveel spannender leek dan de mijne. Hoe ze oud en jong tegelijk was. En hoe ze mij na mijn zoveelste waaromvraag lachend het zwijgen oplegde: ‘Curieuzeneuzen en vraagstaartjes!’
Het heeft niet geholpen. Nieuwsgierigheid is nu mijn job.

(Haar naam was Josephine. Zij leeft een klein beetje verder in ‘Wreed schoon’)

De dood, de job van je leven

De dood? Een donkerzwart beest, waar we liefst niet te veel bij stilstaan. Maar voor sommige mensen is het hun dagelijks brood. Een palliatief verpleegkundige, een forensisch patholoog en een directeur van een crematorium gunnen een blik in hun leefwereld.
‘Zonder humor red je het niet.’

Kathleen Vereecken, foto’s Michiel Hendryckx

Nancy Criel, palliatief verpleegkundige

Een prachtige witte labrador is het eerste wat ik zie wanneer de deur van de palliatieve eenheid in het Gentse AZ Sint-Lucas opengaat. Hij krijgt een vrolijke knuffel van een jonge vrouw, die net haar shift heeft afgerond. Uit enkele kamers klinkt rustig gepraat. Een oude man leest zijn krant op het terras. De papegaai in de zitruimte kijkt verontwaardigd om zich heen, zoals alleen een papegaai dat kan. En er is kleur. Meer dan in andere afdelingen van het ziekenhuis, zo lijkt het. Lichtheid is het woord dat meteen door mijn hoofd flitst. Vreemde, enigszins verwarrende lichtheid.

Enkele maanden geleden ontroerde Bronnie Ware, een Australische palliatief verpleegkundige, de halve wereld met haar ‘Top five regrets of the dying’.  The Guardian zette het artikel vol wijze inzichten online en in de weken die volgden werd het stuk massaal gedeeld via Facebook en Twitter. Een pakkende toverformule voor meer levensgeluk, zo leek het. Maar Nancy Criel, verantwoordelijke van de palliatieve eenheid, relativeert:  ‘Mijn ervaring leert me dat mensen zelden spontaan over spijt spreken. Ik vrees dat er veel clichés de ronde doen over het levenseinde. Alsof alles ineens goedkomt wanneer mensen gaan sterven. Alsof ze zich bijvoorbeeld willen verzoenen met diegenen met wie ze altijd in onmin geleefd hebben. Zoiets gebeurt soms, maar eerder weinig. De grote inzichten die in het licht van de dood zouden opduiken: het is een romantische gedachte, maar ze klopt niet. Meestal niet, tenminste. En toch gebeurt er iets moois. Alle maskers vallen af. Bij patiënten en familie. Ze zijn niet meer nodig. Konden mensen maar altijd en overal zo authentiek zijn als hier, denk ik soms.’

Van bij het begin stond vast dat verpleegkunde meer moest zijn dan alleen maar lichamen wassen, bedden verschonen en medicijnen toedienen. ‘Ik heb altijd dieper dan het puur fysieke gekeken. Het warm-menselijke is zo belangrijk voor mij. Jarenlang heb ik als thuisverpleegster gewerkt. Het viel me op dat mensen niet alleen de deur van hun huis voor me openzetten, maar in zekere zin ook de deur van hun leven. Ik luisterde graag naar hun verhalen en ik merkte dat zij ook blij waren wanneer ik er was. Dat ik zelfs voor mensen die stervende waren iets kon betekenen, vond ik bijzonder.’

Maar sterven kan koud zijn, ondervond Nancy Criel toen ze later op de afdeling hartchirurgie werkte. ‘Ik deed dat werk nochtans graag. Ook daar kon ik een verschil maken, voelde ik. Zo’n hartoperatie is ingrijpend, en een luisterend oor is dan meer dan welkom. Maar het af en toe getuige zijn bij een reanimatie ging na verloop van tijd zwaar wegen. Vooral de manier waarop het ging. Soms lukte de reanimatie. Heel vaak lukte ze niet. Hoe dat reanimatieteam telkens weer snel het materiaal bijeenraapte en vertrok, terwijl ik achterbleef met een pas overleden mens, daar had ik het moeilijk mee. De laatste keer staat me nog helder voor ogen. Hoe die gestorven man daar lag, abrupt achtergelaten door het team. Niet meer dan een lichaam, leek het. Terwijl ik alleen maar kon denken: een halfuur geleden leefde hij nog. En zijn familie staat nu te wachten op nieuws. Dat was voor mij een keerpunt. Ik besloot een opleiding palliatieve zorg te volgen.’

Zoals iedereen die dagelijks werkt met Grote Emoties – en bestaat er iets dat groter, intenser en emotioneler is dan doodgaan? – waakt Nancy over de balans tussen oprechte betrokkenheid en professionele afstandelijkheid. Dat lukt, zegt ze. Maar routine wordt het nooit. ‘Sommige mensen blijven langer aan me kleven dan andere. Omdat ze compleet vereenzaamd zijn. Of psychisch ziek. Omdat ze jong zijn. Of omdat ze kinderen hebben die even oud zijn als die van mij. Heel soms krijg ik het emotioneel moeilijk. Niet zozeer om het sterven zelf, maar om het overweldigende verdriet van de familie. Die machteloosheid tegenover hun lijden, vind ik een van de moeilijkste aspecten van mijn werk.’

Dat humor helpt, zegt ze. Tijdens een lastige vergadering er onopzettelijk uitflappen dat de lijken écht wel uit de kast blijven vallen. Waarna een algemeen lachsalvo volgt. Maar ook in het contact met de patiënten primeert lichtheid op zwaarte. ‘Er wordt meer over het leven dan over de dood gepraat. Het gaat over kinderen en kleinkinderen. Over het weer. Over winkelen. Over alles wat alledaags is. En er wordt gelachen, natuurlijk.’

Bij het woord stervensbegeleiding huivert ze. ‘Nooit zou ik dat woord gebruiken. Wij zijn vooral intens met het leven bezig. We zoeken naar manieren om de levenskwaliteit van mensen te verbeteren, hun leven zo zinvol mogelijk te maken. Daaraan mogen meewerken geeft mijn leven op zijn beurt veel zin. Ik heb geleerd op een andere manier naar het leven te kijken. Ik heb leren loslaten. Wat geweest is, is geweest. Alles wat ik heb meegemaakt – of het nu goed of slecht was – heeft me gemaakt tot wie ik vandaag ben. Het heeft geen zin om stil te staan bij het verleden, om terug te blikken en je af te vragen wat je anders had kunnen doen. De verhalen die mensen me vertellen, sterken me in die houding. Ze laten me voelen hoe gelijk we in wezen zijn. Hoe verbonden. Op een dag is het mijn beurt. Het onbekende houdt me bezig.  En het beklemmende besef, waar ik liever niet te lang over nadenk: er helemaal niet meer zijn. Niet meer bestaan, behalve nog een tijdlang in de herinnering van mensen die je gekend hebben.  Tot ook zij dood zijn. Ook dat is weer een oefening in loslaten. En in nederigheid.’

Michel Piette, patholoog

Dat hij aan de kost komt als forensisch patholoog, is toevallig, zegt Michel Piette, hoofddocent in de Gerechtelijke Geneeskunde aan de UGent. Als pas afgestudeerde arts droomde hij van leven en werken in de tropen. Maar bij gebrek aan een geschikte job in den vreemde, volgde hij een opleiding specialist in inwendige ziekten. Hij werkte nog enkele jaren in een polikliniek, tot zijn oom, een Brugse onderzoeksrechter, hem polste.Of hij geen autopsies wilde doen, want er was een gebrek aan forensisch pathologen. Niet lang daarna bood de gerenommeerde gerechtsarts Jacques Timperman hem een job als assistent aan.  ‘Ik heb een paar maanden getwijfeld. Een dokter is in de eerste plaats bezig met het geven van leven. De stap naar werken met de dood was niet evident. Maar als arts inwendige ziekten vond ik het vaak frustrerend dat ik het bestuderen van het ziektebeeld zelf – het wetenschappelijke en labowerk – aan anderen moest overlaten. Het interessantste ging aan mijn neus voorbij, terwijl ik niets liever deed dan onderzoeken en leren. Als patholoog zou ik de kans hebben voortdurend nieuwe dingen bij te leren. Dus besloot ik op het voorstel van professor Timperman in te gaan.’

‘De eerste tijd had ik het niet gemakkelijk. Het onderzoekswerk op zich vond ik geweldig interessant. Maar aan het werken tussen dode lichamen kon ik maar moeilijk wennen. Wanneer ik hier ’s avonds laat in mijn eentje aan mijn doctoraat werkte en toevallig langs de koelkasten met lijken liep, bekroop me altijd een gevoel van onbehagen. Een irrationele angst, ja. En dan was er die steeds weerkerende nachtmerrie. Ik droomde dat ik een autopsie had uitgevoerd bij een man. Ik moest alleen nog zijn lichaam opnieuw dichtmaken. Ineens ging hij rechtop zitten en liep naar me toe. Rénnen dat ik kon in die droom (lacht). Het heeft lang geduurd voor de nachtmerries ophielden. Jaren. Maar ik heb nooit overwogen te stoppen met dit werk. Ik was rationeel genoeg om te beseffen dat zo’n droom niet meer dan een constructie is. De uiting van mijn angstige fantasie.’

Zijn angst is Michel Piette inmiddels kwijt, gelukkig maar. De gezicht van de dood is niet langer akelig. Het is rustgevend. ‘Het lijden is voorbij. Hoe hevig of gruwelijk de doodsstrijd ook was, een dode straalt gelatenheid uit. Tijdens de fase van de lijkstijfheid verkrampen de lachspieren soms, waardoor je de illusie van een glimlach krijgt. Het is artificieel, maar het versterkt wel de indruk van vredigheid.’

‘Een autopsie is eindeloos boeiend. Het is puzzelen. Soms letterlijk, wanneer iemand voor de trein gesprongen is bijvoorbeeld. Maar vaak houdt het speurwerk niet op bij de autopsie. Veel ziekten worden pas zichtbaar na bacteriologisch of toxicologisch onderzoek. Ik hou van dat multidisciplinaire werk. Iedereen leert voortdurend bij. En ik ben nu eenmaal een eeuwige student.
In ongeveer vijf procent van de gevallen moeten we het antwoord schuldig blijven. Meestal is dat bij lijken in verregaande staat van ontbinding . We nemen ons telkens weer voor daar het beste van te maken, in het besef dat de kans op succes zeer klein is. Een gevorderde dood heeft geen menselijk gelaat meer. Geen naam, geen gezicht, vaak zelfs geen herkenbaar geslacht. Je kunt niet anders dan je daarvan distantiëren. Ik ben ertegen gehard. Maar alleen daartegen. Want voor de rest ben ik juist gevoeliger geworden.’

‘Toen ik jonger was, draaide alles om weten en leren. Onderzoek, wetenschap, techniek: ik vond het mateloos fascinerend. Maar naarmate ik ouder word, komt de emotionele, menselijke kant meer bovendrijven. Misschien omdat het werk routine geworden is en ik meer tijd heb om na te denken. Misschien ook omdat een mens zich naarmate hij meer gezien heeft meer vragen gaat stellen. Over de wreedheid en de kwaadaardigheid van de sommige mensen. Jonge mensen die gefolterd en vermoord zijn, dat vind ik het moeilijkste. Ik kan me goed inbeelden hoe vreselijk hun doodsstrijd moet geweest zijn. Waarom, vraag ik me nu af. Waarom moest dit gebeuren? Waar ben ik in hemelsnaam mee bezig? Waar moet het naartoe met deze wereld? Maar het meest aangrijpende wat ik ooit heb meegemaakt, is het blootleggen van de massagraven in Kosovo tien jaar geleden. Dat waren kinderen, oude mensen, onschuldige burgers. We waren er met een internationaal gezelschap, en moesten elkaar overeind houden.’

Ondanks alles noemt Piette zichzelf een optimist. ‘Anders deed ik dit werk allang niet meer. Ik besef dat ik in mijn werk voortdurend met het slechtste van de mens geconfronteerd word. Maar ik zie om me heen nog zoveel mensen die een kern van goedheid in zich hebben. Dat stemt me hoopvol. Stoïcijns denken helpt me om afstand te nemen van het slechte. Ik blijf me afvragen waarom mensen slecht zijn. De lijn tussen goed en slecht is dun. Betere omstandigheden hadden er misschien voor gezorgd dat wie slecht is goed zou geweest zijn. Een naïeve gedachte allicht, maar ze biedt me houvast.’

Kris Coenegrachts, directeur crematorium

Het crematorium Westlede in Lochristi ligt op een uitgestrekt, royaal groen domein. Rouwende gezelschappen stromen toe in de grote ontvangsthal en schuiven aan. Boven de ingang van elke zaal staat op een digitaal scherm de naam van een overledene. De dag is nog maar net begonnen. Wanneer hij voorbij is zal het crematorium tussen de 3000 en 4000 bezoekers over de vloer hebben gehad.
‘De tijd dat cremeren uitsluitend iets voor een kleine, vrijzinnige elite was, is definitief voorbij,’ zegt directeur Kris Coenegrachts. Vandaag kiest meer dan de helft van de Belgen voor crematie. In steden als Antwerpen, Gent en Brugge ligt dat aantal zelfs beduidend hoger.

Toen Coenegrachts 25 jaar geleden de overstap vanuit de welzijnssector maakte, deed hij dat om twee redenen: ‘Het is mooi om zo’n belangrijke verandering in een mensenleven gade te slaan. Hoe mensen omgaan met afscheid, is me onverminderd blijven boeien. Maar ook mijn belangstelling voor technieken en milieu speelt een rol. Onder de invloed van drukkingsgroepen – het nimby-syndroom, weet u wel – is het gerucht gelanceerd dat crematoria milieuonvriendelijk zouden zijn. Klinkklare nonsens. Het menselijk lichaam bestaat grotendeels uit water. En we hebben gesofisticeerde filterinstallaties, waardoor onze uitstoot veel schoner is dan die van uw open haard. De grote verkeersstromen naar de crematoria, die kunnen wel voor vervuiling zorgen. Ons streefdoel is: meer crematoria, zodat niemand meer dan vijftien kilometer moet afleggen om er te geraken.’

Als manager van een middelgroot bedrijf komt Coenegrachts niet meer dagelijks in aanraking met rouwende familieleden. Maar de mensen die dat wél doen, zij die plechtigheden verzorgen bijvoorbeeld, hebben één ding gemeen: ‘Het zijn allemaal mensen met een optimistische levensvisie en het nodige relativeringsvermogen. Levenslustige mensen met gevoel voor humor. Wie dat niet heeft, kan niet met de dood werken. Wie een fascinatie voor de dood heeft en zichzelf als ervaringsdeskundige beschouwt omdat hij bijvoorbeeld een kind verloren heeft, is niet geschikt voor dit werk. Die gaat er binnen de kortste keren onderdoor. Maar wie daar goed mee omgaat, doet dit werk doorgaans bijzonder graag. Dat zie je wel vaker bij mensen die met de dood werken. Ook bij grafmakers. Die merkwaardige liefde voor hun werk, omdat ze het gevoel hebben dat ze iets kunnen betekenen voor mensen in een moeilijke levensfase.’

Trends komen en gaan in de uitvaartwereld. Elk jaar weer duiken spectaculaire nieuwigheden op tijdens vakbeurzen, maar volgens Coenegrachts zijn er maar twee echte trends: ‘De verschuiving van verstrooiing naar begraving van de urne, zodat er iets blijft om naar terug te keren. Maar vooral: plechtigheden worden steeds persoonlijker. Daar waar rituelen vroeger verbondenheid symboliseerden, draaien ze nu vooral om individualiteit. Wij zijn daar zeer ruimdenkend in. Alle muziekgenres kunnen, al frons ik ook wel eens de wenkbrauwen. ‘Tiritomba’ bij het binnendragen van de kist bijvoorbeeld, klinkt nogal potsierlijk. Je ziet ook hoe de aanwezigen zich daar onwennig bij voelen. Het vertalen van oude symboliek naar iets hedendaags werkt ook niet altijd: een erehaag van kinderen met tennisrackets mag dan goedbedoeld zijn, ze werkt op de lachspieren. We proberen daarin bij te sturen, maar uiteindelijk kiezen de mensen zelf. Ook multimedia worden steeds vaker gebruikt. Twee dingen kunnen voor ons absoluut niet: toespraken waarin men afrekent met anderen of politieke boodschappen verkondigt, lezen wij niet zelf voor. Ook verboden symbolen weigeren we.’

‘Bijzonder intens is wanneer de overledene zelf het laatste woord neemt in een filmpje of een stemopname die kort voor de dood gemaakt werd. Ik weet niet of dat altijd zo’n goed idee is. Het kan voor familieleden té emotioneel worden.’

‘Kinderen. Dat is een verhaal apart. Het blijft moeilijk. We hebben altijd aangedrongen op meer aandacht voor doodgeboren kinderen, voor foetussen zelfs. Vroeger werden die gewoon meegegeven met het ziekenhuisafval. Maar nu staan ze hier regelmatig: jonge koppeltjes met een kistje, een schoendoos of een sigarenkistje en een overweldigend verdriet – woede ook, waar ze in hun omgeving soms niet de volle erkenning voor krijgen. Ook mijn medewerkers weten zich daar soms geen raad mee. De heftigheid van de emoties bij kindercrematies raakt iedereen.’

‘De laatste jaren moet ik steeds vaker naar plechtigheden van kennissen en vrienden. Los daarvan ga ik wel eens kijken naar andere plechtigheden, om te zien hoe mijn mensen het doen. Maar ze helemaal uitzitten doe ik nooit meer. Het raakt me te diep. Dat is de keerzijde van die persoonlijke plechtigheden: je krijgt een zodanig duidelijk beeld van de overledene dat je onvermijdelijk wordt aangestoken door het grote verdriet. Ik ken vooraanstaand politici met een enorme kennissenkring, die hier twee tot drie keer per week een crematie kwamen bijwonen. Ik zag hoe het emotioneel aan hen vrat. Niemand houdt dat vol.’

‘Door alles wat ik hier zie, heb ik een nog grotere gevoeligheid voor mijn familie gekregen. Maar mijn angst is navenant. Ik zie hier zoveel verkeersslachtoffers, dat ik de neiging heb mijn kinderen en kleinkinderen te overbeschermen. Ik maak me verschrikkelijk kwaad in die banalisering van het gevaar op de weg, in de discussies over het opheffen van de maximumsnelheid.’

Vooruitdenken naar zijn eigen dood doet Kris Coenegrachts niet. ‘Ik ben een hevige atheïst. Ik geloof dat het leven dan gewoon gedaan is. En verder leef ik in het nu en probeer ik op mijn gezondheid te letten. Hoe mijn afscheid eruit moet zien? Couldn’t care less. Ze doen maar. Mijn ijdelheid reikt niet ver genoeg om me daarmee bezig te houden. Mensen willen soms te zeer te regisseur van hun eigen afscheid zijn. Ik vind dat een foute inschatting. Het enige wat écht telt is de behoefte van degenen die achterblijven.’

(verschenen in De Standaard Weekblad van 27 oktober 2012)